Opereren op het snijpunt van culturen
Middelaars en media in Zuid-Nederland
Gerard Rooijakkers
Inleiding: Culturele circuits en makelaars
Personen die in de ruimten tussen verschillende groepsculturen opereren kan door anderen als bedreigend worden ervaren en zijn daardoor bijzonder kwetsbaar. Van hen wordt een grote flexibiliteit in gedragsrepertoires verondersteld. Laat hun aanpassingsvermogen te wensen over, dan is de kans groot dat zij het slachtoffer worden van het streven van groepen om de als inbreuk ervaren inmenging van dergelijke personen al dan niet gewelddadig te bezweren en te bestraffen. Formeel beschikte slechts de wereldlijke overheid over het monopolie om legale geweldsacties uit te voeren.
Cultuur is een kwestie van communicatie. De interactie tussen personen en groepen in samenlevingen verloopt via bepaalde gewoonten, instituties, symbolen en voorstellingen. Deze cultuurvormen hebben voor mensen echter lang niet altijd dezelfde eenduidige inhoud of betekenis. Aan de hand van deze betekenisgeving is het dan ook mogelijk om in een samenleving bepaalde culturele circuits te onderkennen.
Onder een cultureel circuit verstaan we een arena waarin de mensen met elkaar kunne communiceren doordat ze aan bepaalde gedragsvormen dezelfde betekenissen toekennen. We kunnen alleen gedragingen van mensen in heden en verleden traceren en aan de hand daarvan ons een indirecte voorstelling trachten te maken van de achterliggende ervaringswereld.
Het proces van vormgeving is bijzonder veelzeggend; er zijn talloze mogelijkheden om uit-drukking te geven aan gevoelens en opvattingen.
Als er sprake is van vaste, geformaliseerde handelingspatronen kunnen we spreken van rituelen. Oorspronkelijk werd deze term gereserveerd voor strikt religieuze, liturgische handelingen en werden de profane riten aangeduid met het begrip ceremonie.
De betekenis van een bepaald symbool is sterk afhankelijk van de context. Het is van essentieel belang om de betekenisreikwijdte van gedragsvormen te kunne vaststellen. Bepaalde handelingen kunnen niet alleen in tijd en ruimte, maar ook in sociaal en leeftijds- of geslachtsspecifiek opzicht van tekenwaarde wisselen. Groepen die zich in bepaalde situaties bedienen van een identieke vormentaal om informatie uit te wisselen, nemen deel aan hetzelfde culturele circuit.
Elke mens beschikt over een arsenaal aan gedragsrepertoires waaruit hij of zij, al naar gelang de situatie, een keuze maakt. Groepen met verwante codes in bepaalde situaties, maar die in sociaal opzicht wel degelijk gedifferentieerd kunnen zijn, duiden we aan met de term subcultuur of groepscultuur.
De volkscultuur van een samenleving vormt in deze optiek de meest universele, algemeen verstaanbare vormentaal waarbinnen verschillende culturele circuits met specifieke gedragsrepertoires kunnen functioneren. Hier wordt dus niet gewerkt met indelingen gebaseerd op vermogen of sociale structuur zoals in de sociaal-economische geschiedschrijving gebruikelijk is, maar met classificaties op basis van gedrag. Dit vormt een essentieel kenmerk van een historisch-antropologische benadering. Het werken met indelingen op basis van sociale structuur leidt onvermijdelijk tot tegenstellingen als elite - volk of grote en kleine traditie.
Bij het bestuderen van menselijke situaties komen we telkens weer uit bij de individuen. De anonieme geschiedenis van groepen, klassen of andere collectieven wordt hier nadrukkelijk verlaten.
Mensen hebben maar een beperkte speelruimte voor het maken van keuzen; ze zitten als het ware ingekapseld, ingemetseld in hun sociale verhoudingen, in hun toevallige situatie. Het is juist deze speelruimte tussen de circuits en de mogelijkheid tot code switching die het leven afwisseling en ontsnappingsmogelijkheden biedt.
Culturele bemiddelaars zijn personen die door hun maatschappelijke positie relaties leggen tussen verschillende culturele circuits.
De positie van tussenpersonen heeft altijd iets paradoxaals; ze zijn machtig en toch afhankelijk.
