OUDNEDERLANDSE SCHILDERKUNST

DE GESCHIEDENIS VAN HET VERZAMELEN VAN DE OUDNEDERLANDSE SCHILDERKUNST IN DE 19E EEUW

Inleiding

Ondanks dat ze beeldenstormen en interieurvernieuwingen hadden overleefd, waren Oudnederlandse panelen hun liturgische functie kwijt en werden ze al voor de Franse revolutie lelijk en oninteressant gevonden.

Margaretha van Parma had echter al in de 16e eeuw een aanzienlijke collectie in haar paleis te Mechelen, die o.a. door Albrecht Dürer werd bewonderd. Aan haar en aan haar familie is het te danken dat veel 15e eeuwse Nederland schilderijen deel zijn gaan uitmaken van de collectie van de Habsburgers. De Praagse Kunstkammer onder Rudolf II vormt de kern van de huidige collectie van het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Leopold Wilhelm en Leopold I voegden hier nog de nodige werken aan toe.

Al in 1783 was de Weense collectie opengesteld: "merhr zum Unterricht als nur zum vorübergehenden Vergnügen". Ondanks deze didactische opzet was er nog niet echt sprake van een serieuze historisch of esthetische benadering.

18e eeuwse vorsten gaven de voorkeur aan Italiaanse Renaissance, Barok en Rococo werken .

Burgerverzamelingen van het begin van de 19e eeuw onderscheiden zich van de vorstelijke collecties d.m.v. eigen idealen en eigen artistieke smaak van de burgerij. Het burgerlijk zelfbewustzijn groeide. Dit leidde tot een groeiend nationaal bewustzijn. Dit ging vaak gepaard met een hernieuwde belangstelling voor het katholicisme. De veranderende literaire smaak bracht een belangstelling voor de ME met zich mee..

De kunstliteratuur van het burgerlijk georienteerde Neo-classicisme had een zuiver historische interesse in kunst gestimuleerd.


Frankrijk

1793 - openstelling Louvre (1e officiële publieke kunstmuseum)
1797 - naamstelling Musée Central des Arts, later Musée Napoléon

Koninklijk besluit van 1789 -> kerkelijk bezit vervalt aan de Staat, dit gold als een nieuwe basis voor het oprichten van een publiek museum.

Jean-Marie Roland (girondijn) -> Commission du Musée op 12/8/1792. Hij pleitte voor een genre-indeling van de schilderijen, i.p.v. naar kunstenaars. Dit zou een wetenschappelijke instelling demonstreren, dat aan zou tonen dat de Republiek op een andere manier met kunst omging dan de monarchie.

Tegenstander: Jacques Louis David -> mueumcommissie zou tekortschieten in haar ijver voor de zaak van de Revolutie. Verder kritiek op a-historische opstelling van de schilderijen alsmede de restauratiepraktijken. Vond medestanders in Jean-Baptiste-Pierre Le Brun en in Jean-Michel Picault die onder de monarchie zijn restaurateursbaan was verloren en in de Revolutie hoopte weer aan de bak te komen.

Uiteindelijk werden Le Brun en Picault ook tot de commissie toegelaten, meer om politieke dan om inhoudelijke redenen. Na Rolands vlucht, namen deze beide het beheer van het Louvre over.

De bezetting van de Zuidelijke Nederlanden zorgde voor een grote Franse kunstroof, o,a, het Lam Gods en de Cambyses panelen werden naar Parijs gestuurd.

Bij de selectie lijkt een opmerkelijk criterium te zijn gehanteerd: het formaat. De inbeslag genomen panelen zijn groter dan de gemiddelde Oudnederlandse schilderijen. Ook is het waarschijnlijk dat gebruik is gemaakt van de geschriften van Jean-Baptiste Descamps (schilder uit franstalig Vlaanderen - schreef een kunstgeschiedschrijving in 1753), die de meegenomen werken hoog had aangeprezen. Zijn beschrijving was in groot contrast met de geschriften ui de Franse kunstliteratuur van de 17e en 18e eeuw, daarin werd nl. met geen woord over de Nederlandse schilderkunst gerept.

