Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

Japan: Sociaal- economische voorwaarden

 

Sociale aspecten: het ontstaan van industrieel ondernemerschap

Waarom werden in de Meiji-periode de ex-samurai en de grootgrondbezitters ondernemers? Waarom vervulden de kooplieden die rol in mindere mate?

Een conservatieve koopmansstand (1600-1868)

Kooplieden: laag aanzien. Economische macht niet omgezet in politieke zeggenschap. Financiële afhankelijkheid van de daimyo, deze konden een schuld nietig verklaren of bezit confisqueren. De huisregels van koopliedenfamilies riepen op tot ingetogenheid: niet sociaal opvallen, geen luxe uitstralen. Ook economisch conservatisme. Dus nauwe verstrengeling met de feodale status quo: zij waren economisch en financieel gebaat bij de feodale orde; de noodzaak zich in acht te nemen leidde tot conservatief economisch gedrag. Na de openstelling moesten veel traditionele kooplieden het onderspit delven.

Grootgrondbezitters: ontwikkelden dynamisch ondernemerschap. Plattelandsnijverheid à manufacturen, huisindustrie. Boeren bij productie betrokken als handwerker of als ondernemer. Dus 1e helft 19e eeuw proto-industrialisering. Samurai als ondernemers: kennis ontleend aan westerse boeken en contacten met buitenlanders. Verworven kennis geschikt gemaakt voor Japanse verhoudingen. Samurai gebruikten hun boekenkennis om handwerkslieden te helpen de technologische sprong van traditionele nijverheid naar moderne industrie te maken. Zij vormden de verbindingsschakel tussen westerse kennis en Japanse handwerkslieden.

Vormen van industrieel ondernemerschap (1868-1914)

Helft van de industriëlen afkomstig uit groep van ex-samurai; kwart uit die van de grootgrondbezitters, kwart uit koopliedenstand. Ex-samurai vnl in bankwezen, verzekeringsmaatschappijen enz. Niet-samurai meer actief in marktgerichte bedrijven; bv grootgrondbezitters in textiel. Zware industrie: de zaibatsu (kapitaalkrachtige familie, in bezit van bedrijven in uiteenlopende sectoren vd economie, bv Mitsubishi). Meestal nieuwe bedrijven. De meeste traditionele familiebedrijven overleefden de overgang naar het Meiji-tijdperk nl niet. In de Tokugawa-tijd bestonden er feodale verhoudingen binnen een bedrijf: werd geleid door banto (soort manager). Tussen eigenaar en banto bestond een verhouding, analoog aan die tussen daimyo en samurai. Deze arbeidsverhoudingen werden niet meer geaccepteerd. Kenmerk van de zaibatsu en verklaring van hun succes: beschikten over een eigen bank. Grote kapitaalkracht à investering mogelijk in zware industrie. Door het gebrek aan kapitaalkrachtigen en aan ondernemingsgeest ontstond bij de grote bedrijven een diversificatie. Dus de enkelingen die wel kapitaal hadden waren zowel in staat als genoodzaakt zich in steeds meer industriële activiteiten te begeven. Maw: de zaibatsu-vorming was niet het resultaat van een kapitaaloverschot, maar van het gebrek aan kapitaal in Japan. Zaibatsu geen voortzetting van de koopliedenstand uit de Tokugawa-tijd, maar mogelijk gemaakt door de teloorgang van een belangrijk deel van die stand van koopkrachtigen na de openstelling van Japan. Meiji-regering sterk afhankelijk van de zaibatsu, gesteund door regering. Symbiose vergelijkbaar met daimyo-kooplieden in Tokugawa-tijd. Maar rol zaibatsu niet overdrijven: pas na 1890 begon de diversificatie, pas na WO I braken hoogtijdagen aan; speelden geen rol bij de eerste fase van take-off (textiel) en een beperkte rol in de ontwikkeling van ijzer- en staalindustrie. Oude zaibatsu in mijnbouw; nieuwe zaibatsu in elektrotechniek.

Voor 1890: ondernemersrol toebedeeld aan individuele ondernemers; nadien werden managers steeds belangrijker. Fusies in textielindustrie leidden tot schaalvergroting. Directeuren meer op zoek naar politieke en financiële steun, fabriek geleid door manager. Ook de ontwikkeling van nv’s na 1890 bevorderde de opkomst van managers. Koppelbazen uitgeschakeld.

