Woon- en leefcultuur binnen de Hollandse steden

Thera Wijsenbeek-Olthuis

 

1 Probleemstelling

Studies van de materiële cultuur, volkenkunde en de antropologie. Niet zozeer bezien uit het oogpunt van de uiterlijkheden en de esthetiek of het zuivere functionele gebruik, maar meer om de symbolische betekenissen ervan binnen een gemeenschap en de verschillen van die betekenissen per sociale groep.

Vraagstellingen in studies van de materiële cultuur zoals bijvoorbeeld die naar diffusie- en innovatieprocessen, processen van modernisering of traditionalisering of stijging en daling van cultuurgoed.

De symbolische functie van consumptie. Volgens Bourdieu vormen smaak en consumptie een belangrijk onderdeel van de strategieën van individuen en groepen om zich te onderscheiden van anderen. Goederen worden aangeschaft in de verwachting dat deze door andere leden van dezelfde klasse gewaardeerd zullen worden en bij hun specifieke levensstijl passen. Ook kan een individu door middel van bestedingen een poging ondernemen een plaatsje te veroveren in een sociaal hoger gewaardeerde statusgroep, waartoe hij graag zou willen behoren.

Smaak is volgens Bourdieu groeps behouden en geeft tevens de scheidslijnen aan tussen de verschillende groeperingen in de maatschappij. Vanuit deze optiek blijkt consumptie vooral ook een vorm van communicatie te zijn en een manier om aan de buitenwereld te tonen tot welke groep men behoort of wilt behoren.

De socioloog Erwin Goffman ziet zelfs het sociale leven als een grote toneelvoorstelling waarin de mensen bezig zijn hun imago op te bouwen en respect af te dwingen.

De plaats waar iemand zijn voorstelling houdt noemt Goffman het façadegebied. Tot dit gebied behoren niet alleen gebouwen en vertrekken waar men het publiek ontvangt (de entourage), maar ook de persoonlijk façade zoals kleding. Achter het toneel bevinden zich de coulissen. Dit is het privé-domein, waar het publiek niet wordt toegelaten en waar het individu zichzelf kan zijn en zijn voorstelling kan voorbereiden.

Welke verschillen in consumptiegedrag kwamen er bij verschillende groepen voor, welke elementen van de leefcultuur kwamen uit het buitenland en welke voorwerpen waren als statussymbool groepsgebonden?

 

2 Bronnen

Schilderijen geven informatie over bijvoorbeeld de inrichting van huizen. Nog bestaande panden geven informatie over de inrichting.

Zeer voorzichtig met deze bronnen, symboliek en esthetiek bepaalden veel meer de compositie van schilderijen dan een weergave van de werkelijkheid. Ook gebouwen zijn in de loop der eeuwen veelvuldig verbouwd en de functies van de diverse kamers is ook nog niet helemaal duidelijk.

Bovendien wordt er ook een verkeerde indruk gewekt omdat de meeste bewaard gebleven portretten van mensen van hoge stand waren en de aller armsten werden dikwijls karikaturaal afgebeeld. Bewaard gebleven voorwerpen zijn over het algemeen de zeldzame stukken, van het gewone bijvoorbeeld aardewerk zijn alleen archeologische vondsten bekend.

Binnen de cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis wordt dikwijls de eigentijdse literatuur als bron gebruikt om reconstructies van het verleden te maken. Het nadeel is van gelijke aard als bij schilderijen.

Vrij betrouwbare bron zijn de boedelinventarissen. Een boedelinventaris is een lijst van alle roerende en onroerende goederen van een huishouden. Gedurende het tijdvak van de Republiek zijn er in de Hollandse steden minimaal 50,000 van deze inventarissen door notarissen opgemaakt voor mensen van alle rangen en standen.

Het was echter niet gebruikelijk om nagelvaste voorwerpen bij de inventaris te betrekken. Bederfelijke waren en huisdieren ontbreken gewoonlijk ook. Een ander bezwaar is dat de beschrijvingen van de voorwerpen niet al te uitgebreid zijn.

