Eind ME: Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie steeds verder uiteengevallen. Twee invalshoeken: het Heilige Roomse Rijk in zijn geheel en de verschillende Duitse staten (Länder) afzonderlijk. Niet alle Länder van belang. Brandenburg/Pruisen wel apart beschouwd.
Cesuren: de Franse Revolutie en de veroveringen van Napoleon; de revolutie van 1848 en de daarop volgende take-off van de industrialisering. Periodisering:
De verbrokkeling van het Duitse Rijk en de opkomst van het sterke Pruisen. De periode tot 1800
Het Heilige Roomse Rijk en de Länder
Geen eenheidsstaat, niet gecentraliseerd. Meer dan 330 grote en kleine, soevereine staten en vrije steden à belemmering van de handel. Geen krachtig bestuur. Autonome stadjes met middeleeuws-ambachtelijke status (Heimatstädte). Boeren onderworpen aan de adel. Wel persoonlijke vrijheid, maar veel verplichtingen. Ten oosten van de Elbe nog feodaliteit. Hiërarchie: aan de top de vorst, maar in feite de eerste onder zijns gelijken. Inkomsten uit grondbezit en heffing van markt- en tolgelden. Meer geld à standenvergadering bijeenroepen. Macht gedeeld tussen vorst en adel en stadsbesturen. Dus Duitse rijk lappendeken van kleine en grote standenstaten. Gering contact tussen rurale en stedelijke elites. Weinig behoefte aan grote, open markt met geldeconomie. Adel maar in beperkte mate in overheidsdienst. Wel moderniseringen in onderwijs.
Gebrek aan eenheid gaf D grote achterstand op Eng en Fr, waar wel een eind kwam aan regionaal particularisme. In D het tegenovergestelde: Kleinstaaterei.
De sterke staat in Pruisen
Pruisen uitzondering. Stedelijke autonomie aan banden gelegd. Geen einde aan standenstaat, macht adel ongemoeid gelaten: kreeg hogere rechtspraak in handen, kreeg bestuursfuncties. Begin 17e eeuw: oprichting Koninkrijke Raad: administratie, innen belastingen. Speciale afdeling voor defensiezaken: Generalkriegskommissariat, gevolg van 30-jarige oorlog. Won in de 18e eeuw aan betekenis, werd de kern van het bestuursapparaat. Verkreeg geweldmonopolie. Efficiënte bureaucratie. Monopolisering van belastingheffing. Vanaf 1680 macht standenvergadering gebroken. Maar regionaal hield de aristocratie haar bestuurlijke en rechterlijke taken. Groeiende macht van de staat kwam ook tot uitdrukking in de economische politiek: kameralisme (variant van mercantilisme): tariefpoltiek van hoge in- en lage uitvoerrechten; positieve handelsbalans; actieve bevolkings-, landbouw- en nijverheidspolitiek. Aandacht voor bevordering werkgelegenheid, efficiënte belastingheffing. Voorwaarden voor industrialisering volgens Supple:
Eind 17e eeuw: Pruisen krachtige staat: geweld- en belastingmonopolie, direct en indirect ingrijpen in economisch leven. Maar ook flexibel?
De flexibele staat in Pruisen
Het Pruisisch absolutisme leek op het Eng en Fr. Adel behield belangrijke posities in lokaal bestuur en rechtspraak. Lagere adel (Junker)en hooggeschoolde burgers (Bildungsbürger) kregen toegang tot bureaucratie. Gelet werd op opleiding en deskundigheid. Men kwam onder invloed van de Verlichting: minder bemoeienis van de overheid met de economie gewenst, afschaffing privileges van adel; men streefde een Bürgerliche Gesellschaft na. Maar hier (itt Eng en Fr) geen aristocratisch-burgerlijke coalitie. In bureaucratie burger ondergeschikt aan de adel, die loyaal was het centraal gezag. Absolutisme gefundeerd op laag-adellijke Junker-klasse, steden en hogere burgerij uitgeschakeld. Verklaring van de geringe invloed van de burgerij: de vorsten behoefden hun absolutisme niet te bevechten op de hoge adel; steun van de hogere burgerij was niet noodzakelijk. Geen elkaar rivaliserende clans van hoogadellijken. Geen ambtenverkoop of belastingverpachting. Geen stijgingsmogelijkheden in bureaucratie voor burgerij. De lagere adel speelde een grote rol in het militaire apparaat.
Pruisen dus weinig flexibel.