De economische voorwaarden

Opmerkelijk dat J zo snel overeenkomstig de wensen van de politieke leiders getransformeerd kon worden. Zoeken in economie naar verklaringen hiervoor. Welke potenties tot industrialisering bezat de Japanse economie reeds vóór 1868, resp. 1885?

Snelle groei (1600-1720)

17e eeuw: periode van snelle economische en demografische groei.

Bergachtig land, 15% geschikt voor bewoning of landbouw. Weinig veeteelt. Landbouw grotendeels rijstteelt. 9e-15e eeuw: land gewonnen uit moerassen in de valleien. Irrigatiesystemen mbv terrasbouw. 16e eeuw: belangrijke agrarische ontwikkelingen; terrasbouw bereikte hoogtepunt; ontginningen bevorderd. Berghellingen in gebruik genomen als landbouwgrond. Aanleg kanalen (irrigatie). Areaal verdrievoudigde. 1550-1650: technische verbeteringen: verschillende zaadsoorten, schoffel, ijzeren ploegen en hakken; dubbele oogsten; nieuwe technieken. Opbrengst steeg. Toch minder productietoename dan verwacht doordat de laatst ontgonnen grond niet zo vruchtbaar was. Afname van het gebruik van dierlijke kracht in de landbouw in de 17e eeuw à mensen moesten harder werken. Maar productietoename in de 17e eeuw was voldoende om de bevolkingsgroei bij te houden.

Ongelijkmatige groei (1720-1868)

1e helft 18e eeuw: bevolkingsgroei nam af. Wel grote regionale verschillen. Vooral in de noordoostelijke streken van Honshu daalde het bevolkingscijfer met 20%. Oorzaak: klimaatverandering: daling temperatuur, afname aantal zonuren. Rijstsoorten niet koudebestendig à hongersnoden. Ook bevolkings-afname rond Edo. Sterk geürbaniseerd in 17e eeuw. Pre-industriële streken hebben hoger sterftecijfer dan geboortencijfer. In steden kon men in slechte tijden niet terugvallen op het platteland. Epidemieën, branden, aardbevingen. Kindertal beperkt. 19e eeuw: lichte bevolkingsgroei.

Agrarische productie bleef stijgen à stijging levensstandaard. Groei nijverheid op platteland.

Lange tijd ging men ervan uit dat in de Tokugawa-tijd op de agrarische bevolking een toenemende belastingdruk werd uitgeoefend. Door hogere opbrengsten viel de belastingdruk echter wel mee. Niet-agrarische activiteiten minder belast. Nominale belasting steeg wel, de reële daalde. Meer investeringen in verbeteringen mogelijk: betere bemesting, betere zaadselectie. Hogere levensstandaard tot uiting in betere behuizing en het kunnen lezen en schrijven. Scholing niet tegengegaan door aristocratie (vgl Rusland, daar wel). Jaren 50 19e eeuw: handel met buitenland. Ondanks ongunstig 5%-tarief overschot op handelsbalans door export van zijde.

Op leven en dood (1868-1885)

1869-1885: tekorten op handelsbalans. Gepoogd dit op te vangen door industrialisering. Weerstanden in de samenleving voorkwamen dat het land overspoeld werd met westerse producten.

Vanwege het handelstekort moest J een grote jaarlijkse uitstroom van baar geld toestaan. Oorzaken handelstekort: Japanse producten van mindere kwaliteit dan de buitenlandse. Binnenlandse nijverheid leed onder buitenlandse concurrentie. Handel met buitenland bijna geheel in handen van buitenlanders. Export moest dus gestimuleerd worden; een ander antwoord was importsubstitutie. Kan niet gelijktijdig. Japan had weinig grondstoffen voor industrialisering, dus moest veel importeren en met het oog op de handelsbalans ook veel exporteren. Door het 5%-tarief bestond de optie van tariefmuren niet, dus men moest met internationale concurrentie om leren gaan. Exportpakket (1874-1880): 52,9% (half)fabrikaten, 47,1% landbouwproducten. Met name export van zijde. Japan ligt in de nabijheid van landen die nog nauwelijks ontwikkeld waren, dus hierheen export mogelijk. Ook thee belangrijk exportproduct. De door de overheid in de jaren 70 op gang gebrachte exportbevordering was succesvol.

