ETHIEK IN DE PRAKTIJK

Ethiek is niet alleen onderwerp van wijsgerige reflectie en theorievorming maar ook een belangrijk aspect van het dagelijks leven. Mensen kijken, handelen en oordelen vanuit ethische perspectieven. Ook factoren als sekse en cultuur zijn van invloed op de ontwikkeling van het ethisch perspectief. De invloed van de culturele en religieuze traditie is substantieel. Verschillen tussen culturen kunnen leiden tot wederzijds onbegrip.

Historische achtergrond van het universalisme-contextualisme-debat

Ethisch-politieke discussies zijn gebaseerd op de West-Europese filosofische reflectie. Deze traditie bracht individuele vrijheid, sociale rechtvaardigheid en mensenrechten voort, welke een universele pretentie hebben. Vanaf de Verlichting is het idee van gelijkheid een grondslag voor het universalisme. Het uitgangspunt in de middeleeuwen, dat God de mens geschapen heeft, werd in de Verlichting sterk aan invloed ingeboet. Naast gelijkheid bestond er echter ook de vrije wil, wat vooral tot uiting komt in de filosofie van Kant. In de praktische filosofie van Kant zijn niet het geloof, maar de autonome rede en de vrije wil uitgangspunt. Kant beschouwde alle mensen als principieel gelijk, dit maakte hem tot een van de eerste critici van het kolonialisme. De principes van vrijheid, rechtvaardigheid en mensenrechten politieke vorm gekregen in de democratische rechtsstaat. Kritiek op deze ideeën betreffen de pretentie van universaliteit. Met name een forum als de VN heeft ertoe geleid dat universalistische normen in feite historisch en cultureel gesitueerd zijn, en wel in de westerse traditie. De universalistische normen ondergraven zichzelf door hun universalistische pretentie.

Binnen samenlevingen zelf voltrokken zich ook veranderingen: burgerrechtengroeperingen, vrouwenbewegingen maar ook minderheidsgroeperingen eisen hun rechten op. De Westeuropese samenleving was niet monocultureel maar multicultureel. Veel niet-westerse landen wantrouwen de universaliteitsclaim, zij mogen het spel meespelen maar hebben de voorwaarden niet zelf gesteld. De universaliteitsclaim is zo een ideologisch machtsmiddel dat de westerse landen gebruiken om niet-westerse landen te dwingen zich aan te passen. In de filosofie staat dit debat bekend als het modernisme-postmodernisme debat.

Filosofische vooronderstellingen van het debat

Het universalisme komt in het werk van Kant en Rawls tot uitdrukking als de these dat mensen als morele wezens gelijk zijn. Deze gelijkheid is gefundeerd in de autonome rede: het vermogen tot zelfbepaling. In negatieve zin verwijst het naar de vrijheid ten opzichte van anderen. In positieve zin is de rede de bewust zijn van de morele wet. Kritiek hierop is dat de conceptie van de rede een hypothetische en zelfs irreële constructie is. De autonome rede is een dualistische structuur uit de westerse geschiedenis: het past zich aan aan de heersende context. De manier waarop wij redelijk zijn is afhankelijk van de persoonlijke geschiedenis en de collectieve ervaringen. Dit zaagt de poten onder de stoel van het universalisme vandaan: autonome rede kan enkel functioneren in een wereld waarin mensen gelijkwaardig denken en functioneren. Maar is het niet dat men door de onderkenning van de pluraliteit niet gaat streven naar een vermindering van deze pluraliteit? Belangrijke voorwaarden voor een debat hierover zijn machtsgelijkheid en gelijkwaardigheid. Het kan gaan om direct in het oog springende machtsverschillen, zoals economische macht of maatschappelijke status, maar ook verschillen in kennis, gezondheid en afkomst. Machtigen leggen hun visie op aan anderen. Minder machtigen moeten door middel van aanval en verdediging hun visie onder de aandacht brengen. Machtsverschillen zijn de belangrijkste belemmering voor de erkenning van pluraliteit. Niemand mag uitgesloten worden van het recht om publiekelijk gehoord te worden. Iedereen moet een gelijkwaardige partner zijn in het debat. De visie van eenieder, professor of asielzoeker, is gelijkwaardig. Rechtvaardigheid betekent nu dat mensen gelijkwaardig behandeld moeten worden omdat ze verschillend zijn. Het uitgangspunt van pluraliteit veronderstelt een relatieve, contextuele geldigheid.

