OPERA: Twaalf opera's als spiegels van hun tijd
Richard Strauss - Elektra (1909)
Literatuuropera: Salome (Oscar Wilde) en in muziek Pelléas en Mélissande van Debussy, Ariane et Barbe-bleue van Dukas - muziekdramatisch werk op basis van een vrijwel ongewijzigde literaire tekst, dus geen ingrijpend libretto meer noodzakelijk.
Elektra (Hugo van Hofmannsthal) 1905. Strauss was gefascineerd door de Griekse oudheid.
Samenwerking Hofmannsthal en Strauss duurde tot Hofmannthals dood in 1929 en leverde 6 opera's op.
Maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar en daarmee de noodzaak tot een nauwer samenhang tussen kunst en maatschappij. Gebarentaal als expressiemiddel volgens H. Elke beweging op toneel wordt gevangen door ritmische figuren.
Elektra
Griekse drama's van Aischylos,
Euripides en Sophocles, allen uit 5e eeuw v.Chr. H. zorgde voor enkele
accentverschuivingen t.o.v. dit drama:
H. moet op de hoogte zijn geweest van de eerste verworvenheden van de psychoanalyse.
Strauss was bang dat psychische inhoud van Elektra teveel overeen zou komen met Salome. Hij bracht in de tekst uitvoerige coupures aan en vereenvoudigde de thematiek van het drama. Ondanks dit ingrijpen mag deze opera toch een literatuuropera genoemd worden, omdat de overeindgebleven tekst wel overeenkomt met het oorspronkelijke werk.
Op twee plaatsen werden nieuwe verzen ingelast, daar waar het emotionele hoogtepunten van de scène waren die in het toneelstuk vrij snel afgehandeld werden.
Fundamenteel verschil Salome - Elektra: erotiek in Salome als drijfveer, wraak in Elektra.
Vorm en indeling
Elektra kent geen scène-indeling.
Strauss hanteert een tweedeling:
1. alleen vrouwen, Elektra
passief lijdend
2. vrouwen en mannen, Elektra
actief handelend
Muziek
Orkestklank wordt polychroon,
waar bij Wagner nog een streven was naar klankversmelting.
Extreme contrastwerking tussen
laag en hoog, hard en zacht. Accent ligt op portrettering van de titelfiguur,
een langgerekte monologue intérieure.
De opera is doorgecomponeerd, een ononderbroken stroom muziek
Leidmotieven
2 functies: 1. Structureel
- ritmisch, melodisch basismateriaal 2. Psychologisch - instrumentaal commentaar
op inhoud werk.
Leidmotief 2 hoofdkenmerken:
1. kort
2. gestisch van opzet, reflectie
van element van heftige fysieke beweeglijkheid
In totaal zo'n tien a vijftien
Verschillen met Wagner:
Tonaliteit
Tonaal niet gesloten:
begint in d-klein en eindigt in C-groot.
Ordening -> grondplan dat scènes, gebeurtenissen en personages met elkaar verbindt.
Hoe complexer de karakters, hoe complexer de muziek. Hoe eendimensionaler de karakters, hoe envoudiger de melodiek en harmoniek.
Tonale symboliek
Alle personages krijgen
een vaste toonsoort, behalve Elektra.
Bitonaliteit: Elektra-akkoord en Klytemnestra-akkoord hebben een symbolische functie en een structurele functie
Elektra-akkoord: E-majeur drieklank, belangrijke rol in overgang van scene naar scene.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Evelyn Ligtenberg (1999)