Hoe was het mogelijk dat Japan na 1868 zo snel een centrale eenheidsstaat werd, waarin contacten met de buitenwereld niet langer werden gemeden, maar in zekere zin juist werden bevorderd? In hoeverre droegen deze ontwikkelingen bij tot de industrialisering van Japan?
De grondslagen van het vroeg-moderne Japan (1600-1720)
Tot de Meiji-restauratie bestond er geen nationale belasting. Landbelasting in de vorm van rijst. Gebieden van de shogun meest vruchtbaar en van strategisch belang (Kyoto, Nagasaki). Daimyo verdeeld naar graad van politieke betrouwbaarheid: ten eerste de huis- of familiedaimyo, verwant aan de Tokugawa-dynastie; gebieden in de centrale provincies, klein. Ten tweede de fudai-daimyo, die aanhankelijkheid aan de shogun hadden betoond. Ten derde de tozama-daimyo, hadden zich neergelegd bij de macht van Tokugawa; gebieden perifeer tov Edo, in het zuidwesten. Tozama-han het grootst, niet betrokken bij centraal bestuur; macht vd shogun over hen gering; vijandigheid tav de shogun bleef bestaan. Daimyo leefden beurtelings in eigen kasteelstad en in Edo (sankin kotai, wisselbezoek); maakte controle mogelijk en bevorderde eenheid van bestuur.
De Tokugawa-maatschappij was een standensamenleving. Geen sociale mobiliteit. Standenstatus erfelijk. Geen geografische mobiliteit. Boeren niet vrij om te verbouwen wat zij wilden. Kooplieden het laagst in aanzien. Daaronder nog paria’s: eta, slachters en leerbewerkers; hinin, ‘non’-mensen, bv acrobaten, acteurs, beulen, gevangenisbewaarders. Samurai waren vazallen van de daimyo, woonden in kasteelsteden (scheiding boeren en samurai). Alleen samurai mochten zwaarden dragen à geweld gemonopoliseerd door geprivilegieerde krijgerstand à ontvlechting staat en maatschappij. Bestuursvorm op lokaal niveau: het dorp (mura), als geheel belastingplichtig; tamelijk autonoom tov de daimyo. Bestuurlijke en rechterlijke functies uitgeoefend door dorpsoudsten. Binnen het dorp corporatisme. Verdeling in hoofd- en zijtak-families. Zijtakfamilies hadden minder grond; kregen in ruil voor diensten aan hoofdfamilies grond, mest, water, hout etc. Cliënteel-verhouding.
Steden: corporatisme minder ontwikkeld dan in W-Eur. Er waren wel gilden, hadden geen monopolies.
De afsluiting van J voor de buitenwereld en de binnenlandse acceptatie van het Tokugawa-shogunaat betekende een periode van politieke stabiliteit. Voor de samurai betekende de tijd van de Grote Vrede dat zij zich van een militaire elite ontwikkelden tot civiele bureaucraten; namen het feitelijke bestuur in handen.
Scheuren in het bastion (1720-1868)
Sociale verschuivingen: in de dorpen was er een afname van de wederzijdse dienstverlening tussen hoofd- en zijtakfamilies. Grondbezit van hoofdfamilies sterk teruggelopen door uitgifte van grond aan zijtak-families à minder behoefte aan dienstverlening door zijtakfamilies. Hoofdfamilies betaalden altijd de belasting voor zijtakfamilies, in ruil daarvoor trad de zijtakfamilie in pachtverhouding tot de hoofdfamilie à aantal grootgrondbezitters en pachters groeide. Contractuele verhoudingen vervingen de familiale banden. Steeds meer dorpen gingen samenwerken à kleine boeren haalden grotere opbrengst; anderen kozen ander middel van bestaan. Sociale status meer bepaald door rijkdom en bekwaamheid ipv afstamming. Corporatistisch elementen verdwenen nog niet geheel, maar meer meritocratie en individuele autonomie. Trek naar de steden.
Economische verschuivingen: in verhouding tussen kooplui en adel. Daimyo hadden vaak grote schulden bij kooplui en financiers (wisselbezoek putte hen financieel uit). Verzwakking positie shogun en daimyo tov koopliedenstand. Ging niet gepaard met grotere politieke zeggenschap.
