Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Sociaal- economische gevolgen van industrialisering: Engeland en Duitsland

 

ECONOMISCHE GEVOLGEN VAN INDUSTRIALISERING

Economische groei werd ideologie. 2e helft 19e eeuw: afzet- en overproductie, crises; geen evenwicht in vraag en aanbod. Verstrengeling van nationale economieën door handel, internationaal bank- en krediet-wezen. Tegenstelling Eng-D eind 19e eeuw: D à protectionisme, Eng à vrijhandel.

Economische groei en levensstandaard

Club van Rome (Dennis Meadows), 1972: overbevolking, milieuvervuiling en uitputting grondstoffen = prijs die betaald wordt voor stijging van economische groeicijfers.

Eng econoom David Ricardo (begin 19e eeuw) voorspelde stagnatie, crisis. Grondlegger Klassieke School in economie. Stijging voedselprijzen omdat agrarische sector de bevolkingsgroei niet kan bijhouden à weerslag op industrie: hogere lonen nodig à winstdaling. Gebeurde niet. Daling voedselprijzen 2e h.19e e.

Groei bevolking: 1830-1890 Eng 16 à 33 miljoen, D 27 à 50 miljoen = verdubbeling.

BNP 1820-1979: vertienvoudigd. Afname groei in Eng na 1870. Dalend aandeel agrarische sector in BNP, zie tabel 19.2, blz.488.

Verbetering levensstandaard. Verandering consumptiepatroon.

F. Engels negatief over fabrieksarbeid in Eng à debat onder Britse historici: arbeidersklasse wel/niet beter geworden van industrialisering? Stijging inkomens tegenover hogere sociale kosten. Probleem: vergelijken van levensomstandigheden pre/vroeg-industrieel tijdvak. Sprake van sterk gedifferentieerd patroon: de ene groep profiteerde, de andere niet. Bv voor thuiswerkers: negatief.

Uitbreiding van de markt en economische crises

Adam Smith, Ricardo, Say: Klassieke School. Wet van Say: ieder aanbod schept zijn eigen vraag. Overproductie uitgesloten, opgenomen door markt. Leek eerst te kloppen. Uitbreiding markt door revolutie in transportwezen. Sneller en goedkoper verkeer à prijsdaling producten. Cruciale rol voor spoorwegen. Watertransport verbeterd door stoommachine en telegraaf. Effect op internationale handel: explosieve groei. Volume, richting en samenstelling veranderden. Multilateraal, ontstaan wereldeconomie. Samenstelling: ipv koloniale producten (specerijen, suiker, tabak, katoen) na 1850 agrarische producten, grondstoffen voor industrie (ertsen), industriële producten. Graanimport door W.Eur, ook vlees. 1870: daling graan- en vleesprijzen. Internationale arbeidsdeling verscherpte de economische ongelijkheid tussen industriële en niet-industriële landen.

Na 1870 handelspakket veranderd: van textiel en ijzer naar staal, elektrische- en chemische producten. Kapitaalexport: nr.1 Eng, 2 Fr, 3 D. Economische interdependentie kwetsbaar: crisis 1873, Grote Depressie tot 2e h. jaren 90 vd 19e e. Cyclisch karakter. Vergeleken met crise de type ancien: oorzaak misoogst, van korte, hevige duur, binnen een regio, sterfgevallen. Economische crisis langgerekt, cyclisch, toch stijging levensstandaard. Rijkeluiscrisis genoemd (Wolf): prijsdalingen, winstdalingen, consument profiteert.

Grote Depressie valt samen met Tweede Industriële Revolutie: ontwikkeling verbrandingsmotor ipv stoommachine, verbeterde procédés voor staal, chemische industrie, elektrotechniek. Grote Depressie: slechts vertraging economische groei. Crisis sloeg vooral hard toe in agrarische sector in W.Eur. door import Amerikaans graan.

Aanbod > vraag = structurele onevenwichtigheid vd economie. Wel massaproductie, geen massa-consumptie.

Kondratieff zag golfpatroon in verloop economische conjunctuur: lange golf (45-60 jaar), 2 fasen: stijging-daling. Tussen 1780-1920 3 lange golven. 1e: opgaande fase 1790-1810/17; neergaande fase 1810/17-1844/51. 2e: o.f. 1844/51-1870/75, n.f. 1870/75-1890/96. 3e: o.f. 1890/96-1914/20. 2e golf, n.f. = Grote Depressie. Verklaring lange golf: innovatietheorie van Schumpeler. Stuwmechanismes achter golven zijn explosies van innovatief vermogen en ondernemingslust. Crises zijn proces van creatieve vernietiging, verouderde producten en technieken moeten plaats maken voor nieuwe. Niet verklaard waarom dit zich clustergewijs en cyclisch zou voltrekken. Lijkt wel gebeurd te zijn in de 2e Industriële Revolutie.