 

3 Het huis in de 17e en 18e eeuw

Wonen en werken

Door de nauwe verstrengeling van wonen en werken tijdens de Republiek werd ook bij de huizenbouw sterk rekening gehouden met de dubbele functie van een pand.

Kanten werden ontvangen in vertrekken die zich aan de straatkant van het huis bevonden. Kantoorgebouwen bestonden niet en de werkplaatsen van grote fabrieken vormden een onderdeel van de woning van de ondernemer. Daarnaast verrichtte vele werknemers, mannen en vrouwen, thuiswerk zoals spinnen, kantklossen, weven of het beschilderen van voorwerpen. Thuiswerkers hadden meestal veel licht nodig. Daarom construeerde men in de huizen een voorhuis met lichtinval. Verder ziet men dat gezinnen die personeel hadden, vooral in de 2e helft van de 18e eeuw in hun huis veranderingen aanbrachten om enige privacy te scheppen.

De grote ondernemers betrokken luxueuze woonhuizen in de deftige straten of de aanzienlijke grachten, voornamelijk uit status overwegingen of om dichter bij hun groepsgenoten te zijn. Ook overlast van de werkplaatsen was een reden om te verhuizen. In Amsterdam werd rond 1650 de grachtengordel aangelegd, in Delft kwam dit pas op gang na 1750. In de 18e eeuw nam ook het wonen buiten de stad toe. Zo kregen woningen uitsluitend een woonbestemming met een sterke nadruk op de representatie ten behoeve van het ontvangen van gasten.

Steeds meer werd de arbeid geconcentreerd in werkplaatsen of fabrieken en verdween de huisnijverheid in de steden. Door het verdwijnen van economische bezigheden uit de huizen van de elite en door het verminderen van de huisindustrie in de arme gezinnen kreeg het woonhuis bij deze twee groepen een totaal andere functie, met verstrekkende gevolgen voor het woon- en leefpatroon.

Ter bescherming van de privacy van het huisgezin en vanwege een kennelijk toenemende behoefte aan intimiteit binnen het gezinsleven trof men maatregelen om het personeel eigen zit- en slaapruimten te geven.

In de ambachtelijke sector, bij de detailhandel en dienstverlening bleef de nauwe verstrengeling van werken en wonen bestaan, een verschijnsel dat (nog) niet geheel is verdwenen.

Stadshuizen

In de oude stadscentra waren huizen uit verschillende perioden in dezelfde straat te vinden. De verschillen in huizenbouw tussen de Hollandse steden worden primair door twee factoren bepaald. Allereerst de bodemgesteldheid en de hoogte van het grondwaterpeil. Zo was het in Amsterdam onmogelijk om diepe kelders te maken vanwege de hoge stand van het grondwater, het geen resulteerde in de bouw van souterrains en trappen naar de voordeur. Delft en Haarlem zijn gebouwd op een zandplaat, zodat de kelder dieper kon en de trappen ontbreken. Door de slechte bodem in Amsterdam was men geneigd hoger huizen te bouwen omdat de kosten van het bouwrijp maken van een perceel zeer hoog waren.

De grootte van de percelen verschilde per stad. De percelen in Delft zijn aanzienlijk smaller dan in Amsterdam. Twee percelen en twee woonruimten werden vaak samengetrokken en van een nieuwe gevel voorzien. Verder bouwde men in Holland weer huisjes op het erf van een ander huis of plakte men een bouwsel aan een achterhuis. Zo ontstonden hofjes, slopjes en stegen waar nauwelijks meer daglicht binnenkwam. In de grote steden woonde vele gezinnen in een eenkamerwoning binnen een pand met andere huishoudens. Permanente bewoning trof men ook aan in tuinhuisjes, schuren of onder houten dakjes tegen stadsmuren. Het eenvoudigste huistype bestond uit een voorkamer en een achterkamer. In het zogenaamde voorhuis bevond zich het bedrijf en in de andere kamer woonde het gezin.

De volgende belangrijke verandering tijdens de 17e eeuw in het grondpatroon van het Hollandse huis is de constructie van gangen en trappenhuizen.

