Leereenheid 16 p.217
THOMAS VAN AQUINO EN DE MIDDELEEUWEN
Leerdoelen: een overzicht kunnen geven van
- de middeleeuwse feodale maatschappijstructuur
- de centrale veronderstellingen van het middeleeuwse wereldbeeld
- de verhouding en strijd tussen kerkelijke en wereldlijke macht
- de nieuwe ontwikkelingen ten tijde van TvA (opkomst steden, handel, univ..)
- de belangrijkste gebeurtenissen in hhet leven van TvA
1. De Middeleeuwen
1.1 De ontwikkeling van het feodale systeem.
De val van Rome: 410 Verwoesting van Rome door de Visigothen 455 Vandalen plunderen Rome
Er is een verregaande versplintering van het Romeinse Rijk. Om het hoofd te bieden aan voortdurende Germaanse aanvallen reorganisatie: decentralisatie van verdediging en voedselvoorziening.
Het ontstaan van het Leenstelsel: gebruik van land voor verdediging.
Feodale hiërarchie: Koning -> Leenheren -> Leenmannen -> Vazallen -> Boeren -> Horigen, lijfeigenen. Er is geen sprake van ‘privé eigendom’.
1.2 Kerk en staat, de twee zwaarden
Scheiding van kerk en staat. Iedereen is deel van de staat maar ook vanzelfsprekend van de kerk (geen vrije keuze). Dualisme: wereldlijke en geestelijke macht: wereldlijke macht zorgt voor vrede, orde etc, kerk voor geestelijke belangen zoals eeuwige verlossing..
Twee hiërarchieën: burger is onderworpen aan 2 regeringen (paus en vorst) en aan 2 rechtssystemen: canonieke en het burgerlijke recht. Het is dus niet zo dat in de feodale hiërarchie tot de 11e E de staat onderaan staat en de kerk bovenaan: de 2 hiërarchieën bestaan naast mekaar.
1.3 Wereldbeschouwing: de eeuwige orde
Benadering van Plato’s staat; Filosofen (kerk), verdedigers (ridderorde) en boeren/producenten.
Het platonisch-christelijke gedachtengoed: het merendeel van de vroeg-middeleeuwse geschriften is geïnspireerd dr Plato of neoplatonisten. Plato zijn dualisme invloed op christelijk dualisme lichaam/ziel.
Thomas -> Theologische en filosofische hiërarchie. Alle wezens bezitten over een zekere graad van perfectionisme. De mens is op een middenniveau, niet de kroon op de schepping. God -> Engelen, hogere en lagere -> Heiligen -> Mens -> Dieren -> Planten -> Levenloze natuur. De eerste vier zijn bezield, de overigen niet.
Drie hiërarchische geledingen van Thomas
(Th. wijst de hiërarchische levensbeschouwing niet af):De schepping: mens boven dier, boven plant etc.
De mens: intellect boven waarneming, boven kracht
De maatschappij: de intelligenten boven de dommen
Vergelijking van de staat met een lichaam (organische metafoor). Deze hiërarchie brengt Thomas ertoe te zeggen dat een staat uit zijn evenwicht is als niet intelligentie, maar pure macht of demagogie geleid hebben tot het aan de macht komen van de vorst. Bij Thomas is er (net als bij Plato) een parallel tussen staat en individu. Plato spreekt van een individuele driedeling binnen de individuele ziel (wijsheid, moed en begeerte) en Thomas spreekt van een driedeling van de individuele mens (verstand, zintuigen en lichaamskracht).
In de middeleeuwen geldt dat argumenten zwaarwegender worden bevonden naarmate ze ondersteund worden door autoriteiten. Dus weinig originaliteit. De Bijbel is de hoogste autoriteit.
2. Nieuwe tijden
2.1 De investituurstrijd.
De samenleving is opgebouwd uit twee piramiden, de wereldlijke en de geestelijke (tot +- 11e E.)