Boeren en samurai de dupe van bovenstaande ontwikkelingen. Boeren (bang voor degradatie tot pachter of loonarbeider) werden steeds opstandiger. Verslechtering positie samurai (grote groep, 6% vd bevolking): leen ontnomen in ruil voor salariëring. Daimyo voerden kortingen op de salarissen uit agv hun geldgebrek. Dus inkomensverlies vd samurai; er was ook te weinig werk voor hen. Tegenover gedaalde inkomsten stond een gestegen standsideologie: samurai waren veranderd van ruwe soldaten in geciviliseerde ambtenaren. Op zoek naar hernieuwd prestige à steeds meritocratischer, vooral de lage samurai. Zij konden een politieke vlucht naar voren wagen omdat zij weinig te verliezen hadden.
Niet alleen interne stabiliteit nam af, ook meer buitenlandse dreiging. 1854: verdrag met VS; havens open-gesteld. Haat jegens buitelanders à moordpartijen à genoegdoeningen aan westerse mogendheden. Shogun moest steeds capituleren voor buitenland à prestige nam af ten gunste vd keizer. Daimyo en samurai wilden ook meer medezeggenschap. Shogun trachtte hervormingen door te voeren, mislukten. Economische hervormingen, uitgevoerd door daimyo: monopolies in bv zout en papier. Satsuma: suiker-monopolie. Arbeidsspecialisatie à proto-industrialisering. Ontstaan manufacturen, waar arme samurai konden werken. Deze moderniseringen vooral in zuidwestelijke han (Satsuma, Choshu, Hizen, Tosa), van oudsher daar oppositie tegen Tokugawa. Satsuma: ‘Pruisen van Japan’; ontwikkelde zich krachtig op economisch en militair terrein; elite sterk voorstander van feodale autonomie. Lage samurai van Satsuma en Choshu zouden de gecentraliseerde eenheidsstaat realiseren. Contacten met westen, bv wapenaanschaf. Choshu en Satsuma in alliantie tegen shogunaat. Militaire overwinningen à einde shogunaat in 1868.
Een bewind manifesteert zich (1868-1885)
Japan moest zich sterk maken tov het buitenland (‘ontwikkel industrie en bevorder het bedrijfsleven’ en ‘een rijk land, sterke strijdkrachten’). 1869: afschaffing feodalisme. 1871: han vervangen door prefecturen. Einde aristocratisch tijdperk. Ommekeer ging vrij gemakkelijk. Samurai: niet gebonden aan grond, terug-lopende inkomsten, hoop op meritocratische samenleving. Daimyo: Satsuma- en Choshu-clans ruilden hun han in voor regeringsfuncties; andere daimyo voor voldongen feit gesteld, moesten han opgeven. In ruil daarvoor kwijtschelding van schulden. De 302 han werden omgezet in 72 prefecturen (in 1890 terug gebracht naar 45) met gouverneurs aan het hoofd. Wel veel samurai-opstanden: slechte financiële positie, ontevreden over buitenlandbeleid, mochten geen zwaarden meer dragen.
Met de Meiji-restauratie werd het bestuur gecentraliseerd. Hoofdstad Edo werd Tokyo. Nationale integratie door post-, telegraaf- en telefoonlijnen. Onafhankelijke buitenlandse politiek. 1868: afschaffing gilden. 1870: iedereen gelijk voor de wet. 1872: algemene leerplicht. 1873: dienstplicht, nationaal belastingstelsel. De veranderingen kwamen vooral van boven. De Meiji-restauratie was een aristocratische revolutie, ofwel een revolutie van bovenaf. Industrialisering om boeren en samurai tevreden te stellen, interne rust te scheppen. Samurai kregen leiding over fabrieken en werden arbeiders. Beleid kende vier elementen:
Laatste het moeilijkst: gebrek aan kennis, ondernemersgeest, aan geschoolde en gedisciplineerde arbeiders en vooral aan kapitaal. Dus voortrekkersrol van overheid. Zette allerlei bedrijven en fabrieken op. Werden later overgedragen aan particulieren. Stevige basis voor industrialisering gelegd door wetgeving op gebied van belasting, bankwezen en onderwijs. 1869: eerste telegraafverbinding. Post en telegraaf in handen van overheid. 1872: eerste spoorwegverbinding. De jaren 1868-1800/1885 kan men betitelen als een overgangs-fase waarin de centrale overheid voorzag in de economische en institutionele voorwaarden voor industrialisering. Volgens Supple:
Conclusie: de Tokugawa-erfenis èn de Meiji-periode schiepen beide de voorwaarden voor industrialisering. Maar de economische ontwikkeling was geen doel op zich, steeds onderworpen aan de buitelandse politiek.