Bekende architecten werden voornamelijk voor het ontwerpen van openbare gebouwen ingehuurd en slechts sporadisch voor grote woonhuizen. De voorbeeldfunctie in de bouwkunst kwam tijdens de Republiek van opdrachten van de burgerij; kerkelijke gebouwen, die vroeger de toon zetten, waren niet meer baanbrekend in de architectuur.

Grote invloed van het classicisme. Maar tijdens de grote nieuwbouwfase in de 17e eeuw werden de huizen voor de middenstanders in een typisch Hollandse stijl opgetrokken, alleen de architectuur van de rijkeluiswoningen bleek in deze periode vatbaar te zijn voor (dure) buitenlandse invloeden.

Buitenhuizen en tuinen

Na afstand te hebben genomen van het agrarische bestaan, ging de stedeling de schoonheid van de natuur ontdekken en voelde hij de behoefte om tijdens de zomermaanden, wanneer de stadse lucht meer doordrongen is van stank en bederf, zijn heil te zoeken op het gezonde platteland.

Men had waardering voor een landschap waarin het menselijk ingrijpen zichtbaar was (Franse invloed), terwijl in onze tijd de natuur juist mooi wordt gevonden wanneer dit niet het geval is.

Dat de vlucht uit de stad ook economische redenen had, blijkt uit de eerste kleine buitenhuisjes die in de nieuw aangelegde polders in het begin van de 17e eeuw verschenen. Snel echter veranderden deze huisjes in het polderlandschap in echte stadshuizen met rechte saaie zijmuren, waar de zomer werd doorgebracht en de rijken een privé-domein hadden zonder aandacht te hoeven besteden aan representatie. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw ontpopten vele buitenhuizen zich tot ware lustoorden en paleizen, waar men veel gasten ontving en pronkte met verzamelingen en mooi aangelegde tuinen. In 1750 telde Amsterdam bijvoorbeeld 600 buitenhuiseigenaren.

Puissant rijke katholieken waren extra gebrand op het verwerven van een buitenhuis vanwege de heerlijkheidsrechten. Voor hen was het de enige mogelijkheid een bestuursfunctie te verwerven.

 

  1. Functies van de woonkamers

De functionele invulling die men kon geven aan woonkamers, is allereerst afhankelijk van de beschikbare ruimte en de omvang van het huishouden. Zeer veel stedelingen hadden, alleen of met een gezin, slechts de beschikking over één woonvertrek.

Uit de bronnen blijkt dat soms een kamer aan de straatzijde van de woning als een soort pronkkamer werd ingericht, waar het niet eens mogelijk was om te gaan zitten, en dat weer in de andere kamer gekookt, gegeten en geslapen werd. Hieruit blijkt dat ook de armen aandacht aan het façadegebied besteden.

Seizoenen bepaalden in veel huishoudens de combinaties van woonfuncties, waarbij de stookplaats een cruciale rol speelt. Dikwijls sliep men tijdens de wintermaanden in de kamer met de stookplaats en verhuisde men in de zomer naar andere vertrekken. Maar in de 17e en 18e eeuw trok men liever naar een hogere verdieping ten behoeve van de privacy en richtte men een slaapplaats in op zolder. Daarvoor dienden de zolders uitsluitend als opslagruimte. Door die interne verhuizingen met de seizoenen mee is het verklaarbaar dat er zich in zoveel kamers bedden of bedsteden bevonden.

In de 18e eeuw koos men er steeds vaker voor een scheiding aan te brengen tussen de slaapplaats van de ouders en die van de kinderen.

De woonfuncties van de verschillende kamers lagen in de 17e en 18e eeuw veel minder vast dan bij huidige woonpatronen.

Men woonde tijdens de 16e eeuw voornamelijk op de benedenverdieping en in de kelder-vertrekken. Alleen in huizen van de rijken zijn dan op de 1e verdieping sporadisch woonvertrekken te vinden.

