Onderwerelden: Marginaliteit en misdaad in de Republiek
Florike Egmond
Inleiding
Onderwereld Daaronder verstaat men gewoonlijk een circuit, een kring, een gezelschap, een samenleving, in het kort een wereld die een duister bestaan leidt naast of onder de gevestigde samenleving en waarvan de leden zich in aanzien, maar niet noodzakelijk in welstand, laag op de maatschappelijke rangorde bevonden.
Noch het begrip georganiseerde misdaad noch het woord onderwereld was in de 17e en 18e eeuw bekend.
Men sprak van huijsbraak, diefstallen met inbrekinge en rooftochten dan van vermogensdelikten; en terwijl er veelvuldig melding wordt gemaakt van geweldenarijen, insolenties en leven op roof en bedelen, is het geweldsmisdrijf geheel onbekend.
In Frankrijk, Italië en Engeland werden in literaire werken vrij gedetailleerde en expliciete voorstellingen gegeven van countersocieties. Dat waren letterlijk tegensamenlevingen, met een eigen hiërarchie, met organisatoren die achter de schermen opereerden met een eigen randzone van hoeren, helers en dievenhelpers. In literaire voorstellingen worden zulke alternatieve samenlevingen soms geïdealiseerd. (Robin Hood) In de anekdotische geschiedschrijving over beroemde historische misdadigers en hun activiteiten kwam meestal alleen het negatieve aan bod. De relatie tussen de literatuur en de werkelijkheid is daarom problematisch.
In de 1e plaats doelen we op de praktijk van de misdaad en vervolgens op het dagelijks leven van de mensen die gedurende de 17e en 18e eeuw in de Republiek de wereld van de professionele misdaad vormden. Was er eigenlijk wel sprake van een onderwereld in de Republiek? Was er zon wereld met een aparte subcultuur, met een eigen taal, aparte rolpatronen en gebruiken, eigen organisatievormen en hiërarchieën, een aparte levenswijze, misschien met een dieveneer, rituelen en symboliek? En in hoeverre kunnen we spreken van een tegencultuur?
Gevestigden en reizenden
Het gangbare beeld van de Republiek is dat van een betrekkelijk homogene samenleving waarin de zogeheten brede middengroepen zowel getalsmatig als sociaal-cultureel domineerden. Misdaad vormt uiteraard per definitie een inbreuk op de normen van een bepaalde samenleving. De term subversief wordt hier alleen gebruikt voor een bewust streven naar ondermijning van de maatschappelijke orde.
Aan beiden uiteinde van de sociale rangorde was slechts weinig ruimte over.
De aandacht van historici is verschoven van de sociale homogeniteit naar de enorme culturele verscheidenheid in de Republiek.
Het onderscheid tussen mensen met en zonder vaste woonplaats had in de Republiek (en omringende landen) niet alleen in sociaal, maar ook in juridisch opzicht belangrijke consequenties. Tot de Franse Revolutie sprak het vanzelf dat er verschillende soorten mensen waren met dienovereenkomstig meer en minder burgerrechten.
Gevestigde personen die op het gebied van rechten en bevoegdheden voornamelijk van elkaar verschilden in hun civielrechtelijke positie; de oorsprong van die verschillen lag in hun religieuze affiliatie of bij hun welstand.
Landlopers, bedelaars, vagebonden, rondtrekkende landarbeiders, ex-matrozen en andere reizende leiden werden daarentegen extraordinair berecht. Ze mochten met minder formaliteiten gearresteerd en met tortuur verhoord worden. Als meest rechteloze groep golden destijds de Zigeuners of Heidens, zoals ze toen genoemd werden.
Die fundamentele rechtsongelijkheid gaf onder meer uiting aan de angst van de gevestigde personen met bezit voor arme, mobiele individuen en groepen.
Wat was de relatie van deze mobiele groepen tot de onderwereld?
Stadsonderwereld
De stedelijke onderwereld en haar organisatie
Amsterdam werd op korte afstand omringd door steden. Het platteland in het westen van de Republiek was dicht bevolkt en werd in allerlei opzichten beïnvloed door de hoge mate van urbanisatie in dit gebied. Deze typisch Nederlandse situatie was van direct belang voor de organisatie van de stedelijke misdaad. Er is geen hoofdstedelijke, maar een randstedelijke stadsonderwereld in de Republiek waarvan juist de interstedelijke contacten en mobiliteit een bijzonder en eigen karakter gaven.
De criminele infrastructuur: assistenten, informanten, helers en vervoerders.
Solodieven, grote netwerken, gespecialiseerde groepen dieven.
De groep van Andries Wissenhagen, bijgenaamde de Heiden. Ze brachten veel tijd door in kroegen waar ze hun activiteiten beraamden. Ze stalen geld, zilver, kleding, textiel, kleine gebruiksvoorwerpen en meubilair en verkochten alles aan vaste helers.
Dergelijke netwerken vormden bepaald geen centraal geleide criminele organisaties, maar waren ook niet zomaar een los samenraapsel van criminele groepjes die toevallig in de steden actief waren.
