Naar een etnografie van de vroegmoderne stad

De gebuyrten in Leiden en Den Haag

Herman Roodenburg

Inleiding

Aan de buurten en het buurtleven in de vroegmoderne steden hebben historici weinig aandacht besteed.

Rond 1675 woonde ongeveer 42% van de gehele bevolking van de Republiek in de stad. De meeste van deze stedelingen, ongeveer tweederde, waren te vinden in het gewest Holland, met name in Amsterdam , Haarlem, Leiden, Rotterdam en in iets mindere mate in Den Haag. Aan het einde van de 18e eeuw woonde waarschijnlijk zon 60% van alle stedelingen in Holland.

Zo is het ongetwijfeld het sociologische onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft, de oude idee dat urbanisering slechts kan leiden tot uiteenvallen van all gemeenschapsleven, ,die deze verwaarlozing van onderzoek naar het stedelijke leven in de hand heeft gewerkt.

Historicus Keith Thomas: vergeleek het leven in de Engelse dorpen met de onderlinge omgang in Londen en andere grote steden. Daar zou het leven veel onpersoonlijker zijn geweest, maar ter ondersteuning van zijn vermoeden kon hij slechts een Engelse reiziger citeren die zich verbaasd had over de onverschilligheid van het 16e-eeuwse Venetië.

David Garrioch karakteriseerde buurten als Urban villages Socioloog Herbert Gans: Onder Urban villages verstond hij de stabiele en homogene gemeenschappen die hij meende aan te treffen onder de Italiaanse immigranten in de Amerikaanse steden. Met de term urban jungle doelde hij op de typische achterbuurten.

Waar het hier om gaat is dat in verschillende steden in de Republiek bijzondere buurtcorporaties hebben bestaan, de zogeheten gebuyrten.

Verschillende buurttypen die in de Republiek werden aangetroffen:

De meeste gebuyrten omvatten niet meer dan enkele straten en stegen. Aan het hoofd van de verenigingen stonden een deken en enige hoofdmannen. Zij moesten de onderlinge rechten en plichten regelen, maar zij droegen ook zorg voor de gezamenlijke maaltijden, die dikwijls 1 keer per jaar of eens per drie of vier jaar plaatsvonden.

Nog een taak was de informele conflictbeslechting buiten de rechter om.

Gebuyrten

In 1773, Johannes Le Francq van Berkhey eene zeer oude gewoonte van gezelligheid, op de zomersche avonden: wanneer verscheiden gebuuren, s-avonds, na den eeten, buiten de deur, veelal op straat, op de bank, of in t voorhuis, byéén komen, en elkander op een kop koffy of bier onthaalen, t welk zij banken noemden, en meestal tot elf uuren of laater duurt

Het was vanzelfsprekend dat men zijn buren kende.

Het verdichtingsproces in de stad: steeds meer kleinere wooneenheden tussen de grotere. Ontstaan van steegjes, achterhuizen etc.

Een getuigenis uit 1665: woont tegenwoordig zo grouzamen menichte van gemeen varendt- en handwercksvolck, t welk met de scheepstimmerwerven en vaarten hun kost verdient, ja, wel vier huysgezinnen zomtydts in een huys, als in de voorhuyzen, achterhuyzen, kelders, voor- en achterkamers, dat het ongelooffelyk is.

Toch ging het noch in Amsterdam, noch in de andere steden, om werkelijke gettos. Daarvoor waren wonen en werken te zeer met elkaar verbonden.

Uiteraard kan overbevolking op zich al tot spanningen en conflicten leiden, maar de problemen werden nog vergroot doordat de immigranten, vooral in Amsterdam, uit alle windstreken afkomstig waren.

Aan de andere kant zijn er ook aanwijzingen dat de massale instroom van al deze vreemdelingen een zekere structuur heeft gekend, waardoor een al te grote ontwrichting binnen de buurten werd voorkomen. Waarschijnlijk hebben de meeste immigranten, zoals vaak gebeurt bij grote migratieprocessen, steun gevonden bij familie of streekgenoten. (Chain migration)

Ook de religieuze opvang moet belangrijk zijn geweest. Zo had de gereformeerde kerk veel van haar groei te danken aan de vluchtelingen uit het zuiden. Sterker nog, in de 1e helft van de 17e eeuw had een aanzienlijk gedeelte van de predikanten, ouderlingen en diakenen zelf tot deze vluchtelingen behoord.

