Thema's en genres in de muziekgeschiedenis

Leereenheid 2: Ontwikkeling van de meerstemmigheid in de middeleeuwen

Er zijn meerdere hypotheses over het ontstaan van meerstemmigheid (polyfonie):
a) het versierd omspelen van de melodie
b) natuurlijke interval tussen mannenstem en jongens- of vrouwenstem

De basis was het Gregoriaans:
Organum - vox principalis = basismelodie
  - vox organalis = begeleidende melodie

paralel organumè gelijkblijvende interval
aangepast organumè begint unisono en eindigt ook zo, daartussen afstand

Eerst mocht de aangepaste vorm alleen gebruikt worden als de parallelle problemen gaf.

11e eeuw, Guido van Arezzo gebruikte twee vormen van het aangepaste organum, eenvoudig en moeilijk, zelfs al stemkruisingen. De parallelle vorm werd steeds minder gebruikt.
De stijl wordt vrij met tegenbewegingen. Er zijn nog geen aanwijzingen voor de ritmische uitvoering.

Er zijn twee compositiestijlen
1. de organumstijl
de tenor vertolkt de oorspronkelijke tekst ; het duplum (2e stem) en het triplum (3e stem) bewegen zich melismatisch boven de tenor.

2. de discantstijl
elke lettergreep maar één noot, neum-tegen-neumstijl
hier overheersen consonante intervallen en tegenbewegingen.

Beide stijlen kunnen binnen één werk voorkomen.

Er onstaan nieuwe manieren van noteren (Notre Dameschool) en we kennen de eerste componisten bij naam, zoals

Leonidus, aan hem wordt een nieuw notatiesysteem toegeschreven. Dit wordt bekend als het modale notatiesysteem. De ritmische modi zijn uitgangspunt.
Na hem kwam Perotinus, hij werkte met clausulae. Die gaven mogelijkheden tot experimenteren

Er werden niet liturgische liederen gemaakt, conductus, homofone stijl= alle stemmen zingen hetzelfde en hebben hetzelfde ritme = grote verstaanbaarheid.
Door alle bovenstemmen te voorzien van een eigen tekst ontstond het motet. Bij het dubbelmotet zijn de teksten ook in een andere taal (Frans/ Latijn).

Doordat de tenor veel minder noten gebruikte dan de andere stemmen ontstond de koornotatie i.t.t. partituurnotatie) . Het coordinatieprobleem dat daardoor ontstond werd door Franco van Keulen opgelost door het definieren van de waarde van de losse noten (longa, brevis, semibrevis) en duidelijke tekens voor de rust.
Uitgangspunt voor hem is de perfectio, de perfecte longa = 3 brevis. Drie is het perfecte getal (Drie-eenheid).
De bronnen zijn niet steeds duidelijk over de opvoeringspraktijk. Nu kiest men meestal voor een volledig vocale uitvoering.

Aan het einde van de 14e eeuw heeft de muziek een complexiteit van ritmiek die pas in de 20ste eeuw geëvenaard wordt.
Uit die tijd is vnl. wereldse muziek bewaard gebleven. Het was een tijd van crisis, veel is verloren gegaan.

Aan het begin van de 14e eeuw was Franco's systeem al Ars antiqua t.o.v de vernieuwingen van de Ars Nova, lange tijd toegeschreven aan Phillipe de Vitry.
Naast de perfecte mensurering (in drieën) is ook door de imperfecte mensurering (in tweeën) mogelijk. Doorbraak van een paradigma.
De punt werd een verlengingsteken.

Men streefde naar steeds verdere verfijning (subtiliteit), nu Ars subtilior (Ursula Günter).
Middelen waren o.a de syncopatio, hemiool en hoquetus.

Een belangrijk werk was de satirische Roman de Fauvel ,een waarschuwende en moraliserende fabel (admonitio). Vitry schreef daarvoor motetten. Zijn gezag was groot, maar zijn (overgebleven) oeuvre was niet spectaculair.

Van Guillaume de Machaut is wel veel bewaard gebleven. Zijn onderwerp is de hoofse liefde.
Hij gebruikte ook de chace (canon). Hij ontwikkelde de formes fixes van de chanson:
- ballade, grootser van opzet
- rondeau , meest geconcentreerd van uitdrukking (AbaAabAB)
- virelai, lichter en dansanter

De Franse en Italiaanse muziek gaan begin 14e eeuw even gescheiden.
In Italie schreef Landini vele ballata (verg. virelai en niet balade) en ook de caccia (chase) en de madrigale zijn belangrijke polyfone genres.


| Index | Kunst | Muziek | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2001)