Een van de belangrijkste kenmerken van de stadsonderwereld in de Republiek was haar interstedelijke karakter. Evenzeer als alle nadere reizigers, profiteerden ook dieven van de trekschuiten met hun vaste verbindingen en afvaarten.
Opvallende kenmerken van de stadsonderwereld:
Werk als seizoenarbeider op het omringende platteland vinden we nauwelijks als bron van inkomsten vermeld. Daarentegen waren losse werkzaamheden als knecht, sjouwer, pakjesdrager, helper van marktkooplieden enz. aan de orde van de dag. Leden van de onderwereld waren net zo min het gehele jaar de hele week bezig met de uitoefening van één beroep, legaal of illegaal.
Op grond van organisatorische kenmerken en de duidelijke afbakening van hun werkterrein door stadsdieven, kunnen we zeggen dat er inderdaad een stadsonderwereld bestond: een laag van de bevolking die zich professioneel met de stadsmisdaad inliet en een zekere mate van eenheid kende.
De stadsonderwereld als subcultuur
Als een antropoloog te werk gaan: rondlopen in deze kringen, vragen stellen en vooral luisteren en kijken naar de omgangsvormen, kenmerkende kleding en symboliek, statussymbolen en erecodes, rituelen, vriendschappen en man-vrouw-relaties, intriges en roddel, initiatierites, de onderlinge rivaliteit en de inzet van conflicten, de ritualisering van geweld, de geheimtalen enzovoort.
Een nauwkeurige analyse van de mededelingen van toenmalige overheidsdienaren en vooral van hun weergave van ondervragingen van getuigen en verdachten.
Opmerkingen van Piet de Brabander (1698): de grote betekenis van reizen, zowel voor vrouwen als mannen. Vrouwen hadden minder te vertellen maar stonden economisch geheel op zichzelf. De bek opsnijden, waarmee Mancke Jan dreigde, was een gebruikelijke vorm van geweld.
Drie frequent voorkomende bronnen van onenigheid:
De wereld van de misdaad kan bepaald niet worden afgeschilderd als een samenleving met een sterke mate van onderlinge solidariteit. De persoonlijke status speelde een grote rol bij conflicten in de onderwereld. We vinden dezelfde soort conflicten evengoed bij allerlei mensen die niet tot de stadsonderwereld, maar tot de werkende klassen behoorden.
De strekking van het bovenstaande is dat de stadsonderwereld noch in haar conflicten, noch in de vormen van geweldgebruik, noch in de wederzijdse rolpatronen en de onderlinge relaties van mannen en vrouwen een eigen, van de overige, werkende bevolking afwijkende cultuur kende.
Het gebruik van dieventaal of -talen, en de proliferatie van bijnamen. Het valt te betwijfelen of er één dieventaal was. De terminologie verschilde per tijdperk en waarschijnlijk zelfs per groep. Echte aparte talen bestonden in de loop van de 18e eeuw wel bij enkele plattelandsbenden.
Het voorkomen van bijnamen duidt op een gemeenschapsgevoel.
De stadsonderwereld in de Republiek kende wel degelijk eigen organisatiepatronen, een bijzondere mate van mobiliteit, een aparte terminologie en bijzondere persoonsaanduidingen. Daarentegen onderscheidde ze zich op alle andere belangrijke punten in het geheel niet van de cultuur van de niet criminelen. Ze vormden geen subversieve samenleving, maar bleven in cultureel opzicht deel uitmaken van de onderste lagen van de stedelijke bevolking.
De onderwereld van het platteland
De onderwereld op het platteland in de randstad
De bende van Jaco. Alhoewel ze al haar inbraken en roofovervallen op het platteland had gepleegd leefde de leden in de stad. Na elke expeditie keerden de leden weer terug naar Amsterdam.
De grootste benden vormde netwerken van rondtrekkende personen, maar anders dan in de stadsonderwereld was er onder de uitvoerders van overvallen en inbraken niet zo vaak sprake van steeds wisselende coalities. De Jaco-bende als geheel omvatte niet meer dan 20 tot 25 personen, van wie Jaco de onbetwiste leider was.
Leden van de bende van Dirk Verhoeven (1757-65) stalen op markten en kermissen, uit schuren, boerenhoeven en plattelandswinkels in Holland, Utrecht, Gelderland en naburig Duits gebied. Enkele bendeleden speelden viool en traden op kermissen op als goochelaars en acteurs. Verhoevens bende zat losser en minder hiërarchisch in elkaar dan de Jaco-bende. De bende vormde bovendien een gemeenschap, mede doordat ook vrouwen en kinderen tot de rondtrekkende groep behoorden.
Zelfs dergelijke, sterk ruraal georiënteerde benden maakten echter regelmatig gebruik van de steden om een gedeelte van hun gestolen goederen te verkopen.
Tijdens het winterseizoen zocht men werk in de stad en fabriceerde of kocht nieuwe voorraden.
Tot deze benden behoorden vaak immigranten.
Deze benden kenden geen sterke mate van criminele specialisatie.
De sterk lokaal georiënteerde Brabantse benden, dankten hun succes vooral aan hun connecties met de plattelandsbevolking en hun grondige kennis van de streek.