Import: vooral Engels textiel. In 1878 richtte de overheid enkele katoenspinnerijen op en kocht 10 westerse spinmachines, die verkocht werden aan particulieren. Deze initiatieven mislukten. 1882: oprichting Osaka-spinnerij door kooplui en ex-daimyo, zaken heel anders aangepakt: 5x zoveel spoelen, tweeploegen-systeem; katoen niet in J zelf gekocht, maar in China. Succesvol bedrijf, nagevolgd door andere particulieren. Dit was het begin van de Japanse industrialisering. De importsubstitutie werd daardoor een feit. Het aandeel van textiel in de Japanse import liep terug en de export ervan nam toe. Ook import van kapitaalgoederen nam af. Ondanks alles bleef de handelsbalans negatief door grondstoffenimport.

Gunstig voor Japanse industrialisering: (op termijn) het 5%-tarief; de Japanse consument bleef tamelijk traditioneel in zijn voorkeuren; westerse goederen niet populair. Ook wist men weerstand te bieden aan buitenlandse bedrijfs- en handelsvestigingen. Een wet van 1873 verbood buitenlands bezit van grond en mijnen en het gebrek van grondstoffen in J voorkwam dat westerlingen pogingen deden deze wetten te bestrijden. Westerse handelsfirma’s wisten niet verder binnen te dringen dan de verdragshavens. Buiten deze havens gold de exterritorialiteit niet, dus goederen niet op plaats van bestemming verkocht door buitenlanders. Japanse handelaren namen niet in het groot af. Dus firma’s hadden de keus tussen aanhouden van grote voorraden of aanhouden van normale voorraden met het risico dat de handelaren bij gestegen vraag binnenlandse producten als substituut zouden kopen. Dit is een reden waarom uiteindelijk import-substitutie mogelijk was (bv katoen). Het binnenlandse product bleef nl latent concurreren en op een gegeven moment kon deze latente concurrentie omslaan in importsubstitutie. Westerse firma’s leden verlies en gaven hun vestiging op.

De zwakte van J in de internationale wereld, die bleek uit de ongelijke verdragen en het gebruik van de zilveren standaard (in het westen werd de gouden standaard gebruikt), maakte dus op paradoxale wijze de industriële krachtsontplooiing van J mede mogelijk.

1868-1880: overheid had nog steeds financieringstekort. Geld nodig voor onderdrukking opstanden, schulden van de ex-daimyo en het shogunaat te delgen en de stipendia van de voormalige daimyo en samurai te betalen. Overheid moest leningen aangaan (vooral binnenlands) en geld drukken. Verwachte inflatie bleef uit omdat er een sterke vraag naar geld was, omdat grote delen vd bevolking op grote schaal geld ging gebruiken. Omloopsnelheid van geld nog gering. 1873: invoering nieuwe landbelasting: nationaal, individueel (niet meer per dorp), geïnd in geld. Belangrijke bron van inkomsten. Stipendia ex-daimyo en ex-samurai vervangen door schuldbewijzen van de staat (obligaties), hierdoor daling uitgaven. Betekende verslechtering positie voor de samurai, één vd oorzaken vd Satsuma-opstand. 1876: recht aan nationale banken gegeven om geld te scheppen à uitbreiding hoeveeldheid geld. Nu wel inflatie: verdubbeling rijstprijs. Overheidsinkomsten liepen terug. Invoeren nieuwe belastingen, bv verbruiks-belasting op tabak en sake.

1881: nieuwe minister van financiën: Matsukata Masayoshi. Verminderde geldhoeveelheid, voerde bezuinigingen door. Staatsschuld afgelost. Beëndiging staatsbeheer van strategisch niet belangrijke bedrijven.

Andere zwakke plekken in de economie: kapitaalschaarste en kennisachterstand.

