HOOFDSTUK 2

Het begrijpen van een speelfilm

Begrijpen -> in dit geval het construeren van een verhaal: tijd, ruimte en samenhang

Charles S. Peirce -> bestudering proces van kennisvorming in het algemeen (waarheid op waarheid, oneindig proces).

Drie redeneerstappen op weg naar de waarheid:

  1. redenering die leidt tot een vermoeden of hypothese: abductie
  2. redenering die leidt tot consequenties van deze hypothese: deductie
  3. redenering die uitkomst vorige redeneerstappen controleert: inductie

(1. toetsen aan kennis die we bezitten, 2. daar afleidingen van maken, toetsen afleidingen aan nieuwe waarnemingen)

Waarnemingen en ervaring staan dus aan het begin van elke nieuwe kennis.

2. HET NARRATIEPROCES

 

Geprojecteerde film + ervaring = geconstrueerd verhaal

Fabel = betekeniseffect dat kijker construeert tijdens het zien van een film (Russisch Formalisme)

Def. : de fabel is de constructie van de logisch en chronologisch geordende gebeurtenissen, veroorzaakt en/of ondergaan door personages in een bepaalde tijd en ruimte, zoals deze zich zouden kunnen hebben afgespeeld.

Narratie = het proces van het filmkijken gericht op het construeren van de fabel.

Storingselementen hierbij:

1. film kan narratie verstoren of blokkeren, bijv. onbetrouwbaarheid van de vertelinstantie

2. ervaring van de filmkijker

3. hoe gedetailleerd zou een fabel moeten zijn

Sujet = het gegeven gebeuren, de geordende reeks uitgekozen gebeurtenissen die de filmkijker de mogelijkheid bieden een fabel te construeren.

In principe (vanwege projectie-omstandigheid) is het sujet reproduceerbaar als de film klaar is en vertoond kan worden.

fabel

ô

film: <-> kijker

a. sujet a. niet-bewuste vormen v.afleiden

b. vormgeving b. bewuste vormen v.afleiden (redene ren)

 

2.1.2. vaardigheden filmkijker

 

a. abductief vermogen

verrassende gebeurtenis + onze "ervaring"

vb. Rear Window -> man met been in gips, dan vertoon foto van ongeluk tijdens race-wedstrijd. Auto-ongeluk?

b. deductief vermogen

Binnen de cognitieve psychologie wordt gesteld dat we alle verworven kennis structureren en opslaan in ons geheugen in de vorm van schemas.

vb. Rear Window -> indien autocoureur, dan bekers, kransen en fotos van racewedstrijden nodig.

vb. fabelschema -> 1. setting

2. plotpoint 1: conflictsituatie

3. verwikkelingen/confrontaties

4. plotpoint 2: richting climax

5. climax

6. afloop

 

c. inductief vermogen

Toetsing van de consequenties en trekken van conclusies

2.2 FABELCONSTRUCTIE

2.2.1

Van invloed op constructie van een algemeen kader zijn:

2.2.2

Tijd en realiteit komen in een film zelden overeen.

ad 1. opeenvolging van gebeurtenissen: logisch, chronologisch of juist niet?

a. twee gebeurtenissen vinden gelijktijdig plaats

Cross-cutting: gebeurtenissen die gelijktijdig plaatsvinden in de fabel, maar die in het sujet na elkaar worden vertoond, met aanwijzingen waaruit afgeleid kan worden dat ze gelijktijdig plaatsvinden.

Split-screen: twee opnamen naast elkaar in beeld

Off-screen sound: het beeld begeleid door buitenbeelds geluid

b. twee gebeurtenissen vinden na elkaar plaats in de fabel flash-back: de laatste gebeurtenis wordt eerst vertoond

flash-forward: gebeurtenis die op fabelniveau nog moet plaatsvinden wordt gepresenteerd.

ad 2. de frequentie

ad 3. de lengte van de gebeurtenis

verschil tussen fabellengte en sujetlengte

Fast-motion: sujetlengte korter dan fabellengte

Slow-motion: ,, langer ,,

Freeze-frame: de tijd van de werkelijkheid is stilgezet, terwijl de sujettijd voortduurt

Ellips: een film van 90 min. sujetlengte, neemt in werkelijkheid meer dan 90 min. in beslag

2.2.3. Ruimte als aspect van fabelconstructie

Filmische ruimte is 2-dimensionaal, kijker construeert zelf 3D, via:

1. de positie van de camera

2. mise-en-scène van het sujet

3. beweging

 

Establishing shot: overzichtsopname

Volume: aanwijzing over afstanden in de ruimte

Klankkleur: d.m.v. klankkeur ruimte construeren over hoe die eruit zou kunnen zien.

2.2.4. Logische verbanden

 

2.3. DRIE VORMEN VAN NARRATIE

a. ongehinderd - de kijker kan (een deel van) de fabel construeren, sujet en vormgeving ondersteunen de afleidingen.

1. wie doet wat?

2. waar en wanneer?

3. in welk tijdsbestek?

4. waarom?

b. verstoord - kijker kan een deel van de fabel niet construeren.

c. geblokkeerd - kijker tast geheel in het duister, niet te koppelen aan bestaande ervaring


| Menu | Kunst | Filmkunde | Vorige | Volgende |

Dit is geen offici�e site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Evelyn Ligtenberg (1999)