Tweede hypothese: lange golf toegeschreven aan fluctuaties in productie van kapitaalgoederen met zeer lange levensduur (verkeer, industrie). Teruglopende investeringen in langlevende kapitaalgoederen veroorzaken recessie.

Sneller herstel van D (jaren 80), streefde Eng voorbij, vnl door industriële diversiteit (bv chemie). Eng: vanaf 1870 bergafwaarts. Azië werd grootste afzetmarkt (katoen). Stoom en ijzer verdrongen door chemie en elektrotechniek. Geen vernieuwingsdrang. Kapitaalexport, dus weinig over voor moderniseringen. Vrijhandelsgedachte bleef bestaan. Maar in D en de VS praktijk van protectionisme. Crisis en verlies van Eng’s voorsprong verweven met modern imperialisme tussen 1870-1914.

Engeland: vrijhandel en imperialisme

1800: Malthus pessimistisch over beperking tot handel en nijverheid, veroorzaakt crises door glut: overproductie van industriële goederen, overschot aan kapitaal. Klassieke economen Smith, Ricardo, Hume verdedigden vrijhandel en internationale arbeidsverdeling. Eng workshop of the world, andere landen grondstofleveranciers. Kritiek uit VS (Carey) en D (List): vrijhandelsgedachte is verkapt imperialisme. Nieuwe industrialiseerders beschermen (protectionisme). Vrijhandel praktijk na afschaffing Cornlaw (1815-1846) = geen invoer buitenlands graan. Cobden-Chevalierverdrag, 1860: tussen Eng en Fr geen invoerrechten op wederzijdse producten. Tegenstanders vrijhandel: JS Mill en Wakefield. Antwoord op glut en crises: empire building = expansie, nieuwe markten en investeringsmogelijkheden, export werk-krachten. Wakefield stelde kolonisatieprogramma op om revolutiegevaar te bezweren: hogere lonen mogelijk, paupers exporteren naar koloniën. JS Mill: kapitaalexport. Mill en Wakefield Colonial Reformers. Zelfbestuur voor koloniën. Formeel imperialisme pas na 1870 (1880-1914), voor die tijd al informeel imperialisme. Kenmerken formeel imp: dynamisering en schaalvergroting, verdediging door legers. Debat over verklaring imperialisme: economisch tegenover politiek-diplomatiek.

Economisch: neo-marxisten. Imperialisme = gevolg van industrieel kapitalisme, gedwongen te expanderen onder dreiging van chronische crises à afzet, aanvoer grondstoffen, investeringsmogelijkheden.

Politiek-diplomatiek: koloniën zijn machtsattributen. Schumpeter: aristocratie probeerde dmv kolonialisatie eer hoog te houden. Tussenpositie: Wehler. Duits imperialisme hing samen met interne sociaal-politieke constellatie in D.

Relatie economische ontwikkelingen en imperialisme: intentie en resultaat onderscheiden. Kosten waren vaak hoger dan baten. Maar het economisch argument heeft zwaar gewogen. Imperialisme niet alleen terugvoeren op economische oorzaken, ook Europees superioriteitsgevoel (sociaal darwinisme) en strijd om hegemonie (Gollwitzer). Politiek en economie verstrengeld.

D streefde Eng voorbij. Door depressie overschakeling op protectionisme à theorieën van List.

Duitsland: protectionisme en imperialisme

Aanvankelijk vrijhandel in agrarische sector. Depressie à protectionisme. Alleen geen invoerrechten op import grondstoffen. Roep om koloniën voor uitbreiding markt. Toch vóór 1871 niet alleen economisch motief, maar ook emigratiemotief. Antwoord op sociale consequenties van industrialisering. Aversie van Bismarck tegen kolonialisatie, maar ‘bekeerde’ zich agv economisch argument. Voorkeur voor minimale overheidsbemoeienis, lukte niet. Sociaal-politiek argument ging ook meespelen. Eng overvleugeld. Chamberlain, minister van koloniën: Tariff Reform Campaign = instelling van imperial preference, Britse Rijk één tariefruimte met lager tarief dan voor andere landen. Verworpen uit angst voor hogere voedselprijzen.

Afsluitend: imperialisme agv industrialisering in Eng en D kent 3 hoofdzaken:

 

SOCIALE GEVOLGEN VAN INDUSTRIALISERING

Drie clusters van sociale gevolgen:

Vraagstelling: hoe verliep de overgang in Eng en D van een standen- naar een klassensamenleving?