Een gemengde oogst (1885-1914)
Stabilisatie Meiji-bewind rond 1880. Militaire en diplomatieke successen: 1894-95 gewonnen oorlog tegen China, verwierf Formosa. Verdragen tussen 1894-1899: beëindiging extraterritorialiteit, 1911 volledige tariefautonomie. 1902: Engels-Japans bondgenootschap. Overwinning op Rusland in 1904-05. Annexatie van Korea in 1910. Wel conflict tussen natie en individu. Daarom repressief karakter van het Meiji-bewind. Grondwet in 1889. Veel macht bij de keizer gelegd: oppercommando leger, benoemde ministers. Parlement had slecht 1 belangrijk recht, kon de begroting afstemmen. Pers en politiek leven aan banden gelegd. Moeizaam begin van partij-ontwikkeling. Liberalisme zwak, sterkste aanhang op platteland. Zeer zwakke socialistische beweging.
Functie keizer vooral ceremonieel. Werkelijke politieke macht bij bureaucratie. Groot overheidsapparaat. Bureaucratisch autoritair bewind, regering en bureaucratie nauwelijks te scheiden. 1877: stichting universiteit, opleidingsinstituut voor ambtenaren. Bureaucratie meritocratisch. Ook na 1900 bleef de verstrengeling tussen bureaucratie en politiek groot. Vaak informele besluitvorming.
De prestatienatie
Vrees voor te grote buitenlandse invloed. Val van het shogunaat mede veroorzaakt door de overtuiging van de samurai dat de shogun onvoldoende in staat was gebleken het land te verdedigen tegen het westen. Dus vooral politieke drijfveren voor industrialisering: behoud van nationale soevereiniteit. Het 5%-tarief dwong tot opzetten eigen markten. Tweede reden voor prestatiedrift: het Japanse nationale bewustzijn. Japan unieke natie, superieur aan de rest vd wereld. Dit moest bewezen worden. Imperialisme: J poogde positie op het vasteland van China te krijgen, tegengehouden door Rusland, Frankrijk en Duitsland. Rusland poogde Korea te bezetten. Wie Korea zou beheersen, zou Japan bedreigen à oorlog, gewonnen door Japan. Binnenlandse markt slecht ontwikkeld, buitenlandse markten nodig. Vooral aangewezen op Oost- en Zuid-Oost-Azië. Ging moeizaam door westers imperialisme en kolonialisme. Ondernemers en handelaren slecht uitgerust voor buitenlandse handel door langdurige afsluiting. Door inspanning van overheid veranderde dit. Moderne marketing. Aandacht voor marktbeheersing (Japanse variant van kapitalisme). Veel meer dan op winstmaximalisatie gericht op marktbeheersing, vereist andere benadering. Marktbeheersing vergt lange-termijnoptiek en een politiek element. Winstmaximalisatie vergt korte-termijnbenadering. Marktbeheersing heeft het karakter van een strategische beslissing, winstmaximalisatie meer dat van een tactische zet.
Japan was niet alleen een laatkomer, maar ook de eerste niet-westerse industrialiserende natie. In het streven naar de status van grote mogendheid moest het zich steeds bewijzen. Niet voor vol aangezien door westers racisme en sociaal darwinisme.
Samenvattend: op het niveau van de natie was de extreme prestatiegerichtheid van de Japanse maatschappij na 1868 enerzijds het gevolg van de bedreiging en de vooroordelen uit het westen, anderzijds van het geloof van de elite in de eigen superioriteit en de wil daarvan het bewijs te leveren.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)