Veelzeggend is ook dat de joden nogal het slachtoffer werden van volkswoede. Zij werden dan in de maling genomen. Verdacht van het een of andere vergrijp werden zij door omstanders staande gehouden en mishandeld.

In de steden waren er in de verschillende buurten vele dialecten. Ook hadden alle buurten hun eigen markt en, zeker bij de gereformeerde kerk, hun eigen kerkgebouw. Met andere woorden, de inwoners hadden hun vaste routes waaromheen zich hun notie van de eigen buurt, de fysieke ruimte waar zij zich thuis voelden, ontwikkelde. Het zogenaamde beaten path.

Leiden en Den Haag

De gebuyrten en buurten die in de meeste gevallen niet meer dan enige straten en stegen omvatten.

Aan het eind van de 18e eeuw was Den Haag een stad die samen met enige omliggende plaatsen zon 43,000 inwoners telde. In deze periode was Den Haag verdeeld in 71 buurten.

Leiden kende in het laatste decennium van de 18e eeuw 96 buurten. In 1641 nog 143 en in 1739 zelfs 200 buurten.

Het buurtleven heeft aan het einde van de 18e eeuw aan betekenis ingeboet.

 

Organisatie van de gebuyrten. Niet door de overheid, maar door de bewoners zelf. Artikelen in de buurtbrieven:

De buurten stonden onder toezicht van een bestuur bestaande uit een deken en naast hem enige hoofdmannen. Verder had vrijwel iedere buurt een buurtknecht en soms nog een secretaris of zelfs een eigen advocaat

De deken en de hoofdmannen werden doorgaans aangeduid als de officieren, de regering of regenten van de buurt.

In Leiden en Delft bezaten de officieren uiterst kleurrijke titels zoals keizer of koning.

De Leidse buurten hadden bovendien opvallende namen. De namen hebben iets carnavalesk en dat is niet zo verwonderlijk, want er zijn verschillende aanwijzingen dat de gebuyrten voor de Reformatie een actieve rol hebben gespeeld bij de vastenavondviering en bij andere feesten.

Niet iedereen werd tot de gebuyrten toegelaten. Lidmaatschap betekende dat men tot de inleggende of medeterende buren gerekend werd.

Le Francq van Berkhey schildert een idyllisch beeld af over de verhouding tussen arm en rijk.

Rond 1600 had Jan van Hout toch wel zijn bedenkingen over het samengaan van rijk en arm.

Over de omgang tussen rijk en arm in de buurten is nog weinig bekend.

Het is heel goed mogelijk dat de gegoede burgerij wel degelijk met hun buren uit de achterhuizen aan tafel heeft gezeten. Wat uit de verschillende buurtbrieven naar voren komt, is dat men de arme buurtbewoners beslist rekening werd gehouden.

Ook bij de verplichte bijdragen werd op de verschillende draagkracht van de bewoners gelet.

De functie van de gebuyrten

De onderlinge samenhang van de buurtbrieven.

Bevordering van: goede vrede ende burgerlijcke eenigheyt van de continuatie van goede buurschap ende vermeerderinge van vrientschap.

Conflict en arbitrage

Regels tijdens de jaarlijkse maaltijd:

religie mocht niet besproken worden, verboden te vloeken, te zweren of elkaar te beledigen. Andere uitingen van agressie werden eveneens bestraft.

Ieder conflict werd voor de deken gebracht. De officieuze rechtspleging binnen de gebuyrten.

Het college van vrede makers.

Kon de buurtmeester de partijen niet tot elkaar brengen dan konden zij zich twee keer per week tot een hogere instantie wenden. Hadden deze commissarissen geen succes dan konden de partijen uiteindelijk een beroep doen op de heren schepenen.


| Ritueel en Symboliek | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1997)