Verstrengeling van wereldlijke en geestelijke macht -> simonie (hoge kerkelijke ambten zijn te koop). Vanaf 11e E. wordt kerkelijke macht groter zodat kerk zich beter kan verzetten tegen wereldse invloed.
1059 benoeming van de Paus niet meer door de lokale adel, maar door college van kardinalen.
Decreet van de Paus Gregorius VII (1073) -> wereldlijke leiders mogen geen invloed meer uitoefenen op de benoeming van bisschoppen.
Machtsstrijd tussen kerk en staat (investituurstrijd) duurt tot 13e E.
2.2 Opkomst van de steden
Vanaf de elfde eeuw groei van de handel (door de kruistochten hebben de Arabieren de heerschappij over het Middellandse zeegebied verloren). Bloei van kunst en techniek (Gothiek).
Adel boet aan macht in, rijke burgers krijgen meer macht. Gilden zijn een poging van de burgers om invloed uit te oefenen op het stadsbestuur.
2.3 Opkomst van de Universiteiten
Tot dan alleen onderwijs in kloosterscholen.
9e eeuw in Italië ‘Retorenscholen’ -> les door leken aan leken.
De ontwikkeling van retorenscholen naar universiteit voltrekt zich in de 13e E
13e eeuw -> studia generale -> universiteiten. Thomas studeert en geeft les in Parijs.
Op 14j naar univ, gedurende 6 jr studeert men vrije kunsten: rethorica, grammatica, dialectica, muziek, meetkunde, rekenkunde en astronomie. Dan 6-jr cyclus met theologie, rechten of medicijnen -> Baccalaureus. Na enkele jaren docent te zijn promoveert men tot Doctor of Magister.
2.4 Nieuwe bedelorden
Ontstaan als reactie op de verstrengeling van kerk en staat. Het werkelijke christendom, het armoede-ideaal. Dominicaner & Franciscaner orden (13e eeuw) ontstaan. Dominicanen hebben leerstoel aan univ Parijs (belangrijkste univ toen)
3. Het leven van Thomas van Aquino (1225-1274)
Geboren in 1224 of 1225 en wordt aan een Benedictijner klooster geschonken.
Als hij 15 jaar is, naar univ Napels -> Invloed van Aristoteles (verboden leer in Parijs)
Thomas wordt lid van de dominicaner orde 32 jaar -> Magister in de theologie te Parijs.
Twee hoofdwerken:
Summa contra gentiles -> overzicht van argumenten om het christelijke geloof te verdedigen tegen de niet-christenen (gentiles=heidenen).
Summa theologiae -> overzicht van de theologie (voor theologie studenten)
Overleden op 7 maart 1274. Hij laat verschillende geschriften, waaronder de Summa theologicae onvoltooid. Vijftig jaar na zijn dood wordt Thomas heilig verklaard.
Leereenheid 17 p233
GELOOF EN REDE
Volgens Thomas van Aquino is het niet mogelijk de waarheid te achterhalen door enkel onze rationele vermogens te gebruiken (hij heeft dus geen ‘ken’theorie). Vertrouwen op de geopenbaarde waarheden uit de Bijbel. De vraag naar waarheid hangt samen met de opvattingen aangaande de verhouding geloof en rede.
Leerdoelen: kennis maken met
- opkomst aristotelisme
- sqcholastieke methode
- Thomas’opvattingen verhouding geloof/rede
- Thomas’kentheorie
- de vijf godsbewijzen
1. Opkomst van het aristotelisme
Middeleeuwse wereldbeeld werd hoofdzakelijk bepaald door het neoplatonisme
. Alleen de logica van Aristoteles was bekend. De filosofie was een instrument om het geloof beter te kunnen begrijpen en te verkondigen. In de middeleeuwse filosofie speelt de aristotelische logica een rol.Tweede helft van de twaalfde eeuw: Aristoteles uit het Grieks en het Arabisch in het Latijn vertaald. Arabische filosoof Averroës uit Cordoba vertaalt een groot aantal werken van Aristoteles met eigen neoplatonische interpretaties.