Een speurtocht naar kracht en flexibiliteit. De periode 1800-1850
De Duitse Bond en de Länder: aarzelende krachtsvorming
Hervormingen in de Franse tijd: veel Duitse staten kwamen rond 1800 direct onder Frans bestuur. 1806: opheffing Heilige Roomse Rijk. Feodale banden verbroken; politieke en maatschappelijke invloed kerken beknot; opheffing gilden. Steun van burgerij. Maar op den duur verzet à kiemen voor Duits nationalisme. Befreiungskriege (1813-1815) à nederlaag Franse keizer à Weens Gongres (1815): oprichting Duitse Bond: statenbond olv Oostenrijk met gezantencongres, de Bondsdag. 39 politieke eenheden (35 vorstendommen en 4 vrije steden). Lappendeken Rijnland werd westelijk territorium van Pruisen, dus West- en Oost-Pruisen gescheiden gebieden. Uniforme handelsbetrekkingen kwamen niet op gang à Pruisen schafte op eigen gebied de interne tollen af. Douane-unie in de Zollverein in het gebied tussen West- en Oost-Pruisen. Andere staten deden niet mee. In 1834 wel, dus kwam er een einde aan de versplintering van de vele kleine markten. Uitbreiding staatsapparaat in alle staten. Scholen, overheidsbanken, aanleg spoorwegen. Maar het verdwijnen van de standenstaat was halfslachtig. Muv Pruisen werd nergens een krachtig gecentraliseerd bestuur gerealiseerd. Achterstand op Fr en Eng bleef groot.
De Duitse Bond en de Länder: voorzichtige flexibilisering
Burgerij vormde geen eenheid. De Heimatstädte (kleine, knusse stadjes) speelden zowel in politiek als in mentaal-cultureel opzicht een vertragende rol in het Duitse moderniseringsproces; niet geïnteresseerd in staatsaangelegenheden of in een open-markteconomie. De burgerlijke ondernemersklasse werd economisch steeds belangrijker, maar had politiek weinig invloed. Kleine burgerij had lokale invloed. Bildungsbürger hadden rol in bureaucratie. In de Zuid-Duitse staten (Beieren, Würtemberg en Baden) ontstond burgelijke participatie aan het bestuur, vergelijkbaar met Fr en Eng. Hier kwamen regeringen die gebonden waren aan een constitutie, gecontroleerd door een parlement. Functie: invoeren nieuwe belastingen. Adel oververtegenwoordigd in deze parlementen. Na 1820 werd de kans op het verwerven van politieke invloed voor de ondernemersklasse nog kleiner door de repressie van Metternich, Oostenrijks 1e minister en de machtigste man in de Duitse Bond.
Nieuw initiatief van de burgerlijke ondernemersklasse: oprichting (samen met de Bildungsbürger) van verenigingen. Mensen van allerlei rangen en standen. Uiting van liberalisering en individualisering van de samenleving. Adel mocht ook lid worden, mits ze zich aan de burgerlijke levensstijl aanpasten. Sommige verenigingen kregen steeds duidelijker politieke doelstellingen.
Revolutie van 1848: aantal conservatieve regeringen viel, nationaal parlement bijeen. Bildungsbürger voerden de boventoon. Wensen: verenigd Duits koninkrijk, nationaal parlement met medezeggenschap, liberale grondwet, grondrechten voor burgers, vrije verkiezingen. Men wilde de Pruisische koning tot keizer van een nationale Duitse monarchie maken. Deze weigerde. Voor D werd de mislukking van 1848 een ramp. De losse federatie van staten in de Duitse Bond werd niet vervangen door een krachtige eenheidsstaat; de afwijzing van de constitutionele monarchie door de Pruisische koning betekende de mislukking van de flexibilisering naar West-Europees model.
De flexibele en sterke staat in Pruisen: Vom Stein en het Engelse voorbeeld
Nederlaag Pruisen tegen Frankrijk in 1806. Financiële problemen, hogere belastinginkomsten noodzakelijk, hiervoor hervormingen nodig. Twee partijen: Vom Stein (Eng voorbeeld) en Von Hardenberg (Fr voorbeeld).
Vom Stein:wantrouwen tegen almachtige staat, wilde decentralisatie, vrije boeren. Samenleving laten leiden door elite van edellieden en burgers met ieder zijn vrijheden. Conservatief: afkeer van Fr vrijheidsideaal en van extreem economisch liberalisme. Achtte de staat sterk genoeg, wilde slechts flexibilisering. Programma: bevrijding van de boeren uit horigheid (Erbuntertanigkeit), in 1807 uitvaardiging Oktoberedikt. Voortaan grond vrij te koop. Burgerij geëmancipeerd door hen toe te laten tot rang van officier in het leger en door de standenvergaderingen, waarin de rol van de burgers groter werd, meer invloed op het provinciaal bestuur toe te kennen. Städteordnung: afschaffing van de gilden, instelling representatief gemeentebestuur. Omvorming absolutistische monarchie in een beperkte door afschaffing van het kabinetsysteem; hiervoor in de plaats een ministerraad van 5 vakministers die het recht van initiatief en contraseign bezaten, waardoor zij medeverantwoordelijk werden. Tegenstanders: de conservatieve Junker, die hun machtspositie over boeren en burgers aangetast zagen.
