Techniek als cultuurverschijnsel

Leereenheid 5, Techniek als motor van vermaak

Vraagstelling van de auteurs van deze leereenheid is: tot welke veranderingen in de danscultuur hebben technische innovaties geleid en wat waren de maatschappelijke gevolgen daarvan.

De moderne danscultuur ontstond aan het einde van de 19e eeuw in de VS en Europa. De nieuwe Engelse ballroomdansen, Noord-Amerikanen jazzdansen en Zuid-Amerikaanse gezelschaps-dansen (cafédansen) waren volkomen anders als de al bestaande paardansen. Een voorbeeld is de charleston. Sinds de rock-'n-roll van de jaren 50 is popmuziek de toonaangevende muziek in de danscultuur.

Het woord techniek ivm de dans wordt gebruikt voor

Sinds de beslissing van de Beatles om niet meer op te treden wordt popmuziek niet meer opgenomen zoals het ook live waargemaakt kan worden.

Drie aspecten van danscultuur

1e ritme, het feitelijke ritme van de muziek, ook het ritme van de tijd (dynamiek van de samenleving)

2e ruimte, architectuur van de danspassen, ruimte die het dansen inneemt, plaats van het dansvermaak in de cultuur

3e rituelen, de feitelijke omgangsvormen in de dansruimte en daarbuiten (oppositie)

In de 19e eeuw werden tal van automatisch spelende instrumenten ontwikkeld. De basis lag bij het orgel. Het orchestrion imiteerde zoveel mogelijk instrumenten.

In 1892 werd het boekdraaiorgel uitgevonden.

De rol van de musici werd nog verder beperkt door de onbedoelde gevolgen van de uitvinding van de fonograaf (edison), de grafofoon (Bell). Berliner ontwikkelde hieruit de grammofoon, bedoeld voor vermaak (vooral in de huiskamer). De uitvinding van de diamanten-naaldgrammofoon (1912) maakte verspreiding op grote schaal mogelijk.

De uitving van de elektrische microfoon in WO II gaf nog en nieuwe impuls.

Hoewel niet daarvoor bedoeld hadden deze uitvindingen groete gevolgen voor de danspraktijk.

De nieuwe dansen waren een spiegel van de verhoogde polsslag van de tijd.

In de 19e eeuw was er in Nederland een danscultuur met volksdansen en salondansen; de oriëntatie was Europees. Het dansen gebeurde alleen op wereldlijke vieringen op vaste dagen.

Het nieuwe dansen was op vnl. Amerikaanse muziek met Westerse harmonieën en Afrikaanse ritmes. Een meer natuurlijke houding ging samen met lossere kleding.

In het begin van de 20ste eeuw kwamen er fonografische salons waar per plaat betaald werd, live optredens van bekende orkesten waren nog steeds van cruciale betekenis.

Na de eerste wereldoorlog werd het dansen als vrijetijdsbesteding steeds populairder. Door de toenemende industrialisering nam het aantal jonge werknemers toe. Zij hadden de behoefte én de financiële middelen.

Er waren twee intermediairs de dansleraar en de dancing.

De dansleraar gaf les in zijn eigen huiskamer of bij je thuis ; hij was aangewezen op muzikanten.

De nieuwe dansleraar werd een ondernemer met een eigen dansschool en gramofoonplaten.

Dansen was naast vermaak ook steeds meer een techniek geworden. Het dansende lichaam werd zelf een technische innovatie.

De live muziek bleef nog steeds een trekpleisterbij de grotere dancings.

Het Dansen viel niet onder landelijke regelingen maar onder de plaatselijke APV (algemene politie verordening). Om greep te houden op de danswoede kwamen er allerlei regels (openingsuren, voorzieningen, minimum leeftijd). Hierdoor ontstonden illegale dansgelegenheden. Daarnaast was het door de komst van de radio voor elke horecaondernemer mogelijk geworden om dansgelegenheid te bieden.

Het dansorgel verving het hele orkest. Ze kwamen in Nederland onder invloed van België waar vrijwel elk cafédansant er een had. In Eindhoven (waar in 1930 het meest gedanst werd van heel Nederland) begon het ook daarmee. Op initiatief van een leraar of -nieuw- van de jongelui zelf werden dansverenigingen opgericht. Hiermee werden de gemeentelijke regels omzeild.

De technische ontwikkelingen gingen in de 60er jaren verder met de PA (daardoor werden popfestivals mogelijk), de lichtorgels, de nieuwe geestverruimende middelen. Ook het instrumentarium werd aangevuld met elektrische gitaren en piano's en later de synthesizer.

De diskjockeys en de deejays (drive-in) waren min of meer de erfgenamen van de dansleraren.

Met de huidige digitalisering wordt dansmuziek nog vrijwel uitsluitend op computers gemaakt.

Met de nieuwe rock-'n-rollmuziek van de jaren 50 ging men energieker en wilder dansen, dit moest wel verderfelijk zijn. Men danste niet langer alleen paarsgewijs, de man was niet langer de leider. De twist werd met name gezien als de dans van de emancipatiebewegingen

De dansscholen moesten op straffe van "social death" wel meedoen aan de nieuwe dansen. Toch raakte begin jaren 60 niet alleen de twist "uit", maar in deze periode was dansles ook niet meer hip. Vooral bij openlucht festivals zag men steeds meer een individuele dansbeleving.

De zwarte muziek (soul) bleef haar dansfunctie behouden en ook de salsa bleef. Invloeden daarvan zag je terug in de disco van de jaren 70, weer puur dansmuziek en weer paarsgewijs.

De dansscholen waren degenen die het meest profiteerden van de disco.

Het woord "party" kwam weer op voor dansfeest. Dit leefde in de jaren 90 voort in de "houseparty".

Eind jaren 70 kwamen als opvolgers van de disco , de punk en de new wave; er viel weer weinig te dansen De discocultuur verdween niet, maar werd de "club". Vanuit de discotheken kwam in de 80 er jaren de house op, eerst als subcultuur maar vanaf begin 90 er jaren is het de danscultuur. De factor dansbaarheid is erg belangrijk, maar allerlei soorten bewegingen zijn mogelijk. Het dansen is weer een individuele beleving.

De rituelen die de danscultuur omgeven (geluidsoverlast, XTC) veroorzaakten weer strikte regelgeving van de autoriteiten.

Een technisch artefact dat een grote invloed heeft gehad bij popdanscultuur was de ritmebox uit de jaren 70 e.v.. De voorloper daarvan was de metronoom, enkel een hulpmiddel en ook de eerste ritmeboxen waren leveranciers van standaarddansritmes. Aanvankelijk was de levende drummer nog superieur, maar toen de ritmebox geleidelijk de status kreeg van instrument was de logische consequentie de verdwijning van de drummer. De ritmebox inspireerde de songschrijvers tot meer lineaire songstructuren.

De Midi-technologie maakte het mogelijk een ritmebox direct te koppelen aan het keyboard. De muziek werd steeds strakker. Via het "samplen" keert het geluid van echte drummers langs een omweg weer terug in de muziek.

Gekoppeld aan digitale apparatuur werd het toetsenbord hét instrument van de dancemuzikant. Doordat computers steeds goedkoper en gebruiksvriendelijker werden was dancemuziek de doe-het-zelfmuziek van de jaren 90.


| Index | Techniek als Cultuurverschijnsel | Vorige |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)