Kapitaalvorming ten behoeven vd industrialisering: geen buitenlands kapitaal uit angst voor afhankelijkheid en inperking nationale soevereiniteit. Geen buitenlandse investeringen, geen leningen. De overheid poogde particulieren te laten investeren in industriële projecten, lukte maar ten dele. Oorzaak van beperkt kapitaal: het land had ruim 2 eeuwen geen buitenlandse handel gedreven. Particulieren investeerden alleen in industrieën die weinig kapitaal vereisten, bv papierfabrieken. Men kon meer verdienen met uitlenen van geld ivm de hoge rentestand (10-20%). Dus de overheid investeerde zelf tussen 1868 en 1881. Veel geld besteed aan staatsbedrijven, aanmoediging particuliere industrie, infrastructuur. Na 1880 verkocht de overheid de staatsbedrijven tegen spotprijzen. Begin particuliere fase van industria-lisering na 1885.

Bankwezen: 1872 Nationale Bankwet. Systeem van (4) federale reservebanken naar Amerikaans voorbeeld. Bevoegd tot uitgeven van bankbiljetten. In 1876 gewijzigd: eis van reserve aan baar geld voor uitgifte bankbiljetten afgeschaft. Toestemming bankbiljetten uit te geven tot 80% vd tegenwaarde van obligaties in bezit vd bank. Hierdoor konden obligatiehouders investeren in nationale banken à explosieve groei bankwezen. Bankkapitaal steeg sterk. Gelduitgifte steeg, inflatie ook. Deflatie 1881-1884: veel banken gingen ten onder. 1885: systeem gewijzigd, nog maar 1 nationale bank. Andere nationale banken werden normale banken. Nuttige gevolgen van dit alles: de voormalige aristocratie was ertoe gebracht haar geld te investeren. De inflatie vergrootte het kapitaal van de grootgrondbezitters, dat later ook voor industriële doeleinden zou worden gebruikt. Er werden ook veel particuliere banken opgericht.

Ook de kennisachterstand werd bestreden door de regering. Missies en studenten naar buitenland, aantrekken buitenlandse specialisten. Houding tov buitenland veranderde. Studie in het buitenland moest in de eerste plaats de natie ten goede komen, pas in de tweede plaats de student. Op den duur werd men onafhankelijk van buitenlandse deskundigen doordat de meerderheid van de studenten terugkeerden uit het buitenland. Dus geen brain-drain. Kennisovername door J tussen 1868 en 1885 het grootste bewust geleide leen- en leerproces. Westerse kennis werd gejapaniseerd, Japan verwesterde niet. Ook in het Japanse onderwijs zelf ging men zich meer op het buitenland oriënteren. Schoolsysteem naar Amerikaans voorbeeld, later gereorganiseerd volgens het Duitse model. 1872 invoering algemene leerplicht.

Conclusie: blz.421

Stimulansen en hindernissen (1885-1914)

Na 1885 snelle economische groei, vooral dankzij de secundaire en tertiaire sector. Vier factoren bepalend: de hoeveelheid kapitaal, het arbeidsaanbod in de industrie, de ontwikkeling van buitenlandse en binnenlandse vraag en de ontwikkeling van de landbouw.

Rol van particulier kapitaal werd belangrijker. Aantal fabrieken groeide, het daarin belegde kapitaal nam toe, katoenspinnerijen voorop; deze waren grootschaliger dan de overige bedrijven. Overheidsinvesteringen bleven wel hoger dan de particuliere (66% in 1884; in 1901 nog 54%). Dit is anders als men de militaire uitgaven buiten beschouwing laat. De particuliere investeringen blijken dan 3x (jaren 1890) tot 2x (daarna) zo groot te zijn als die vd overheid. Groot aandeel vd overheid in de bouw (spoorwegen, wegen, havens, fabrieken en regeringsgebouwen). Grotere deelname van particulieren in investeringen te zien in de ontwikkeling vh bankwezen. Inleg steeg. Er bleef echter kapitaalschaarste. Leningen werden door banken weer bij elkaar beleend. De regering legde renteloos bedragen in bij de Bank van Japan; andere banken konden dan weer renteloos lenen bij de Bank van Japan. Wankel financieel bestel, kon slechts bestaan zolang de economie groeide. Na 1897 staakte de overheid de hulp aan de bankwereld. Grootgrondbezitters: vermogen bleef stijgen. Opbrengst van in natura geïnde pacht steeg. Grondprijzen verviervoudigden, terwijl prijzen van consumptiegoederen ‘slechts’ verdubbelden. Zij gingen optreden als kapitaalverschaffers van banken. De desondanks voortdurende kapitaalschaarste zorgde voor hoge rentepercentages. Tot midden jaren 90 had J weinig buitenlandse schulden. Veranderde als gevolg vd expansie. In 1897 en in 1902 twee buitenlandse leningen ten behoeve van de kolonie Formosa en bewapingsprogramma met het oog op de verwachte oorlog met Rusland. Kosten oorlog gefinancierd met buitenlands geld. De staatsleningen golden dus niet de industrialisering. Wel indirect (bewapening) kwam het de zware industrie ten goede. Militaire uitgaven schaadden de kapitaalvorming. Halvering militaire uitgaven na de Russisch-Japanse oorlog à investeringsspurt in economie. Investeringen in J vanuit buitenland bleven gering.