Conflict tussen de aristotelische filosofie en het christelijke geloof. In de middeleeuwen staat het geloof boven de ratio. Geloven impliceert een zeker weten.
Is de wereld eeuwig of is zij geschapen? Tegenstrijdigheden theorie Arist. met het geloof: Eerste onbewogen beweger; geen invloed op het benedenmaanse; de kosmos is eeuwig en heeft geen begin – dit is tegenstrijdig met scheppingsverhaal bijbel.
Aristoteles breekt met de tot dan gangbare gewoonte om uitsluitend van het algemene naar het bijzondere af te dalen. Plato: -> kennis door deel te hebben aan de ideeën
Aristoteles draait de platonisch-christelijke gedachtenwereld om. Empirisch onderzoek gaat vooraf aan kennis van God. Aristoteles stelt dat de ideeën niet boven de werkelijkheid staan als elementen van een aparte transcendente werkelijkheid, maar zich in de werkelijkheid realiseren ofwel immanent aanwezig zijn in de zintuiglijk waarneembare wereld. In de aristotelische filosofie begint men met empirisch onderzoek en stijgt zo op naar God.
2. De scholastieke methode
Populaire methode tijdens de middeleeuwen, om een gezaghebbend beschouwde tekst kritisch te bekijken. De quaestio: kritische bespreking van een tekstuitleg. De scholastieke methode behelst dus op de eerste plaats het stellen van kritische vragen over een bepaalde interpretatie-kwestie. De filosofische werkwijze van Thomas is in overeenstemming met de scholastieke methode.
Disputen op universiteiten. Magister organiseert een debat. Inleiding van de Magister. Zijn assistent, de baccalaureus, verdedigt het standpunt. Dan kritiek en tegenwerpingen van de aanwezigen. De baccalaureus moet dan zijn verweer hebben. De volgende dag komt de Magister weer aan het woord en bespreekt de kritieken. De scholastieke geschriften zijn veelal verslagen van dit soort disputen.
12e E: Petrus Abaelardus: ‘Sic et non’ kritische toetsing van christelijke geloofwaarheden met behulp van de scholastieke methode. Het is steeds de rede die beslist welke interpretatie van een geloofswaarheid de meest plausibele is.
Het hoogtepunt van de scholastiek ligt in de dertiende eeuw. Hoofddoel is meestal te laten zien dat de tegenstrijdigheden tussen aristotelische filosofie en de platonisch-christelijke opvattingen slechts oppervlakkig zijn en bij nadere beschouwing verdwijnen.
Binnen de regels van de scholastiek kunnen voors en tegens van de verschillende systemen tot in de details geïnventariseerd worden. Scholastiek kan soms verworden tot haarkloverij.
Volgens Thomas zijn niet alle geloofswaarheden redelijk te bewijzen
. Thomas kent de beperkingen van de rede: het valt rationeel niet te bewijzen dat de wereld uit het niets is geschapen – maar het staat in de schrift, en dus heeft de heidense filosoof (averroïsten zijn aanhangers van Aristoteles) ongelijk! Voor het eerst wordt toegegeven dat bepaalde geloofsdogma’s buiten de sfeer van de rationele bewijsvoering liggen. Daarmee groeit er ook een geleidelijke verzelfstandiging van de filosofie (kennis verkregen door rede) ten opzichte van de theologie (geopenbaarde kennis).
3. De verzoening van het aristotelisme met het geloof
De rede als zodanig is niet strijdig met het geloof. De filosofie is het produkt van het van God ontvangen licht van de natuurlijke rede. We kunnen de dingen ook – als begenadigd geschenk van God - kennen door middel van het licht van het geloof. We moeten er vanuit gaan dat als de rede strijdig is met de geloofswaarheid dit niet ligt aan de rede zelf, maar omdat we er verkeerd gebruik van hebben gemaakt. In geval van strijdigheid moeten we voorrang geven aan het geloof.