Interviews

In het eerste interview wordt gesproken met de theoretisch pedagoog Gert Jan Vreeken en de filosoof Ineke Widdershoven-Geerding. Zij geven kritiek op Kohlbergs theorie van de ontwikkeling van morele oordelen:

Kohlberg stelde dat er drie niveaus waren van elk twee stadia: de preconventionele morele oordelen, met daarin stadium 1 oriëntatie op straf en gehoorzaamheid en stadium 2 individualisme, instrumentele doelen en uitwisseling. Hierin spelen de eigen behoeften een belangrijke rol. Het tweede niveau, de conventionele morele oordelen, kent stadium 3 wederzijdse interpersoonlijke verwachtingen, relaties en interpersoonlijke conformiteit en stadium 4, sociaal systeem en geweten (orde en wet). Hierin komen stereotiepe rollen en handhaving van de sociale orde als belangrijkste principes naar boven. Het laatste niveau, de postconventionele morele oordelen, kent stadium 5 sociaal contract of bruikbaarheid en individuele rechten en stadium 6: universele ethische principes met eerst door de maatschappij erkende rechten en vervolgens zelf gekozen ethische principes. De hogere stadia zijn beter in overeenstemming met het principe van rechtvaardigheid dan de lagere, de opeenvolging geeft de ontwikkelingsgang weer. Mensen hoeven niet deze ontwikkelingsgang te doorlopen: sommigen kunnen blijven steken in het tweede niveau. Vreeken geeft aan dat de stadia empirisch aantoonbaar zijn, en dat het niet bereiken van het hoogste stadium niet wil zeggen dat het niet bestaat: het moet als doel gehandhaafd blijven. Widdershoven-Geerding stelt dat mensen die in een lager stadium zitten als minderwaardig beschouwd kunnen worden en dat het concept ‘vooruitgang’ deze verwaarlozing legitimeert. Vreeken ziet de ontwikkeling als vooruitgang: men ontwikkelt nieuwe gevoelens. Widdershoven ziet het als een winst en verliessituatie: verlies van de oude vorm en inhoud.

Het tweede interview is gebaseerd op Carol Gilligans In a different voice: psychological theory and womens development (1982). Gilligan bekritiseert Kohlberg; hij laat slechts één morele stem horen, de mannelijke. Deze heeft volgens Gilligan de volgende kenmerken:

Hiertegenover plaatst zij het vrouwelijk perspectief:

Gilligan baseerde zich op empirisch onderzoek: terwijl mannen zich op universele principes beriepen, vielen vrouwen in drie groepen uiteen: eenderde reageerde mannelijk, eenderde reageerde vrouwelijk en eenderde was een mengvorm tussen beide vormen.

De eerste spreker is Corinne Becker, filosoof, de tweede is Veronica Vasterling, eveneens filosoof. Becker voert aan dat mensen altijd handelen vanuit relaties met anderen. Emotionele betrokkenheid is het fundament van morele motivatie en emotionele betrokkenheid zal een moreel oordeel niet uitsluiten. Vasterling stelt echter dat gevoelens te zeer betrokken zijn op het hier en nu en zien niet de consequenties op de lange termijn. Gevoelens kunnen ook een moreel verwerpelijk motief camoufleren. Beide sprekers constateren een rolverdeling in de maatschappij: het mannelijk moreel oordelen is gebaseerd op rationaliteit, het vrouwelijk moreel oordelen is gebaseerd op emotionele betrokkenheid en zorg. Becker bepleit een verdeling van de zorgtaken, Vasterling vindt dat deze rolpatronen doorbroken moeten worden omdat ze onrechtvaardig zijn. Vrouwen moeten meer kans krijgen een mannelijk perspectief in te nemen.

Het derde interview gaat over de ethiek in de pluriforme samenleving. Nederland heeft zich ontwikkeld tot een multiculturele samenleving. Hierdoor zijn een aantal problemen ontstaan: de toenemende migratiedruk, de hoge werkeloosheid onder allochtone groepen en het opkomend racisme. Inzet van het debat is de vraag in hoeverre minderheidsgroeperingen hun eigen identiteit en ethisch-politiek perspectief mogen handhaven. Hierin zijn twee gezichtspunten mogelijk: de contextualistische visie, waarin de normen anders worden toegepast in een andere culturele context; de universalistische visie: culturele diversiteit geeft aan dat er ethisch-politieke verschillen zijn, maar deze hebben niet dezelfde normatieve waarde. Sprekers zijn Frits Bolkestein, voormalig fractievoorzitter van de VVD en doctor Shadid, cultureel antropoloog. Bolkestein is van mening dat bepaalde westerse grondnormen een universele waarde hebben. Specifieke culturele praktijken kunnen in conflict komen met deze grondnormen en als moreel verwerpelijk worden gekwalificeerd. Shadid stelt daar tegenover dat cultuurverschillen relatief zijn, er is sprake van wederzijdse beïnvloeding. De normen hebben een universele waarde, omdat andere culturen er aan bijgedragen hebben. Bolkestein legt de nadruk op het gevaar van de gesegregeerde samenleving: alleen integratie van minderheden kan dit gevaar keren. Shadid stelt dat enkel kleine voorvallen tot enorme proporties worden opgeblazen. De werkelijke problemen worden hierdoor niet gesignaleerd. De oorzaak ligt in de Nederlandse samenleving, met name in de machtsongelijkheid tussen autochtonen en allochtonen.


| Index | Filosofie | Ethiek | vorige |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Wilmar Taal (2001)