OUDNEDERLANDSE SCHILDERKUNST
REALISME, RENAISSANCE EN NATIONALISME: CULTUURHISTORISCHE OPVATTINGEN OVER Oudnederlandse Schilderkunst TUSSEN 1860 - 1920
Middeleeuwen of Renaissance?
Oudnederlandse Schilderkunst vaak in verband gebracht met periode van vooruitgang
en verval
Vervolmaking olieverftechniek - daarom te zien als oorsprong van nieuw tijdperk
Ddaar staat tegenover dat ook vastgehouden werd aan tradities van de gotiek
en aan de traditionele religieuze onderwerpen.
In de 19e eeuw hing het ervan af welk ideaal de beschouwer zelf innam:
Voor beiden behoorde de Oudnederlandse Schilderkunst tot de Middeleeuwen.
Nationalistisch: Jan van Eijck 's kunst had een ommekeer teweeggebracht, dus kwam alle verandering in de kunst niet uit Italië (gedachte in NL, B en F)
Jacob Burckhardt
Overtuigd classicist -> renaissance geen wedergeboorte van de antieke
beschaving, maar van het menselijk bewustzijn zelf.
Burckhardt beschouwde de Bourgondische Nederlanden als volkomen Middeleeuwen.
Van belang voor Burckhardt was dat de kunst niet zonder meer de werkelijkheid weergaf, maar tot een poëtische verbeelding kwam. Volgens hem ging in Italië aan het ontstaan van de artistieke verbeelding een bloei van een literaire verbeelding vooraf.
Crowe en Cavalscaselle -> Oudnederlandse Schilderkunst product van hofcultuur, hun liefde ging uit naar de Italiaanse schilderkunst, de Oudnederlandse Schilderkunst maakte een indruk van grofheid en kende geen doorgaande ontwikkeling.
Abbé Deshaines -> overzichtswerk Vlaamse schilderkunst: Oudnederlandse Schilderkunst product van diepe religiositeit, geen gestadig verval maar hoogtepunt in kunst van Hans Memling . Ook voor hem was de Italiaanse kunst de norm.
Het idee om de verschillen in de kunst te herleiden tot verschillen tussen Romaanse en Germaanse cultuur stamt uit de Duitse Romantiek. Waagen: 2 hoofdstromingen in de Europese kunst: idealiserende en realistische -> Germaanse kunstgevoel werd volgens hem gekenmerkt door een innig religieus beself dat zich manifesteerde in een zo getrouw mogelijke weergave van de zichtbare werkelijkheid.
Burgerlijkheid en vooruitgang
Midden 19e eeuw belangstelling in Frankrijk voor Oudnederlandse
Schilderkunst, hing samen met Franse kunstpolitiek, strikt classicistisch. Classicisme
stond voor onderwerping aan het gezag, realisme voor vernieuwingsdrang, politieke
vrijheid. Waardering van Oudnederlandse Schilderkunst werd onderdeel van een
progressief politiek programma -> gewezen revolutionair Théolphile
Thoré.
Tot 1759 zouden Vlaanderen en Holland één gezamenlijke stijl gekend hebben, beheerst door ME kerkgeloof. Vlaamse Primitieven als basis voor de Hollandse democratische geest van de 17e eeuw, burgerlijk zelfbewustzijn. Charles Blanc is dezelfde mening toegedaan in zijn "Histoire des peintres de toutes les écoles".
Alfred Michiels -> wsa de eerste die het karakter van de Oudnederlandse Schilderkunst systematisch en in alle bijzonderheden trachtte te herleiden tot de eigenaardigheden van land en volk. Volgens hem was de Oudnederlandse Schilderkunst ontstaan uit de inheemse miniatuurkunst en beeldhouwkunst. De Oudnederlandse Schilderkunst bewoog zich volgens hem in kringen naast de adellijke cultuur.
Ludovic Vitet -> behorend tot het literaire en politieke establishment, vond dat de Vlaamse Primitieven de "wettige voorouders" van Terborg, Metsu, Hobbema en Ruysdael waren. Hij vond dat de Oudnederlandse Schilderkunst in de 15e en 17e eeuw tot geestelijke verheffing stimuleerde, net als de grote meesters van het klassieke idealisme.
Hippolyte Taine -> invloed van ras, milieu en moment: Germaanse volksaard, wisselvalligheid van weer en politieke macht van steden
Eugène Fromentin -> weergave werkelijkheid was zonder bedoeling, de schaamteloosheid van de Bourgondische cultuur werd volgens hem weerspiegeld in de Adam en Eva afbeelding op het Lam Gods. In Hans Memling 's werk trof hij een krachtige naïviteit aan, een ontroerde toewijding. Jan van Eijck en Hans Memling stonden voor de uitersten van de Bourgondische cultuur.
In Nederland werd na 1860 de kunst anders gewaardeerd: de gelijkstelling van artistiek realisme met burgerlijk individualisme en met onafhankelijkheidszin was onweerstaanbaar.
Johannes van Vloten -> ontleende zijn info aan Frankrijk: Thoré -> Nederlands realisme geen onvermogen tot classicisme maar juist oorspronkelijkheid. Taine -> schilderkunst als ware uitbeelding van de Nederlandse volksaard.
Conrad Busken Huet -> Oudnederlandse Schilderkunst en 17e eeuw producten van afzonderlijke culturen. Huets cultuurgeschiedenis was een verheerlijking van de nationale energie van de 17e eeuw. Met Claus Sluter begon de Hollandse school in de beeldende kunst.
