Techniek als cultuurverschijnsel

Casus 2, de radio, de ontwikkeling van de radio in de periode 1840-1950

(Leereenheid 3)

De geschiedenis van de radio begint bij de optische telegrafie. In Napoleontische tijd wordt die sterk verbeterd en er ontstaat een uitgebreid netwerk. De koloniale imperia zorgden er o.a. voor dat er een behoefte ontstond aan communicatiemiddelen die zelfs oceanen konden overbruggen.

Elektrische verschijnselen waren al aan de oude Grieken bekend. In de 17e/ 18e eeuw kwamen elektriseermachines en de Leidse fles. Franklin (bliksemafleider), Galvani en Volta ontwikkelden verder.

Voor de elektrische telegrafie waren vooral de ontwikkelingen op het gebied van het elektromagnetisme van belangè naaldtelegraaf Morse had als eerste een systeem voor draadloze telegrafie voor ogen. Preece experimenteerde met inductie, maar dat bleek evenals geleiding een dood spoor. De oplossing lag in electromagnetische golven.

Maxwell had de eerste theorieën hierover, die Herz een empirische onderbouwing gaf. Herz verwierp het idee om de golven te gebruiken voor draadloze communicatie.

Marconi zag de praktische toepasbaarheid en de mogelijkheid er geld mee te verdienen.

Hij kwam steeds verder met de trial- and- error methode; hij had geen enkele wis- of natuurkundige opleiding gehad. Zijn octrooien bevatten vrijwel geen nieuwe techniek, wel de toepassingen.De Russen beschouwen Popov als de uitvinder van de radio (ontwikkelde een ontvanger, eigenlijk bedoeld voor weersvoorspellingen).

Lodge vroeg tegen zijn zin (belemmering van de verspreiding van wetenschappelijke kennis) octrooi aan voor zijn ontdekkingen

Dat de golven zich naar alle richtingen in de ruimte verspreidden werd niet beschouwd als een stimulans om te zoeken naar nieuwe toepassingen. Het ontbreken van het telegramgeheim was een vervelend en ongewenst obstakel. Men zocht naar methodes voor selectieve afstemming.

De draadloze telegrafie werd in eerste instantie bijna alleen gebruikt in de scheepvaart. Marconi probeerde op zee een monopolie te krijgen. Er was grote rivaliteit met Telefunken.

Nederland zat niet te springen om Marconi. Men hield de zaak liever in eigen hand, ook met het oog op werkgelegenheid in de toekomst. Dit vertraagde de ontwikkelingen in Nederland.

Marconi verbood zijn marconisten het verkeer met andere stations. Dat werd verplicht.

Aanvankelijk was de draadloze telegrafie geen zware concurrentie voor de kabeltelefonie. De laatste bleef bijv. sneller. Met de booglamp en later de versterkerbuis i.p.v. de vonkzenders werd het zenden verbeterd.

In de ontvangers werd de oorspronkelijk coherer vervangen door de Schlömilchdetector. Daarmee kon men seinen op het gehoor. In 1913 zorgde de kristalontvanger in Nederland voor een revolutie onder de amateur-luisteraars.

Die amateur-luisteraars waren een volstrekt onvoorziene ontwikkeling. Het was wel clandestien.

Jan Corver pleitte als eerste voor nieuwe invalshoek: het wezen van een nieuw communicatiemiddel werd miskend! Hij dacht nog wel in termen van radiotelegrafie.

Tijdens de eerste wereldoorlog maakte de toepassing van electronenbuizen een stormachtige ontwikkeling door. Door Nederlands isolement drong dat pas laat door.

Izerda richtte in het eerste radiobedrijfje op in Nederland (Wireless).De zendproeven die hij -in eerste instantie samen met Philips- deed werden steeds meer gericht op de "luisteraars". In Amerika ontstond iets dergelijks pas later maar nam toen ook direct een hoge vlucht.

De zender van de NSF zorgde bij toeval plotseling voor een doorbraak. De proefuitzendingen van Willem Vogt werden een succes. De HDO (Hilversumse draadloze omroep) ontstond.

De NSF ging zendtijd verhuren en zo ontstonden de NCRV en de KRO en later de VARA.

Het AJC en het vormingsinstituut uit deze hoek waren niet enthousiast over het fenomeen radio.

De massaproductie van de radio kwam pas op gang toen afschrikwekkende technische uiterlijk verdween. Een tijdelijke achteruitgang had het proces door het streven naar zo min mogelijk knopjes. De 2501 van Philips was de eerste in afstofbare vorm.

De noodzaak ontstond om de zendfrequenties te verdelen. Dit werd en bleef een staatstaak (PTT).De radiodistributie werd een groot succes.

De introductie van de radio viel in een periode van hoogconjunctuur. De radio werd gezien in samenhang met de snelle verspreiding van elektriciteit. De elektrificatie van Nederland was aarzelend begonnen, maar door schaarste van andere energiebronnen ging het in de eerste wereldoorlog snel. Rond 1930 liep Nederland voorop.