De rurale onderwereld in de landgewesten
Ten zuiden van de rivieren bestonden benden vrijwel uitsluitend uit mensen die in de regio zelf op het platteland geboren en getogen waren als kinderen van dorpsbewoners of nakomelingen van de in deze streek rondtrekkende populatie van marskramers etc.
Grondige kennis van de streek en de vertrouwdheid met de plaatselijke bevolking en verhoudingen speelden een grote rol in de planning en uitvoering van de illegale activiteiten van deze benden.
Veelvuldig gebruik van geweld en de door hun soms aan het leger ontleende organisatie-structuur en interne rangorde.
Geen vrijwillige steun van de lokale bevolking à uitgeoefende terreur (dit geldt biet voor de bokkenrijders). Achtergebleven familieleden vormden de indirecte betrokkenheid van het dorp met de bende.
De bende der Brabantse Zwartmakers, die 110 tot 180 personen bevatte. (1690-1699) Drie militair georganiseerde secties, die elk onder leiding stonden van een kapitein. Elk van deze secties had zijn eigen territorium.
Belangrijke verschillen tussen de benden van de zuidelijke en oostelijke landgewesten en de groepen die actief waren op het platteland van de randstad lagen niet alleen in de geringe betekenis van de steden voor de eerstgenoemden en hun nauwere banden met de lokale bevolking, maar ook in de door de legers beïnvloedde hiërarchische structuur van deze benden en hun vaak zeer gewelddadige wijze van opereren.
Er waren talrijke kleinere en minder hecht georganiseerde vagebonderende gezelschappen al la Dirk Verhoeven.
Anders dan de plattelandsbenden van de randstad bestonden de zuidelijke benden vrijwel uitsluitend uit inheemse mannen en vrouwen. Verwantschapsbanden speelden een zeer grote rol.
Benden die buiten de randstad opereerden waren vaak groter dan die daarbinnen; ze hadden vaker een hiërarchische organisatie en gebruikten aanzienlijk meer geweld.
De etnische benden
Benden en groepen die uitsluitend uit joden en uit zigeuners bestonden. Vanaf ongeveer 1690 (immigratiegolf) Zigeuners tot ongeveer 1730, tot aan de grootscheepse vervolging, de joden gedurende de gehele 18e eeuw.
Bij de overwegend Oosteuropese joden reisden uitsluitende de mannen. Zigeuners reisden in grote groepen ,met vrouwen en kinderen.
In joodse benden waren de diefstallen evenzeer als de reizen een uitsluitend mannelijke aangelegenheid. Na elke expeditie keerden de joodse benden naar de stad terug. Vrouwen speelde bij de illegale activiteiten alleen een assisterende rol.
De zigeunerbenden kenden een vrij uitgesproken hiërarchie. Anders dan de joden beschikten de zigeuners niet over eigen kanalen voor de verkoop van hun buit.
De criminele subculturen op het platteland
Van één organisatiepatroon was bepaald geen sprake. Mobiliteit, hiërarchie, omvang van de benden, leiderschap, criminele specialisatie, taakverdeling tussen mannen en vrouwen en het gebruik van geweld, dit alles verschilde per regio, afhankelijk van de etnische dan wel niet-etnische samenstelling van de benden.
Van één rurale criminele subcultuur kunnen we dus niet spreken.
Het gebruik van bijnamen was groepsspecifiek. Van een Bargoens vakjargon blijkt tijdens verhoren minder dan in de stadsonderwereld. Uitlopen van een lokaal dialect tot Jiddisch en zigeunertalen (romanischel of rominiceers)
Niet alleen in aspecten als taal en naamgeving, maar ook op het punt van taakverdeling tussen mannen en vrouwen blijken de benden een afspiegeling te vormen van hun regionale of etnische achterban. In hoeverre plattelandsbenden ook op andere belangrijke punten aansloten bij de culturele gebruiken van hun achterban valt door gebrek aan onderzoek naar deze bevolkingslagen moeilijk na te gaan.
Het zweren van een eed, meestal bestaande uit een eed aan trouw aan de aanvoerders en de belofte geen verraad te plegen; soms ging dit gepaard met het afzweren van God en het toezweren van de Duivel. De eed werd echter niet alleen afgelegd door nieuwelingen, men kan dus niet van een echt initiatieritueel spreken.
Bij wijze van besluit: culturele diversiteit
Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat er in de Republiek zeker sprake was van stedelijke en rurale onderwerelden in de zin van circuits die zich professioneel en in kenmerkende organisatievormen bezighielden met misdadige activiteiten. Deze werelden waren echter geen subculturen, laat staan dat ze maatschappij vijandige tegenculturen vormden.
Ze behoorden in hun taal, omgangsvormen, namen, rolverdeling tussen mannen en vrouwen, conflicten en geweldgebruik in de 1e plaats tot hun eigen zigeuner- of joodse cultuur, tot de kringen van de Hollandse stadsarbeiders, de Waalse immigranten, de Brabantse dorpelingen, de reizende scharensliepen en stoelenmatters.
De veronderstelde, eenvormige, criminele subcultuur bestond dus niet en de Republiek.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Peter Prevos (1997)