Analyse van loyaliteitsconflicten die uit patroon-cliënt relaties van bemiddelaars voorvloeien, verschaft ons een sleutel om meer inzicht te krijgen in de dynamiek van groepsculturen. Het gaat in de historische antropologie niet alleen om gedragswijzen, maar ook om processen van genese en verandering.
Jongerencultuur en katholieke clerus: Culturele confrontaties en pastoraal geweld
Als jongens of meisjes gingen vrijen of trouwen, traden zij een nieuwe fase van hun leven binnen. Het markeren van deze levensfasen verschafte duidelijkheid.
Om samen te leven en te kunnen communiceren, hebben mensen de behoefte aan orde en oriëntatie. Het onderkennen van categorieën in tijd en ruimte gaf aan waar men aan toe was, in welke maatschappelijke toestand of zich iets bevond.
Vandaar dat we spreken van overgangsrituelen of rites de passage.
De ongebonden, vrijende jeugd werd als groep een bijzondere status toegeschreven. Zij verkeerden in het grensgebied tussen kind en volwassene en waren als zodanig bemiddelaars tussen de generaties.
Deze gezelschappen van ongehuwden, de zogenaamde jonkheid, speelde een cruciale rol bij het organiseren en uitvoeren van charivaris.
In decreten en bisschoppelijke brieven (mandementen) vinden we sporen van een karakteristieke, min of meer georganiseerde jeugdcultuur. De gelegenheden tot gemengde ontspanning van jongeren op het platteland was een doorn in het oog van de clericale elites. Ze hadden een verontrustte aandacht voor alles wat de toenadering tussen de seksen kon bevorderen. In 1697 vorderde de kerk een vordering uit tegen de excessen die plaats vinden in de drinkgelagen op het platteland, in de volksmond labbayen genoemd. De bisschoppen dreigden in hun brief van 21 april 1697 met het weigeren van de absolutie aan eenieder die had deelgenomen aan de bijeenkomsten of er al dan niet oogluikend mee had ingestemd. Genademiddelen werden gebruikt als dwangmiddel. In het aankweken van dit schuldbesef, met als uiteindelijk resultaat een verpreutsing van de samenleving, vervulden dergelijke bisschoppelijke oekazes, waaruit een pastoraal van de angst spreekt een sleutelrol.
De parochie geestelijkheid diende de centraal genomen besluiten op lokaal niveau door te voeren. Veel pastoors kwamen hierbij in een ambivalente positie.
Spinningen, labbayen en kwanselbieren
Het betreft informele organisatiekaders; de bijeenkomsten verliepen volgens ongeschreven vaste regels. Deze trefpunten vormden belangrijke media tussen seksen, generaties, geschoolden en ongeschoolden, vertellers, luisteraars, muzikanten en dansers.
In de winteravonden kwamen de meisjes bij elkaar op zogenaamde spinningen. Volop gelegenheid tot kennisoverdracht. In de loop van de avond kwamen de jongens op bezoek.
Onder labbayen verstond de clerus de dartele en onbeschaamde samenkomsten van jongens en meisjes op het platteland in herbergen of andere plaatsen, om te dansen, te drinken, plezier te maken [].
Bij gelegenheid van een huwelijk of ondertrouw eiste de jonkheid een traktatie in de vorm van bier, het zogenaamde kwanselbier.
In het Echtreglement dat de Staten in 1656 uitvaardigden kwam een verbodsbepaling voor waarin dit gebruik werd beschreven.
Het niet voldoen aan de verplichting kon voor de betrokkenen grote gevolgen hebben. De aantasting van de huwelijksmarkt werd gecompenseerd door de overblijvende jongeren af te kopen met geschenken. Regionale aanduidingen van kwanselbier: rijbier, buxembier of heug vieren.
Als gevolg van het eenzijdige, elitaire bronnenmateriaal zijn de geluiden van een populair tegenoffensief doorgaans zwak.
Lokale samenleving en overheidsdienaren: culturele confrontaties en ritueel geweld
Ambtenaren op lakaal niveau verkeerden niet zelden in een positie van latent loyaliteitsconflict.
In Oisterwijk in 1740 werd de oorspronkelijke katholieke kerk gebruikt door gereformeerden, de katholieken weken uit naar schuurkerken etc.