Van standen naar klassen

Klassen: onderscheid naar bezit en arbeid. Standen: status en levensstijl. Ideaaltypisch: pre-industriële standen: adel en geestelijkheid; stedelijke burgers en ambachtslieden; boeren. Rigide en statisch; bepaald door geboorte. Industriële klassen: politiek-juridische gelijkheid. Klassen: ondernemers; middengroepen; arbeiders. Dynamisch. Meritocratisch. Geografisch en sociaal mobiel. Klassen niet homogeen. Geen hiërarchie: egalitarisme.

Urbanisering in Eng: al vroeg. In D trager, na 1870 zeer snel. In Eng meer economische en sociale differentiatie. D bleef langer ruraal-agrarisch. Transformatie in Eng: tussen 1810-1850, in D tussen 1870-1910. Bleef in D meer rigide, meer hiërarchie en standsbewustzijn.

Engeland

Higher (upper) class, middle class(es), lower (working) class. Indeling van Colquhoun (1806): aristocracy, middle ranks, lower orders. Aristocracy: koning, hoge + lage adel, anglicaanse kerk, landbezittende gentlemen, 1,4% (15,7% vh nationaal inkomen). Middle ranks: agriculture, industry + commerce, professions, boeren, handelaars en ondernemers, winkeliers, ambachtslieden, ambtenaren, lagere geestelijkheid, leger + vloot, onderwijzers, 31,6% (59,4% vh nationaal inkomen). Lower orders: artisans, labourers, paupers, cottagers, vagrants, tweederde vd bevolking, 24,9% vh nationaal inkomen. Vermenging stands- en klassekenmerken, bv kapitaalkrachtige bovenlaag vd burgerlijke handelaars ingedeeld bij middle ranks. In middenlaag geen loonarbeiders.

Adel: niet strikt gesloten. Politiek-bestuurlijk dominant (1e h.19e e). ‘Civiel’ karakter.

Middle classes: gevolg vd economische ontwikkeling. Vervlechting met adel à vorming upper class (establishment). Adel verburgerlijkte, hogere burgerij veraristocratiseerde. Toenemend belang van kennis en scholing. Verandering in middle classes: interne differentiatie: upper middle class, tussenlaag en lower middle class (bv winkeliers). White collar workers: verburgerlijking: men is wel loonafhankelijk, maar beschouwt zichzelf niet als arbeider.

Working class: ontstaan tussen 1780-1830. Doorbraak tussen 1815-1820. Heterogene groep: artisans, labourers, paupers, kleine boeren, landarbeiders. Religieuze verschillen. Heterogeniteit door: langzaam doordringen van grootschalige fabrieksmatige productie; structurele veranderingen in industrie en daarmee in samenstelling vd arbeidersklasse en door verschillen in stijging vh loonniveau voor uiteenlopende groepen. Door veranderingen in industrie en arbeidsverdeling ook verandering in samenstelling working class. Verburgerlijking door verbeteringen in werkomstandigheden. Maar toch leefde 40% vd working class onder de armoedegrens. Geen scherpe scheidslijnen. Samenwerking midden- en arbeidersklasse naar politiek toe. Viable class society: levensvatbare industriële klassenmaatschappij.

Duitsland

1800: overwegend agrarische samenleving en economie. Standenmaatschappij. Men was burger van een stad door geboorte of door toelating onder strenge voorwaarden. Juridische grondslag voor klassen-maatschappij (Pruisen): Bauernbefreiung (1807) en Gewerbefreiheit (afschaffing gildenprivileges, 1810). Maar economische ontwikkeling traag, weinig sociale verandering. Standenmaatschappij bleef tot 1918 bestaan.

Adel: streefde naar handhaving eigen identiteit (itt Eng adel). Geen gentry (titelloze adellijke zoons): alle zoons erfden titel. Geen homogene sociale laag: verschil in rang, naar regio, staat en niveau van welstand. Economisch niet vooruitstrevend. Antikapitalisme. Monarchistisch. Martiale instelling. Remde ontwikkeling naar parlementaire democratie en klassenmaatschappij af.

Geen Duitse equivalent voor middle class. Mittelstand: stand tussen adel en boeren. Betekenisverruiming van het begrip Bürger (heeft geen Engelse equivalent): Grossbürger en Kleinbürger. Grossbürger: Bildungsbürger, Wirtschaftsbürger, Besitzbürger. Bildungsbürger: 5% vd bevolking,, wortels in de 18e eeuw. Hoger opgeleid: artsen, advocaten, professoren, leraren, rechters, hogere ambtenaren. Gemeen-schappelijke band door universitaire scholing (à cohesie in deze groep). Geen politieke macht, maar invloed via bureaucratie. Wirtschaftsbürger: groep ontstond tussen 1830-1870. Ondernemers, grote kooplieden, fabrikanten, bankiers; analoog aan Engelse upper middle class. Liberaal ingesteld. Weinig invloed. Niet academisch geschoold. Gericht op vrij ondernemen, kapitalistisch, itt Bildungsbürger, deze groep academisch, antikapitalistisch, wel liberaal. Beide groepen afkering van dynastiek absolutisme en dominantie van de adel.