Von Hardenberg en het Franse voorbeeld
Vom Stein in 1808 ontslagen en verbannen, Von Hardenberg zijn opvolger. Standpunt: laissez faire, laissez passer. Voor een sterk centraal gezag (etatisme), krachtige bureaucratie, economisch liberalisme en een egalitaire vrijheidsopvatting. Gedeeltelijke terugdraaiing van de boerenbevrijding uit 1807. De boeren moesten nu hun voormalige meesters voor hun vrijheid een afkoopsom betalen. Gevolg: versterking economische positie van de Junker. Er ontstond ook een groep niet-adellijke grote en middelgrote boeren, die permanent voor de markt gingen produceren. De landhervormingen leidden tot en stijging van de productiviteit en tot een tweedeling onder de boeren tussen enerzijds een groep kleine zelfvoorzienende peasants en een landloos plattelandsproletariaat en anderzijds de rijkere, grootschalig producerende farmers. De toegenomen agrarische productie stimuleerde de aanleg van spoorwegen (massavervoer). Reorganiseerde het leger, voerde de algemene dienstplicht in. Von Hardenberg zocht het niet zozeer in flexibilisering, maar in versterking van de staat naar Frans model.
Einde van de Reformära; einde van de flexibilisering
Halfslachtige vernieuwingen op het gebied van:
De moderniseringen maakten Pruisen niet flexibeler. Geen politieke invloed voor de burgers.
Balans. Pruisen en de Duitse Bond (1800-1850)
De politieke maatregelen die handel en industrie moesten stimuleren bevatten tevens componenten die dit proces afremden en de adellijke en kleinburgerlijke ondernemers bevoordeelden boven industriële ondernemers. Na 1820 vertraagde de conservatieve reactie deze ontwikkeling nog meer. Daar staat tegenover dat Pruisen rond 1850 was uitgegroeid tot een sterke staat met een sterke bureaucratie. De flexibilisering ontbrak in Pruisen echter en daardoor kon de industriële ondernemersklasse geen invloed op het bestuur uitoefenen. Via het ambtenarenapparaat en het snel groeiende verenigingsleven openden zich in de jaren 1840 mogelijkheden tot flexibilisering. Flexibiliteit kan kennelijk ook ontkiemen in grond waar staatkundige eenheid en constitutionalisme nog slechts in geringe mate aanwezig zijn. Dus aan de ene kant veel politieke halfslachtigheden en aan de andere kant staatkundige kracht in Pruisen en flexibiliseringsmogelijkheden in het Duitse verenigingsleven.
Sterk en flexible. De periode 1850-1880
De politiek-institutionele bijdrage aan de Duitse take-off
Flexibiliteit uitte zich niet in politieke mondigheid van de burgerij, maar in de ruimte die de ondernemers-klasse kreeg voor sociale mobiliteit en de aandacht die de overheid besteedde aan het realiseren van haar economische wensen. Dus zonder de liberaal-democratische gestalte van Eng en Fr.
Fr ging na 1848 met Napoleon III een meer dictatoriale weg op. Bonapartistische dictatuur tweeledig: ontnam de economisch actieve burgerij grotendeels haar politiek-parlementaire invloed en stelde daarmee traditionele elites (adel en hoge ambtenaren) tevreden. Honoreerde de sociaal-economische verlangens van de ondernemersklasse. Niet zozeer krachtig ingrijpen op economisch en maatschappelijk gebied, maar steun aan het particulier initiatief. Duitse vorm van Bonapartisme: Bismarck (1815-1898). Verschil met Fr: D hield sterkere affiniteit met de standensamenleving en het absolutisme, terwijl Fr, toen in 1871 het Bonapartisme in de oorlog met Pruisen ten onder ging, op een meer burgerlijk-constitutionele traditie kon terugvallen.