Pas na 1802 - Vrede van Amiens, werd duidelijk hoeveel de Fransen hadden meegenomen.
Chevalier Dominique Vivant Denon stroomlijnde de logge bureaucratie, hij verwierf o.a. Memlings Laatste Oordeel. Zijn verdienste is dat hij zorgde voor een historisch verantwoorde presentatie van de collectie in het Louvre.


Duitsland

Schlegel - Gemäldebeschreibungen aus Paris und den Niederlanden in den Jahren 1802-1804, opgenomen in Ansichten und Ideen von der Christlichen Kunst. Hij deelde de romantische kunstopvatting, hetgeen zich uitte in een uitdrukking van gevoelens bij het zien van de Oudnederlandse schilderijen, dit ging gepaard met nationalistische idealen. Geschiedenis in ontwikkeling van de Duitse kunst werden achtereenvolgens duidelijk onder Van Eyck, Dürer en Holbein.

Schlegel van grote invloed op Sulpiz en Melchior Boisserée , broers uit een Keulse koopmansfamilie in o.a. wijn. Zij onderscheiden zich van andere verzamelaars door hun motivatie, doelgerichtheid en uitgesproken gevoel voor kwaliteit. Zij bedienden zich reeds van stilistische vergelijkingen.

Zij meenden dat de starre vormen en gouden achtergronden voortkwamen uit de Byzantijnse kunst.

Sinds 1810 woonden de broers in Heidelberg, ook hun verzameling was daar, zodat de stad een waar pelgrimsoord voor kunstliefhebbers werd.

Ze bezaten o.a.: Columba-altaarstuk van Rogier van der Weyden, H.Lucas tekent de Madonna van Rogier van der Weyden, Zeven vreugden van de Maagd van Hans Memling , Parel van Brabant en Verrijzenis van DB.

De broers lieten lithografische reproducties vervaardigen, om gestalte te geven aan hun opvoedkundige idealen.
Waardering in München voor Oudnederlandse schilderkunst -> Peter von Cornelius.

Gustav Friedrich Waagen -> directeur van de Gemäldegalerie in Berlijn. Op aanraden van neef Ludwig Tieck had hij al jong de Boisserée verzameling bezocht, daarna reise hij door West-Europa en kreeg een steeds grotere kennis van de Oudnederlandse schilderkunst.

In 1821 werd de collectie Oudnederlandse Schilderkunst uitgebreid met de verzameling van de Engelse koopman Solly, o.a. het Lam Gods, Kruisiging van Gerard David , Visitatie en Aanbidding der Koningen van Jacques Daret en portretten van Rogier van der Weyden en Pertus Christus. Solly had niet zulke duidelijke motieven voor zijn verzameling als de broers Boisserée. Waarschijnlijk kocht hij veel vroege Italiaanse werken omdat deze goedkoop waren. Bij zijn aankoop van Oudnederlandse Schilderkunst en Oudduitse lijkt de mogelijkheid van een latere verkoop aan de Pruisische staat niet uitgesloten, temeer daar hij daarin geadviseerd werd door Schinkel en Waagen.

Behalve München en Berlijn heeft ook Frankfurt een aanzienlijke verzameling Oudnederlandse Schilderkunst. Belangrijk voor deze verzameling is de benoeming in 1840 van Johann David Passavant geweest, een aanzienlijk schilder uit de kring der Nazareners. Hij verwierf o.a. drie Flémalle panelen, Lucca-Madonna van Jan van Eijck en de Madonna met kind en de heiligen Hieronymus en Franciscus.


België

Kerken en kloosters raakten hier hun schatten grotendeels kwijt. In 1816 was de laat-Middeleeuwse kunst vrijwel geheel in de handen van buitenlandse handelaren gekomen. Bij het Weense Congres werd een restitutie geregeld; meesterwerken uit de Vlaamse barok gingen een op te richten museum in. 1846 - Koninklijk Museum voor Schilder- en Beeldhouwkunst van België. Toevoeging 1850 Gerechtigheidstaferelen van DB, daarna nog werken van Rogier van der Weyden en Hans Memling .

Belangstelling aangewakkerd door boekje over Memling: Ursula, princesse britannique van Baron de Keverberg.