Kleinbürger: ambachtsmeesters, kleine kooplieden en handelaren, winkeliers (dus kleine zelfstandigen). In 1850 9%. Geen economische liberalisering in deze groep. Dalend prestige en conservatisme van ambachts-meesters. Antikapitalistisch, antimodern. Opstelling overgenomen door Angestellten (of neue Mittelstand): lager technisch en administratief personeel bij bedrijfsleven en overheid (Eng: white collar lower middle class). Sterk standsbesef. Conservatief, anti-liberaal, nationalistisch.

Dus grote verdeeldheid onder Duitse burgerij, scherp afgegrensd à zwakke nationale burgerlijk-liberale emancipatiebeweging. Geen steun vanuit kleine burgerij aan hogere burgerij in strijd tegen staat en adel. Geen coalitie tussen midden- en arbeidersklasse; juist afgrenzing vd arbeidersklasse uit angst voor groeitempo en omvang (laat maar snel). Arbeidersbevolking niet homogeen. Ambachtelijk element nog sterk, maar nam na 1875 sterk af à meer loonafhankelijken (‘proletarisering’).

Twee visies in interpretatie van het onstaan en de 1e ontwikkeling vd Duitse arbeidersklasse:

Beide visies sluiten elkaar niet uit. Spelen een rol bij beantwoording vd vraag in hoeverre de angst-gevoelens onder de middenlagen terecht waren. Binnen 1 generatie vond een ingrijpende omslag plaats van een agrarisch-ambachtelijke naar industriële maatschappij, gepaard gaan met een snel en sterk in imvang groeiende arbeidersbevolking, georganiseerd in vakbonden en politieke partij (sociaal-democraten). Maar deze groep bleef heterogeen en verdeeld. Sociaal-democratische partij niet echt revolutionair. Dus enerzijds waren de angstgevoelens weinig realistisch, anderzijds begrijpelijk. Duitse burgerij zocht na 1870 aansluiting bij de autoritaire staat en de oude heersende groepen. Gevolg: politiek isolement vd arbeidersklasse; raakte weinig geïntegreerd in de nieuwe maatschappelijke orde à spanningen, uitblijven parlementaire democratie en van levensvatbare klassenverhoudingen.

Conclusie

In Eng snellere en minder problematische overgang naar klassenmaatschappij.

Verschillen Eng-D adel (die aanvankelijk de politiek domineerden): in Eng samenwerking tussen adel en burgerlijke middle class; bereid politieke en economische macht af te staan en burgerlijk-liberale waarden over te nemen. Duitse adel uit op behoud van prerogatieven, bestreed burgerlijke emancipatiebeweging, antiburgerlijk en antiliberaal. Afstand bleef groot (ondanks de coalitie graan-ijzer). Eng: dynamisch, D niet.

Positie middenklasse: in Eng vroeg, omvangrijk, economisch en politiek sterk; D laat, kleiner, zwakker; intern verdeeld, geen liberalisme. Engelse burgerij beïnvloedde zowel de adel als de arbeidersklasse; culturele uitstraling van Duitse burgerij zwak, adel bleef aristocratisch en arbeiders behielden eigen cultuur. De grotere culturele invloed van de burgerij in Eng vergeleken met die in D droeg wezenlijk bij aan de grotere maatschappelijke consensus.

Verschillen in ontstaan en ontwikkeling vd arbeidersklasse: in D: uit overwegingen van stand en belang was de burgerij onwillig een coalitie aan te gaan met de arbeidersklasse à burgerlijk conservatisme. In Eng arbeiders meer geïntegreerd in burgerlijk politiek-maatschappelijk bestel.

Fundamenteel verschil in staats- en natievorming: D pas in 1866-1871 een staat. Alle sociale lagen na 1830 sterk beïnvloed door de ‘nationale kwestie’. Niet in Eng, droeg bij aan grotere maatschappelijke consensus. Na 1870 in D: nationalisme en imperialisme ideologie die sociale spanningen zou kunnen intomen en eenheid bewerkstelligen. Dus Duits nationalistisch imperialisme beschouwen als een van ‘bovenaf’ geïnitieerde strategie om interne tegenstellingen te bezweren door het mobiliseren van nationalistische sentimenten.


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)