Twee vragen, tevens leerdoelen:
Voorwaarden voor industrialisering
Politiek-instutionele voorwaarden
Taken voor de staat in het ind.proces (Supple):
Ad.1: geen versplintering van soevereiniteitsrechten; gecentraliseerd gezag; goed georganiseerde politiemacht (Fr: 1798, Eng: 1829). Bevordering vrije markt, vrij verkeer.
Ad.2: adequate infrastructuur, goede communicatievoorzieningen en onderwijs.
Ad.3: gecentraliseerd ambtenarenapparaat.
Ad.4: bv de aanleg van spoorwegen. Eng: uitzondering, uitgevoerd door particulieren.
Barrington Moore: in landen waar een vorst tegenspel krijgt van een gemengde elite van ruraal-adellijke en stedelijk burgerlijke elementen, wordt een democratische weg naar de industriële samenleving gevonden. De staat richt zich naar de wensen van zo’n coalitie en toont zich flexibel. Eng en Fr: politiek systeem: constitutioneel.
Sociaal-economische voorwaarden
Mentaal-culturele voorwaarden
Industrialisering vraagt een burgerlijk-kapitalistische mentaliteit:
Ad.1: Egalitair-meritocratisch denken: mensen moeten gelijke kansen hebben om vooruit te komen in de wereld. Gaat gepaard met klassedenken; wijkt af van standsdenken.
Bezitsindividualisme: de eigenaar van geld of goed heeft absolute beschikkingsmacht over dat eigendom; kan zijn bezit naar willekeur gebruiken.
Ad.2: Opkomst van het arbeidsethos. Winststreven. Arbeid werd van middel een doel. Taakgerichte tijdoriëntatie, gebruikelijk in de landbouw, verdween. Tijd werd geld.
Ad.3: Economisch denken in de 19e eeuw: de economische machine. Grondslag voor het openmarktsysteem.
Herkomst van de industriële bourgeoisie: boeren, ondernemende kleinburgers.
De tragere industrialisering in Frankrijk
Politiek-militaire verwikkelingen: de Franse Revolutie, de Napoleontische oorlogen. 1806: verbod op alle handel met Engeland à Franse industriëlen verloren contact met technische ontwikkelingen in Engeland. Nederlaag Napoleon: alle koloniën gingen verloren.
Verschillen in politiek-institutionele voorwaarden
Frankrijk had een zeer sterke staat. Infrastructuur: zorg Franse regering. In Engeland werden de spoorwegen door particulieren aangelegd, meer gevolg dan oorzaak van de industriële ontwikkeling. In Frankrijk andersom. Spoorwegen aangelegd door overheid en particulieren (part: stations, rails, uitrusting, exploitatie). Frankrijk had een weinig flexibele staat. Pas omstreeks 1830 (Louis Philippe) konden de Fransen over een flexibel burgerlijk bestuur beschikken. De Engelse staat had een behoorlijke kracht en het regeringsapparaat was al sinds de Glorious Revolution (1688) vrij toegankelijk voor ‘nieuwkomers’. In Frankrijk oppositie tegen de kapitalistische burgerij door adel, rk-kerk, jacobijnse kleinburgerij, politiek radicale arbeidersklasse en boeren.
Verschillen in sociaal-economische voorwaarden
Frankrijk stond er wat betreft vrijwel alle relevante punten slechter voor dan Engeland. De koopkrachtige vraag was er kleiner en het arbeidsaanbod beperkter. Beide zaken hingen samen met de, zeker in vergelijking met Engeland, weinig productieve agrarische sector. Met betrekking tot de factor kapitaal kan geconstateerd worden dat het bankwezen in Frankrijk zich later ontwikkelde, waardoor het moeilijker was kredieten te verkrijgen. Ook op infrastructureel gebied had F een achterstand op E. Het effect van de tragere verbeteringen in de infrastructuur werd nog versterkt doordat F een tekort had aan steenkool. Doordat de transportproblemen lang bleven bestaan, was import hiervan moeizaam en kostbaar.
Verschillen in mentaal-culturele voorwaarden
In Engeland was er al vroeg een brede verspreiding van het burgerlijk-kapitalistische denken in de samenleving. In Frankrijk werd dit denken tot ver in de 19e eeuw fel bestreden vanuit diverse hoeken (oa door boeren en aristocraten).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Winnie de Keizer (2002)