De omroepverenigingen verwierpen in meerderheid zowel een commercieel als een monopolistisch systeem.

De Avro (de voormalige HDO) kwam in diskrediet door banden met het Telegraafconcern.

Zij werd "slechts" een van de 4 grote concessionarissen in het nieuwe omroepbestel en moest uiteindelijk de zendtijd op een zender delen met de VARA. Dat nieuwe omroepbestel voorzag in een strikte scheiding tussen het culturele en het technische gedeelte.

Er was sprake van een preventieve keuring. De ongeschreven radiocode verhinderde onfatsoenlijk taalgebruik, kwetsing van andersdenkenden (w.o. de andere omroepverenigingen,)

Godslastering en atheïsme. Ook belediging van bevriende landen (w.o. nazi Duitsland) mocht niet.De invloed van de radio-amateurs nam na 1924 snel af.

De radio was een belangrijk onderdeel van de nieuwe massacultuur, die ontstond in een tijd waar afstand (fiets, auto trein) snelheid (draadloze telegrafie) en tijd tot te verwaarlozen hindernissen werden. De dagbladpers was sterk gegroeid en de foto en film zorgden voor het beeldverhaal. Er ontstond een behoefte aan het onmiddellijk ervaren van de actualiteit. De radio voorzag in die behoefte..

Het was de tijd van de burgerlijk verzuilde maatschappij. De veranderingen lokten een defensieve reactie uit; deze reactie wordt wel het beschavingsoffensief genoemd; een misleidende term.

Elders waren drie vormen van omroepbeleid ; de open markt benadering (Amerika), de door de staat gemonopoliseerde omroep (sovjet Unie, Nazi Duitsland) en de methode van Engeland een instantie met een monopolie, maar wel onafhankelijk (BBC).

Nederland past in geen van deze modellen.

De omroepen betrokken de luisteraar minder direct bij de uitzending dan in de begintijd. Het doel van de omroep was vaak vooral het doorgeven van het eigen gedachtegoed. Er was nog geen luisterheffing dus de leden moesten ook voorzien in de financiële middelen van de vereniging.

Het was een voortdurende worsteling tussen de cultuur en de smaak van het publiek.

De Avro liep voorop met nieuwe radiovormen. De Ncrv was het meest naar binnen gericht Aan Amerikaanse muziek waagde ze zich niet en het was moeilijk om te zorgen dat alle geloven voldoende aan bod kwamen.

Ook bij de Kro was er frictie tussen wat volgens de leer kon en wat het publiek wilde. Men bracht amusement "anders loopt men over".

Bij de Vara moest men rekening houden met het verzet uit bijv. de AJC tegen de "burgerlijke cultuur".

Vanaf het prille begin kwam educatie in de uitzendingen voor. Dat de RVU een aparte zendmachtiging kreeg, kwam door de slechte verstandhouding tussen Vara en Avro

Als nieuw leermiddel in het onderwijs stuitte de radio wel op weerstand . Men was bang voor passiviteit en vervlakking, maar vooral voor een bedreiging van de rol van de docent.

De voornaamste pijler van de programmering was van meet af aan de muziek. Vanuit de grammofoonplatenindustrie zag met de live-uitzendingen eerst als bedreiging, maarzeker na de komst van de platenprogramma's bleek dat de verkoop juist werd gestimuleerd. Volgens sommigen werd de band tussen de omroep en de platenindustrie zelfs wel eens te innig.

Ook de pers zag in het nieuwe medium een bedreiging, vooral het nieuws. De omroepen daarentegen hadden weer bezwaar tegen de publicatie van programmagegevens.; een bedreiging voor de omroepbladen. Uiteindelijk ging het ANP tegen betaling twee maal per avond een kort bulletin verzorgen en beloofden de omroepen in hun bladen niet meer dan 22 blz. aan advertenties te plaatsen. Na de oorlog werd de Radio Nieuwsdienst een zelfstandige organisatie.

De populariteit van de sport zorgde veel sportuitzendingen. In 1928 maakte de Avro het eerste voetbalverslag: ontspanning door spanning. Ook hier bleek de radio eerder een stimulans dan een rem op de kaartjesverkoop. De Vara zat weer met het AJC die competitieve sport in strijd vond met haar ideaal van de vrije mens der nieuwe gemeenschap. De Kro mocht in eerste instantie niet van de bisschop. De Avro had geen last van ideologische remmingen maar kon met de anderen niet steeds komen tot zendtijdruil.

Terugblikkend vanuit het heden lijkt de ontwikkeling van de radio een logisch proces, maar er zijn wel steeds keuzes gemaakt. Per saldo was het geen vooraf voorspelbare gang van zaken.


| Index | Techniek als Cultuurverschijnsel | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)