In de 16e en in het begin van de 17e eeuw was het gebruikelijk dat in de rijke huishoudens gasten in hetzelfde vertrek werden ontvangen waarin het gezinshoofd sliep in een met fraaie stoffen bekleed ledikant of hemelbed. De combinatie van slapen en ontvangen in een kamer was geen typisch Nederlands gebruik, maar in dezelfde periode ook terug te vinden in Engeland en Frankrijk. Dit gebruik verdween in het begin van de 18e eeuw uit de rijke woningen. Het slaapvertrek verdween achter de coulissen omdat de behoefte aan privacy kennelijk groter werd.

De meer huislijke zitkamer van rijke 17e eeuwers bevond zich vaak in de kelderkamer. De benaming kelderkamer voor vertrekken op de begane grond en de woonkamers in de kelder verdwijnt in de loop van de 18e eeuw uit de boedelinventarissen van de elite.

Bij nieuwbouw of verbouwingen van veel deftige panden halverwege de 17e eeuw verschijnen er nieuwe grondpatronen van een kamerindeling waarbij aparte ontvangstruimten worden geschapen en de slaapvertrekken naar een hoger plan, naar een hogere verdieping opschuiven. De benedenverdieping werd zoveel mogelijk gereserveerd voor presentatie.

Het verschijnsel eetkamer ontwikkelde zich bij de adel in navolging van het Franse hof. In Holland bestond de benaming eetsael al in het begin van de 17e eeuw, maar er zijn wel enige vraagtekens bij de functie hiervan te zetten. Heel vaak ontbrak een eettafel.

Het bezit van een aparte eetkamer werd door de hogere middenstand overgenomen van de elite. Aan het eind van de 18e eeuw werd deze kamer ook steeds meer voor de dagelijkse maaltijd gebruikt in vele gezinnen uit de rijkste klasse en de hogere middenstand.

De introductie van de kachels of de aanwezigheid van meerdere schoorstenen zorgde eveneens bij de middelgroeperingen voor de verdere opmars van de salonachtige kamers. In een salon stalden de bewoners hun schatten uit, omdat in deze ruimte gasten werden ontvangen.

In het laatste kwart van de 18e eeuw werd de zitkamer evenals de eetkamer gemeengoed in de hoogste kringen en de gegoede middenstand.

Tot ongeveer 1770 kan de toplaag van de stedelijke bevolking in het algemeen beschouwd worden als de smaakmaker.

 

  1. Huisraad

Voorwerpen hebben twee soorten functies: de zuivere gebruiksfunctie en de status- of signaalfunctie welke een indicatie geeft over de sociale groep waartoe men behoort of wenst te behoren.

Het bestedingspatroon van jonge mensen in de Republiek was vrijwel gelijk aan dat van tegenwoordig, veel geld aan kleding.

Het totaalbeeld van de sociale status bestaat uit drie elementen: het uiterlijk van het huis, de inrichting van het huis en de kleding .

Bedden en beddegoed

Een matras vormde in bijna alle huishoudens het kostbaarste bezit. Als summum van armoede werd het gemis van een matras beschouwd.

In rijke huishoudens, waar de slaapkamer als ontvangstruimte werd gebruikt, stond in de 16e eeuw een coets. Het is niet bekend hoe dit bed er precies uitzag.

Paviljoenbedden of hemelbedden pronkten in de 17e eeuwse ontvangstkamers en konden een grote waarde vertegenwoordigen.

Kenmerkend voor de Hollandse, bestuurlijke elite waren de gescheiden slaapkamers van de heer en vrouw des huizes met elk een hemelbed.

Een van de weinige voorwerpen in arme boedels die een buitenlandse komaf verraden zijn de ledikanten.

Zitten

Hoge houten leuningen als bescherming tegen de tocht kenmerken de zitmeubelen uit de 16e eeuw.

Nadat het tochtprobleem, dat door de trek van de schoorsteen werd veroorzaakt, was opgelost, deden andere stoelen hun intrede. Spaanse stoelen waren zeer geliefd, rechte met leer beklede zitmeubelen, die hoger op hun poten stonden dan de vroegere banken en krukjes.

Aan het eind van de 18e eeuw daalden de poten van de zitkamer stoelen. Nu worden ze in boedels fauteuils genoemd à Franse invloed. Arme leiden zaten op rechte stoelen met biezen matten en hun woon- en eetkeuken.