Schilderijen die uit Brugge geroofd waren kwamen in 1816 terug, o.a de Van der Paele-Madonna van Jan van Eijck, Moreel-triptiek van Hans Memling en Oordeel van Cambyses van Gerard David

Antwerpen: particuliere verzameling van Florent van Ertborn, grotendeels Oudnederlandse Schilderkunst en werken van vroege Italiaans, Franse en Duitse meesters, o.a. Madonna en Kind bij Fontein en H.Barbara van Jan van Eijck, Sacraments-altaarstuk van Rogier van der Weyden, Portret van een man met een penning van Hans Memling . Voor catalogiseren van deze verzameling werd hulp ingeroepen van Waagen en Boisserée, alsmede Hotho


Nederland

Collectie van Koning Willem II kon zich meten met die van de Boisserées. Zijn redenen voor de verzameling:
- sympathie voor onafhankelijkheidsstreven van Zuidelijke Nederlanden
- hij wilde in 1830 de Belgische troon bestijgen
- belangstelling voor het katholicisme (combinatie voorliefde Middeleeuwse kunst en liefde voor katholieke geloof)

Hoge kwaliteit van de verzameling is te danken aan kunsthandelaar Nieuwenhuys. In 1850 werd de collectie geveild en werden de werken over heel Europa verspreid.

Sinds 1822 tentoonstelling in Mauritshuis


Engeland

Grand Tour -> obligate culturele reis door Europa voor de Engelse aristocratische jongeren.

Veiling in Londen in 1799 van de verzameling van het huis van Orléans: beginpunt interesse voor Oudnederlandse Schilderkunst. Volgens Buchanan hadden de Engelse particuliere verzamelaars slechts commerciële bedoelingen, nevenproducten van hun vele zakelijke contacten.

Sir Horace Walpole - Anecdotes of Paintings in England -> Gothic Revival.

Verzamling van Karl Aders, Duits koopman en verzekeringsagent, na zijn dood in 1835 werd zijn verzameling te koop aangeboden en verdween grotendeels naar de National Gallery (opgericht 1824).

Een vast aankoopbudget kende men in die tijd nog niet, evenmin als een systematisch. Het Oudnederlandse Schilderkunst werk werd pas aangekocht in 1841: het Arnolfini-portret van Jan van Eijck . In 1843 werd schilder Charles Eastlake tot conservator benoemd, hij was voorbestemd het museum internationale faam te bezorgen. Hij kocht het portret Man met een tulband van Jan van Eijck .

Eastlake stelde Otto Mündler aan als "travel agent", waarmee de Italiaanse afdeling flink werd uitgebreid. Hij zorgde voor de aankoop van de 3e Jan van Eijck : Thymotheos. In Milaan kocht Eastlake de Graflegging, toentertijd toegeschreven aan Lucas van Leyden, Eastlake meende dat het van de hand van Rogier van der Weyden was, nu wordt het toegeschreven aan DB.

Eastlake's privéverzameling, na zijn dood aangeboden aan de National Gallery, vertoonde dezelfde smaak als zijn officiële aankoopbeleid. Hiermee kwamen de werken Opgraving van de H.Hubertus uit de school van Rogier van der Weijden (volgens Eastlake Jan van Eijck ) en Madonna met Kind en de heiligen Petrus en Paulus van DB (volgens Eastlake Hugo van der Goes ) in het bezit van de National Gallery.


Slotbeschouwing

Verschillende drijfveren om schilderkunst van vroege meesters te verzamelen:

  1. de Boisserées waren katholieke Rijnlanders, in een periode dat de liefde voor het Duitse vaderland byzonder actueel was -> samengaan van nationalisme en katholicisme
  2. Ferdinand Wallraf -> chauvinisme en regionaal-historische belangstelling, omdat hij kanunnik was, zullen ook religieuze motieven een rol hebben gespeeld.
  3. Solly -> commerciele aspecten
  4. Van Ertborn en Willem II van Oranje -> liefde voor Zuidnederlandse erfgoed
  5. Aders -> motieven van kunsthistorische zijde nog niet onderzocht

| Index | Oudnederlandse Schilderkunst | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Evelyn Ligtenberg (2000)