OUDNEDERLANDSE SCHILDERKUNST
VAN WAAGEN TOT FRIEDLÄNDER: HET KUNSTHISTORISCH ONDERZOEK NAAR DE Oudnederlandse Schilderkunst GEDURENDE DE 19E EN HET BEGIN VAN DE 20E EEUW
In de 16e eeuw wordt
in een enkel reisbericht verslag gedaan van het Lam Gods. In de 17e
en 18e eeuw werden Hubert en Jan van Eyck gezien als de stichters
van een nieuwe schilderschool, zonder dat er een wezenlijke belangstelling bestond
voor hun werken.
Bijdrage Verlichting : ontkrachting
mythe dat Jan van Eijck de olieverftechniek zou hebben uitgevonden.
Johanna Schopenhauer en Waagen
J.Schopenhauer :Johann
van Eycj und seine Nachfolger (onwetenschappelijk karakter)
Waagen : Über Hubert
und Johann van Eyck (1e wetenschappelijke kunsthistorische monografie)
De herwaardering van de Oudduitse kunst was een van de verworvenheden van de Romantiek.
Beiden leggen een verband tussen de artistieke schepping en de persoonlijkheid van de kunstenaar.
Waagen streefde ernaar om de kunst van de Van Eycks te plaatsen binnen een culturele context en gebruikte hiervoor de grote voorman van het classicisme: Johann Joachim Winckelmann, die de Griekse sculptuur had bestudeerd in relatie tot de cultuur waarvan zij deel uitmaakte.
Waagen onderscheidt zich van de romantici, omdat hij een besef voor historische continuïteit aan de dag legt: waar volgens de romantici het genie van Jan van Eijck zomaar uit de hemel kwam vallen, of hij als een volgeling van Wilhelm von Köln werd geportretteerd, meende Waagen dat Jan van Eijck deel moet hebben uitgemaakt van een artistieke traditie, die men inmiddels niet meer kende, maar die men moest trachten te reconstrueren.
Waagen hecht een waarde aan de kritische bespreking van schriftelijke bronnen, hij wijst daarbij op het belang van archiefonderzoek.
Waagen onderscheidde een verschil in handen bij het onderzoek naar het Lam Gods. Hij bekeek o.a. de penseelvoering en vergeleek deze met werken waarvan hij met zekerheid wist dat ze van de hand van Jan van Eijck stamden: historische visie komt hier gelijk te staan met visuele observaties. Het kennerschap wordt hiermee een pendant van het historisch-kritisch bronnenonderzoek.
Hotho
Hotho was werkzaam
onder Waagen in de Berlijnse Gemäldegalerie. Volgens hem was men in zijn
tijd niet in staat te genieten van de Oudnederlandse Schilderkunst aangezien
men bleef steken in het prozaïsche van de eigen tijd en zich daardoor niet
kon openstellen voor poëzie van de kunst van vroegere tijden.
Hotho als leerling van Hegel
: "het oorspronkelijke goddelijke en menselijke waar en ten volle tot schoonheid
te verbeelden is de zuiverste roeping van de vrije kunst.
Het Lam Gods volgens Hotho:
- Jan heeft al tijdens Huberts
leven aan het Lam Gods gewerkt
- de synthese van oude en
nieuwe stijl wordt door Hubert uitgewerkt, Jan vervult slechts een bijrol
- Hubert is Jans meerdere
in de "Seelenausdruck"
Schnaase
Ook een leerling van
Hegel en voorstander van een filosofische beoefening van de kunstgeschiedenis.
Geen uiting van volksgeest, maar momenten van diepe religieuze ontroering, echter niet terug te voeren op de vroomheid van een tijdperk en van een land, ook niet die van een kunstenaar. Volgens hem wordt het religieuze karakter van de Oudnederlandse Schilderkunst bepaald door het architectonische element. Hij probeert aan bepaalde vormprincipes een eigen expressieve betekenis toe te kennen.
Crowe en Cavalcaselle
Eerste specifieke
handboek van de Oudnederlandse Schilderkunst uit 1857.
Gebruik olieverf: noordelijk klimaat
te vochtig voor tempera.