Opbergen en bewaren

Kleding, linnengoed, boeken en andere voorwerpen borg men in de 16e eeuw op in kisten of zitbanken of op losse plaken aan de wanden. Kasten waren een kostbaar meubelstuk die meestal in het voorhuis stonden. Het aanzien werd niet alleen door de kast bepaald, maar ook door de inhoud van de kast.

Hollandse kasten waren een gelief artiekel in Frankrijk en Engeland in de 17e eeuw.

In bijna alle woningen stond tijdens de laatste 20 jaar van de Republiek een kabinet.

Warmte en licht

Open vuur bleef land de enige born van verwarming en verlichting. De prijs voor kaarsen was hoog dus bepaalde het daglicht in grote mate het levensritme.

Voor het stoken gebruikte men brandhout en turf, later, aan het einde van de 18e eeuw deed de kolenkachel zijn intrede.

Schilderijen en wanddecoraties

In de 16e eeuw veel devotieartiekelen, zelf na de reformatie.

Slechts zelden vermelden inventarissen wandtapijten.

Spiegels met een lijst met borduursels en of fluweel waren uitermate in trek bij vermogende 16e eeuwers in Holland en Frankrijk.

Bloeiperiode van de schilderkunst van ongeveer 1610 tot 1660. Volgens Van der Woude zijn er tussen 1580 en 1800 tussen de 8 en 10 miljoen schilderijen vervaardigd.

In rijke woningen was het in de eerste helft van de 18e eeuw heel gewoon wanneer er hondered of meer schilderijen hingen, maar ook de armste groep bezat in Delft al gemiddeld zeven schilderijen.

In de tweede helft van de 18e eeuw raakten schilderijen uit de mode, maar het was een langzaam proces.

Exotica

Het meest karakteristieke kenmerk van het Hollandse interieur sinds de 17e eeuw us de nadrukkelijke aanwezigheid van exotica of immitaties van oortserse producten.

De aanwezigheid van deze imitaties geeft vaak problemen bij het onderzoek van inventarisen.

Deze voorraad werd nog aangevuld met siergoederen van Franse, Duitse en Engelse makelij.

Vooral de kwaliteit van deze goederen bepaalde het onderscheid tussen de sociale groepen.

Drink- en eetgerei

In de 16e eeuw dronk men uit kannen. Aan dit gerei besteedde men veel aandacht omdat ieder gast iets te drinken kreeg aangeboden.

Belangrijke ontwikkelingen in de 17e eeuw op het gebied van de eetcultuur waren, in der eerste plaats, de opkomst van lepels, opdienschalen etc. waaruit de gestegen welvaart is af te lezen. Van deze zilveren schatten vinden wij de bekers en kroezen en een enkele lepel ook terug in de minder gegoede huishoudens. Tin was ondanks de hoge prijs als redelijk snel verspreid over de bevolking. Houten borden bleven echter het serviesgoed van brede lagen van de bevolking.

Door de verfijning van de tafelmanieren gebruikten steeds minder mensen een vork bij het eten en werd minder door de familie uit een pot gegeten. Langzaam daalden deze eetgewoonten af naar armere groeperingen.

 

6. Kleding

Tot Het begin van de 17e eeuw beïnvloedde de Spaanse, sobere en plechtstatige mode de kleding van de Hollandse steden.

De acceptatie van meer frivole kleding had bijna een kwart eeuw geduurd. De Franse mode deed haar intrede rond 1640-1650.

In de 16e en 17e eeuw droegen de armen dikwijls kleding van grauwe stof.

Onder de invloed van de hofmode tijdens Lodewijk XIV gingen de hogere standen over tot het dragen van pruiken.

Over het algemeen bleven de regenten sombere kleding dragen.

 

CONCLUSIE

Buitenlandse invloeden deden zich het sterkste gelden in de rijkste groeperingen.

Er had een acculturatieproces plaatsgevonden dat eerder duidde op een aanpassing van de Hollanders aan de Vlamingen dan andersom.


| Ritueel en Symboliek | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1997)