De Middeleeuwse Ideeënwereld

Hoofdstuk 11 - Opvattingen over taal en taalgebruik

Scheppen is spreken en er is niets tot stand gekomen zonder het Woord van God -> een van de fundamentele ideeën van de Middeleeuwen

De relatie tussen taal, waarheid en werkelijkheid was veel directer dan voor ons.

Veranderingen in de opvattingen over taal en taalgebruik in de ME 1000-1300:

  1. toenemende aantal intellectuelen. Rond 1000 slechts in kloosters, vooral in 12e en 13e eeuw krijgen wereldlijke machthebbers meer behoefte aan ambtenaren en administratoren, daardoor ontstaan o.a. kathedraalscholen en universiteiten
  2. binnendringen van aristotelisme in de ME wetenschap, dit vervangt het (neo)platoons-augustinistische denken.


Woorden, tekens, dingen
Augustinus onderscheidt dingen (res) en tekens (signa). Ieder signum is ook res. Niet alle dingen hebben een even sterk tekenkarakter. Er zijn dingen die uitsluitend als teken bedoeld zijn, de belangrijkste hiervan zijn woorden (voces). Alleen God zelf is uitsluitend res. Hij verwijst niet naar iets anders. Betekenis is niet afhankelijk van de menselijke beschikkingen maar van de Goddelijke wil.

Dingen hebben een betekenis o.g.v. hun eigenschappen, omdat elk ding meer eigenschappen heeft, kan het ook meer betekenissen hebben.

Mnemotechnische versjes -> waarin alle eigenschappen van een ding worden vermeld.

Etymologie -> wetenschap die de relatie tussen de eigenschappen van woorden en van de dingen die ze aanduiden behandelt

Een van de consequenties van het accepteren van het aristotelisme in de ME is dat men taal als een conventioneel systeem gaat zien en niet als een voorgegeven patroon.


Taalgebruik als kenmerk van de mens
Mensen bezitten geen onmiddellijke kennis zoals engelen. Zij moeten kennis verwerven door verstandelijke overwegingen. Zij zijn niet zondermeer onderworpen aan instincten zoals dieren en dus is het onvoorspelbaar wat een mens in een bepaalde situatie zal doen.

Taal is een noodzakelijke voorwaarde voor een mensenmaatschappij.

Laster schaadt drie personen:


Wetenschappelijke studie van taal
Trivium:

Grammatica speculativa of grammatica van de modisten -> dingen kunnen in de werkelijkheid slechts op een beperkt aantal manieren bestaan.

Wijzen van bestaan -> mossi essendi
Daarvan afgeleide begrippen of concepten -> modi intelligendi
Deze op hun beurt in taal uitgedrukt -> mossi significandi

Klassieke retorica:

  1. inventio - vinden van te bespreken stof
  2. dispositio - ordenen gevonden stof tot samenhangend geheel
  3. elocutio - verwoording en stilistische verfraaiing van de stof
  4. memoria - het memoriseren van de geordende stof
  5. pronuntiatio - het uitspreken ervan

Gebruik klassieke retorica:

  1. Middeleeuws grammaticaonderwijs
  2. Ars dictaminis - opstellen brieven en oorkonden
  3. Ars praedicandi - handboeken uit de 13e eeuw

Verschillende taaluitingen:

  1. uitspraken
  2. proposities
  3. redeneringen

Syllogisme -> twee proposities en een conclusie

Enorme populariteit dialectica in de 13e eeuw:

Verschillende soorten tekstinterpretatie


| Geschiedenis | Middeleeuwse Ideeënwereld | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Evelyn Ligtenberg (2001)