Sociale kader: hertogen van
Bourgondië: de luxe van Parijs naar Brugge.
Volgens Crowe en Cavalcaselle is de Oudnederlandse Schilderkunst een product van deze hofcultuur, hieraan verbinden zij het waardeoordeel dat deze kunst een religieuze diepgang mist.
De visuele observaties van Crowe en Cavalcaselle zijn gekleurd door hun eigen esthetische normen, waarmee hun smaak overeenkomt met de artistieke stromingen uit hun tijd, zoals de Prerafaelieten en de neogotiek. Bv. ze verkiezen de sereniteit van Hans Memling boven de expressiviteit van Rogier van der Weijden.
Een andere bijdrage van Weale was zijn aandeel in de organisatie van de tentoonstellingen van Oudnederlandse Schilderkunst in Brugge in 1867 en 1902 Õ selectie van werken, organisatie van uitleen, schrijven schilderijencatalogus.
Ook zijn karakteriseringen zijn bepaald door zijn tijd, enthousiasme voor de neogotiek
Hulin de Loo
Kritiek op tweedeling
kunsthistorisch onderzoek:
De resultaten van beide blijven op zichzelf staan volgens Hulin de Loo vallen er allerlei verschillende kenmerken te onderscheiden zo gauw men een totaal goed samengesteld oeuvre voor zich heeft, die samen de toeschrijving van een werk waarschijnlijk kunnen maken.
Zijn kritiek op Weale (onder 1) is onterecht, Weale had wel degelijk een grote visuele kennis. Een verschil tussen beide is dat Weale in 1e plaats bekend is om zijn bronnenonderzoek en Hulin de Loo om zijn kennerschap.
Dvorak
Boek: Das Rätsel
der Kunst der Brüder Van Eyck, 1904.
Hoe heeft een zo unieke
en vernieuwende kunst als die van de Van Eycks kunnen ontstaan?
Hubert was volgens hem leraar van Jan.
Randvoorwaarden:
Dvorak schrijft een fundamentele artistieke vernieuwing aan Jan van Eijck toe. Het einde van de oude traditie is van HvE.
Panofsky heeft voor zijn iconografische benadering later gebruik gemaakt van de handenscheiding van Dvorak
Dvorak lost het probleem niet op, maar verplaatst de vraag naar: waarom zou Jan van Eijck zich doelen hebben gesteld die fundamenteel afwijken van de artistieke doelen van zijn broer?
Friedländer
Boek: Die Van Eyck
- Petrus Christus, 1924
Hij vindt Dvorak te tendentieus, overdrijving van stijlverschillen, geen rekening houdend met uiteenlopende thema's.
Waardering van kennerschap is vandaag
de dag omstreden.
Friedländers conclusie
dat het niet nodig is om nader stilistisch onderzoek naar het Lam Gods te doen
teneinde verschillende handen te onderscheiden, krijgt 50 jaar later d.m.v.
ondertekeningenstudie gelijk.
Portret van een man met een ring Õ Hubert of Jan? Volgens Panofsky Jan van Eijck , alhoewel het een aantal kenmerken van Jans portretten ontbeerde:
Volgens Panofsky redenen om een vroeg portret aan te nemen.
Stilistisch en materieel onderzoek uit de jaren '90 suggereren een Eyckiaanse techniek.
Friedländer geeft Jan van Eijck een duidelijke plaats binnen een ontwikkelingsperspectief: Jan is stichter van drie nieuwe takken van schilderkunst:
Jan ging van het zichtbare, individuele uit en Rogier van der Weijden van het ideele. Hoewel Friedländer meent dan de oorsprong van de laatste niet duidelijk is, neemt hij wel aan dat deze een leerling was van Robert Campin.
Kenmerkend voor overgangspositie in kunsthistorische benadering van Friedländer is dat hij het kerkelijk van Rogier van der Weijden stelt tegenover het wereldlijke van Jan van Eijck . Zijn voorkeur voor originaliteit zal zijn zwakke punt zijn geweest, gezien de ommezwaai van zijn eerste mening dat de Meester van Flémalle en Rogier van der Weijden verschillende kunstenaars waren, en hij later deze oeuvres samenvoegde tot die van een schilder.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (2000)