Noordelijke renaissance
Louis Courajod (conservator Louvre) -> betreurde dat Franse kunst zo
vaak van de Noordelijke was afgeweken. Frankrijk moest een voorbeeld nemen aan
de organisatiekracht van de Duitsers (na nederlaag 1870). Renaissance begon
in Frankrijk met de beeldhouwkunst, daarna Oudnederlandse Schilderkunst, lange
tijd overschaduwd door classicisme en Italië, uitmondend in de kunst van
de 17e eeuw.
Joris-Karl Huysmans -> bewonderde de intensiteit van de expressie in de Oudnederlandse Schilderkunst. In de 15e eeuw lagen de emoties nog direct aan de oppervlakte, in de 19e eeuw werd men gehinderd door de beklemmende middelmatigheid van de samenleving, realistische vormgeving en religieuze inhoud hingen direct met elkaar samen.
Tentoonstelling Brugge 1902
Tweeledig doel:
Misschien door het overgrote aantal werken begon de roem van Hans Memling af te nemen met deze tentoonstelling. Men zag er vooral veel routine in. Bovendien ontstond er een belangstelling voor andere soorten expressie van de religieuze beleving dan alleen de stemming van hemelse zoetheid. Iedereen vond tentoonstelling een manifestatie van laat-Middeleeuwse cultuur.
Karel van de Woestijne -> waardering voor kunst late Middeleeuwse, tijdperk van verval. Vroomheid van de late Middeleeuwen was de keerzijde van de pracht en praal van de hofcultuur.
Ook werden werken tentoongesteld die waarschijnlijk aan Franse meesters toebehoorden, dit lokte een tegenreactie uit Frankrijk op met een tentoonstelling van Franse primitieven (o.l.v. Henri Bouchot). Deze ging echter te ver door aan Vlaamse meesters toegeschreven werken opeens aan Franse meesters toe te schrijven. In NL geen probleem om Oudnederlandse Schilderkunst grotendeels toe te schrijven aan België.
Aart Pit -> NL kunst kenmerkte zich door grotere naïviteit, geringere vormvastheid, maar sterker gevoel voor atmosfeer en kleur.
H.T. Colenbrander -> Noord-NL beschikte over een eigen individualiteit, ook in de beeldende kunsten
Invloed van Courajod leidde ertoe dat in NL de 17e eeuwse kunst steeds meer als ME werd beschouwd
Fierens -> wilde drie dingen aantonen:
Net als Courajod komt hij tot twee Renaissances, een realistische en een classicistische
Pirenne -> overstijging van Oudnederlandse Schilderkunst in maatschappelijke tegenstellingen van die tijd
Huizinga -> geen Belgische of Nederlandse identiteit, Oudnederlandse Schilderkunst geen noordelijke renaissance, en zelfs maar beperkt realistisch.
Huizinga: Renaissance en nationalisme
Nam stelling tegen feit dat Oudnederlandse Schilderkunst een product was
van een Nieuwe Tijd. Keerde zich tegen de nationalistische annexatie van de
"Vlaamse Primitieven", omdat daarmee huidige politieke verhoudingen ten onrechte
werden geprojecteerd op het verleden.
Karl Voll : "Altniederländische Malerei" uit 1906 had het over een aanbrekende Noordelijke Renaissance, hij ging uit van een omwenteling die met de Van Eycks begon. Deze omwenteling zag hij als het zelfstandig worden van het Germaanse kunstgevoel (zie ook Waagen).
In werk Johannes de Doper van Geertgen to Sint Jans vindt hij alle kenmerken van de Noordnederlandse schilderkunst terug:
17e eeuwse kunst had nog duidelijke kenmerken van de Middeleeuwen; de Oudnederlandse Schilderkunst wees niet vooruit naar de komende kunst van de 17e eeuw.
Huizinga had veel waardering voor Belgische historicus Pirenne, maar geloofde niet in diens voorstelling van een eeuwenoude Belgische nationaliteit. Deze laatste veronderstelde een groeiend nationaal gevoel als gevolg van een samenwerking tussen Vlamingen en Walen, maar volgens Huizinga was het een gevolg van de verhouding van deze bevolkingsgroepen tot het Hof.
De laat-Middeleeuwse hofcultuur vertoonde alle trekken van een beschaving in verval. De adellijke levensstijl werd via allerlei regels steeds verder verfijnd, hetzelfde gold voor de voorstellingswereld van de godsdienst. Ook hier waren er steeds meer regels en verfijning, waarbinnen de zo uitzonderlijke natuurgetrouwheid en precisie van de Oudnederlandse Schilderkunst een duidelijke plaats inneemt : steeds verdergaande symboliek en allegorie, in ieder onbeduidend voorwerp kon een zinspeling op een heilsgeschiedenis liggen.
Huizinga was onder de indruk van het werk van Huysmans en bleef vasthouden
aan diens voorstelling van de 15e eeuw als een periode van contrasten:
hard, wreed Ö angst, berouw
het zieleheil van de opdrachtgever werd verzekerd, tegelijkertijd was het machtsvertoon.
Hij beschouwt de kunst van de Van Eycks nog als Middeleeuwen qua inhoud, het naturalisme beschouwt hij als een uiting van een laat-Middeleeuwse geest.
Beeldhouwkunst is driedimensionaal dus altijd realistischer dan schilderkunst.
Huizinga waardeerde het meest in de Oudnederlandse Schilderkunst de verbeelding van de eeuwigheid in het voorbijgaande en toevallige, voorstellingen waarin ogenschijnlijk het leven van alledag in verbeeld werd.
Herfsttij der Middeleeuwen stond op een grens: aan de ene kant de discussie over het modern-realistisch karakter van de Oudnederlandse Schilderkunst, aan de andere kant de allegorische interpretaties van de komende generaties onderzoekers.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (2000)