Arbeiders voor industrie vooral gerekruteerd (door koppelbazen) op platteland, mn dochters uit boeren-gezinnen. Helft vd arbeiders was vrouw (textielindustrie); mannen in zware industrie. Vrouwen gehuisvest in slaapzalen bij de fabrieken. Vaak moesten ze langer werken dan de 12 uren die bij het 2-ploegen-systeem gebruikelijk waren. Kregen loon vaak niet in handen, werd opgespaard door werkgever (uit angst dat de werknemer onaangekondigd zou vertrekken).

Na 1885 hogere uitgaven aan onderwijs. Inhoud onderwijs: weinig aandacht voor exacte vakken. Pas in de jaren 90 begon de ontwikkeling van het middelbaar technisch onderwijs. De industrie had dan ook grote moeite met vinden van technisch geschoold personeel.

Vraag naar industriële producten: groei consumptieve vraag door toename beroepsbevolking met 1/3 tussen 1880 en 1914 en door stijging vd reële lonen en inkomsten. Lonen laag, maar mensen gingen langer en harder werken. Voedsel bleef belangrijkste uitgavenpost (2/3). Kleding en huisvesting namen iets in belang toe. Stijging van transport en communicatie. Dus bestedingspatroon liet weinig verandering zien, toch toename consumptieve vraag, mn in kledingindustrie en bouw. Toename buitenlandse vraag in textiel-industrie. Geldt niet voor zware industrie, deze volledig aangewezen op binnenlandse markt (overheid).

Landbouw: moet voldoende produceren om surplussen te leveren ten behoeve van industrialisering. Twee theorieën: prerequisite growth-theorie: de landbouw had zich voorafgaand aan de industrialisering goed ontwikkeld, waardoor de geringe productietoename in de landbouw tijdens de industrialisering geen rem op de ontwikkeling van de industrie betekende. Anderzijds zijn er economen die de concurrent growth-theorie aanhangen: in Japan was er (in tegenstelling tot de ontwikkeling in W.Eur) geen grote agrarische ontwikkeling voorafgaand aan de industrialisering, doch tijdens de industrialisering was de agrarische ontwikkeling spectaculair en hield gelijke tred met de ontwikkeling in de industriële sector. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden. Indrukwekkende groei in de 17e eeuw, nadien grosso modo sprake van geleidelijke toename, na 1885 weliswaar enige toename, maar geen imponerende. Geen grootschalige mechanisatie in landbouw in Meiji-periode, groeicijfers namen af. Tot 1895 was J voedselexporteur, daarna balans tussen import en export; na 1915 definitief voedselimporteur. Tijdens WO I meer export van industriële producten. Tegenover de beperkte voedselproductie stelde de landbouw evenwel de productie van zijde en thee, 2 belangrijke exportproducten. Enerzijds was de agrarische sector in staat in de behoefte aan arbeidskrachten in de industrie te voorzien, anderzijds werd voorkomen dat de uitstoot uit de landbouw te snel geschiedde. Er bleven meer mensen in de landbouw werkzaam dan noodzakelijk, reden waarom de arbeidsproductiviteit slechts weinig steeg. Vanuit het oogpunt van werkgelegenheid was het gunstig dat in de landbouw geen grootschalige mechanisatie optrad. Veel mensen op het platteland vonden neveninkomsten in de nijverheid.

Samenvattend: blz. 428.


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)