Pruisen en Duitsland onder autocratisch bestuur
Reacties van D regeringen na de mislukte revolutie van 1848:
Het beeld van een in politiek opzicht passieve burgerij veranderde door de politieke groei die de liberalen in de jaren 50 doormaakten. Zij verwierven in de jaren 60 zelfs een meerderheid in het Pruisische Huis van Afgevaardigden ondanks het voor hen zeer nadelige drieklassenkiesrecht. Verfassungskonflikt: weigering van de liberale meerderheid in het HvA een legerwet goed te keuren, waarin de dienstplicht van 2 naar 3 jaar verlengd werd (1861-1862). Bismarck verklaarde de wet toch voor aangenomen. Stootte Oostenrijk uit de Duitse Bond (1866). Oorlog met Fr, hierna het tweede Duitse Keizerrijk (1871). Constitutionele structuur: federatief, veel autonomie voor de Länder, maar toch autocratisch: Pruisisch absolutisme, geworteld in leger, aristocratie en bureaucratie. Bismarck Bonapartitisch dictator. De sterke staat ruimde op grote schaal traditionele hindernissen voor economische modernisering op. Definitieve opheffing van de verplichting om lid te zijn van een gilde als voorwaarde voor het oprichten van een bedrijf (1869). Staat trok zich terug uit de mijnbouw. Sanctionneerde recht op vrij verkeer en vrije vestiging. Inzet voor economische unificatie van D. Eenheid van maten, munten en gewichten. Aanleg spoorwegen door de staat. Nauwelijks grote vernieuwingen in onderwijs. Indirecte steun: versoepeling nv-recht, maar niet voor banken en verzekeringswezen. Oprichting investeringsbanken. Vrijhandelsverdragen met Fr, België, Eng en It. Wel meer steun voor agrarische- en commerciële ondernemers dan voor industriële ondernemers (die meer protectie nodig hadden tegen Eng dominantie).
Bonapartistische flexibiliteit
Bonapartisme: behartigt enerzijds de materiële belangen van de gegoede burgerij, maar gunt haar geen aandeel in de macht. Anderzijds is de dictatuur gedwongen de materiële belangen van de burgers te accepteren. Dus dictatoriaal en flexibel. Halve dictatuur, semiconstitutioneel: parlement met verschillende politieke partijen in een constitutie vastgelegd; echter adel, leger en bureaucratie sterk, bepaalden de politieke koers. Positie van de vorst sterk. Uitschakeling van burgerlijke oppositie en sociale mobiliteit à gevaar voor de industrialisering.
Op zoek naar een alternatief voor een constitutioneel parlementaire souplesse ontdekte Bismarck de burgerlijke verenigingen, die economische en politieke belangen nastreefden. Leden maakten deel uit van allerlei ambtelijke commissies. Werden adviesorganen = alternatief voor politieke medezeggenschap.
Toenaderingsproces tussen aristocratie en burgerij (Braudel: ‘het verraad van de burgerij’): aristocratisering van de burgerlijke, commerciële ondernemersklasse.
Oprichting economische belangengemeenschappen (Verbände), gingen samenwerken, bv die voor graan en ijzer, gevolg: beschermingstarief voor graan en ijzer in 1879. Jaren 90: invloed op wetgever vergroot door ontstaan van lobbies. De gemeenschappelijke lobby van aristocratische en burgerlijke groepen en het resultaat ervan in 1879 maakt duidelijk hoe dicht de (economische) flexibiliteit van het Duitse Keizerrijk die van de West-Europese constitutionele monarchie benaderde. Deze laatste werd immers ook gedragen door samenwerking tussen aristocratie en bourgeoisie.
Balans. Bismarcks Bonapartistische staat
Economische politiek: definitieve opheffing van de verplichting om lid te zijn van een gilde als voorwaarde voor het oprichten van een bedrijf; opheffing aparte status van de Heimatstädte waardoor beperkende maatregelen tav bedrijfsvestiging en belemmering van vrij verkeer van personen en goederen verdwenen; uniformering maten en gewichten, van het muntstelsel en het handelsrecht. Overheidsbemoeiing met aanleg wegen, spoorwegen en waterwegen. Indirecte steun door middel van vrijhandelsverdragen, tariefwetgeving (protectionisme voor graan en ijzer). Dus na 1875 meer aandacht voor belangen van de industrie. Invoering protectionisme typerend voor toegenomen flexibiliteit.
Standen- en klassenmaatschappij: standen: grote maatschappelijke rol voor adel en grootgrondbezit, aristocratisering hogere burgerij. Klassen: verdringing van conflicten gebaseerd op status en prestige; grotere behoefte om het vrije marktmechanisme te laten werken en economische belangen in de politieke besluitvorming zwaar te laten wegen. Verenigingsleven werkte verzoenend tussen de elementen uit de standen- en klassenmaatschappij, nl de burgerlijke ondernemers en de aristocratische grootgrondbezitters (zie het verbond tussen graan en ijzer).
Conclusie: blz. 176-179 / blz. 60-61
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)