Dit zette kwaad bloed en eindigde in een charivari, de vernieling van de ambtswoning van de predikant. De bomen waren geschild en ten dode opgeschreven, het tuinhek vernield etc., we kunnen hier spreken van een verbanningsritueel.
Aan een charivari liggen doorgaans meerdere factoren ten grondslag; er is, in tegenstelling tot wat men vroeger veronderstelde, zelden een monocausale factor aan te wijzen. Het betreft juist een accumulatie van conflicten en wrijvingen die aanleiding geven tot het uitvoeren van een strafexpeditie.
In het Oisterwijkse conflict speelden tussenpersonen een cruciale rol.. In de eerste plaats kwamen de uitvoerders van het gericht door hun gewelddadige acties tussen beide. Het dragen van vermommingen was niet ongebruikelijk en grote aantallen mensen participeerden, waarbij een stemming van vreugde en hilariteit heerste. Het gebeurde met plaatselijke instemming gezien het feit dat een uitgezette beloning nooit werd uitbetaald.
Intermediaire ondernemers tussen officiële en informele circuits
Meer informele, doorgaans individueel opererende makelaars in publieke ruimten. Zij leidden een veelal ambulant bestaan. Hun werkterrein bevond zich namelijk op openbare wegen en marktpleinen, in herbergen, op kermissen en in bedevaartsoorten, die voor iedereen toegankelijk waren. Kwakzalvers en rattenvangers, prentenmakers en marktzangers etc.
Gabriël Leemans, ambulante handelaar in passie en ander boekjes en jubile of aflaatsbrieven en zijn knecht, Laurens Cossan uit Maastricht.
Na 1750 maakten de belangrijkste uitgevers van volksprenten en kinderprenten in de Nederlanden gebruik van een netwerk van vaste verkooppunten. Over de leurders en de marskramers die het platteland bedienden, zoals Leemans, is veel minder bekend.
Uit het verhoor kunnen we opmaken dat hij een specialist was op het gebied van afweer en genezing van ziekten. Leemans werd voor zijn, in juridische zin afwijkend gedrag gevangen gezet en gegeseld.
Het magische wereldbeeld dat uit de rituelen van Leemans spreekt, strookte niet met de opvattingen van de machthebbers. Hij betrad het afgebakende domein van de officiële rituele specialist, namelijk de priester. De protestantse overheid beschouwde overigens het handelen van priesters, ook al waren ze officieel geadmitteerd, eveneens als bijgeloof (paapse superstitie).
Het religieuze repertoire van Leemans bevat elementen uit verschillende tradities en circuits. Opvallend is dat hij als leek paraliturgische handelingen van de kerk uitvoert.
Het plaatsen van papiertjes met heiligdom in het dak tegen de hekserij daarentegen, is duidelijk een voorbeeld van een praktijk uit het magische domein.
De grenzen tussen officiële religie en alledaagse magie zijn niet altijd even duidelijk te trekken.
Een andere informele bemiddelaar die zich begaf in het schemergebied tussen ortodoxie en magie was de Bossche schrijver en uitgever van almanakken Hubert de Cleijn.
Vanaf 1708 verscheen er in Den Bosch jaarlijks de Nieuwen Brabantschen Almanach die werd geschreven en samengesteld door de Cleijn.
In 1733 kwam het tot een procedure waarbij Huijbert de Cleijn op 23 maart door de schepenbank werd verboden de almanak langer uit te geven. De uiteindelijke aanklacht bevatte vier elementen:
Een overzicht van de sterrenkundige constellaties en de daarmee samenhangende voorspellingen (prognosticaties) vormden de vaste kern van elke almanak. Daaromheen was allerlei additionele informatie toegevoegd. De almanak putte zijn informatie uit verschillende circuits.
De grafische paradox: hoe groter de oplage en publiek, des te kleiner de kans dat er exemplaren zijn overgebleven.
Behalve een aantal nagenoeg tijdloze elementen, wat duidt op een opmerkelijke continuïteit, zoals de karakteristieke uitvoering met houtsneden en prognosticaties, treffen we in de almanakken soms de weerslag van allerlei actuele politieke en religieuze controversen aan.
Ter afsluiting: Middelaars en media
Makelaars waren niet per definitie het slachtoffer van hun tussenpositie. We zijn overgeleverd aan onze bronnen die alleen misstanden vermelden.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Peter Prevos (1997)