De rede als natuurlijk licht, lumen naturale. cfr Augustinus:goddelijk licht (geloof) zet natuurlijk licht (rede)in schaduw. Thomas: natuurlijke licht is krachtig genoeg om dingen te begrijpen die binnen zijn bereik komen, maar goddelijk licht brengt volmaaktere kennis.
Thomas kent geen tegenstelling tussen het aardse en het goddelijke, tussen natuur en genade. "[...] de genade heft de natuur niet op, maar vervolmaakt haar." Beiden streven naar hetzelfde en verschillen alleen gradueel van elkaar.
Geloofswaarheden (en dwalingen) kunnen niet afdoende bewezen worden.
Als men met rede iets kan bewijzen, is het dan nog nodig om het te geloven. Ja, want:
Met behulp van het geloof komt men sneller tot waarheid van God,
komen er meer mensen tot de waarheid van God en
is de kans op dwalingen geringer.
4. Samenwerking van zintuigen en verstand
Er is niets in het verstand dat niet eerst in de zintuigen was
. De zintuigen zijn het vertrekpunt en leveren het materiaal waaruit begrip kan ontstaan. Volgens Thomas ligt het startpunt voor de menselijke kennis in het onderzoek van de individuele dingen om ons heen.Het phantasma als tussenstap op de weg van zintuiglijke indruk naar begrip. Het phantasma, = beeld staat tussen de zintuiglijke ervaring en het algemene begrip in.
Het actieve verstand abstraheert van het phantasma tot een begrip. Het actieve verstand redeneert de bijzonderheden weg en laat zien welk element werkelijk universeel is, wat de essentie is, en komt zo tot een begrip.
Redeneren dient ertoe de verhouding van de begrippen onderling te bepalen. Hoe bijzondere uitspraken af te leiden zijn uit algemene uitspraken (deductie) en hoe algemene waarheden te ontdekken zijn op basis van waarnemingen van het bijzondere (inductie). Redeneren is alleen mogelijk met begrippen, met alleen zintuiglijke waarneming kan niet geredeneerd worden. De zintuigen hebben enkel toegang tot de bijzondere dingen, dus het verstand heeft kennis van algemene zaken. Het verstand kan indirect kennis hebben van individuele dingen en directe kennis van algemene begrippen.
Waarheid is de overeenstemming van ding en verstand
- adaequatio rei et intellectus.Thomas kent twee systemen, redeneren en intuïtie (intellect= onmiddellijk inzicht). Het intellect staat zowel aan het begin als aan het eind van het redeneren. Het intellect is het zintuig van de engelen. Er bestaat een onmiddellijk en intuïtief inzicht in de waarheid.
Thomas poogt het platonische en het aristotelische te integreren: intellect als inzicht = platonische opvatting waarin hoogste vorm van kennis bereikt wordt door het schouwen der ideeën. Nadruk op zintuiglijke is terug te voeren op Arist.
5. Godsbewijzen
Godsbewijzen past in de scholastiek om te laten zien dat geloofswaarheden ook door de rede kunnen worden doorgrond.
Drie van de vijf godsbewijzen van Thomas komen van de filosoof Maimonides (1135 - 1204) , Joodse geleerde uit Cordoba, zelf beïnvloed dr Aristoteles.
A priori -> kennis die voorafgaat aan de ervaring.
A posteriori - > kennis die het resultaat is van ervaring. De thomistische godsbewijzen hebben een a posteriori karakter. Gods bestaan is op zich wel evident, maar niet evident voor de mens, gezien onze beperkte verstandelijke vermogens.
Eerste bewijs: Alles is in beweging; God als eerste beweger. (=onbewogen beweger van A.)
Tweede bewijs: Niets kan zichzelf veroorzaken. God als eerste oorzaak.
Derde bewijs: we zien in de dingen om ons heen dat ze vergankelijk zijn. Zij kunnen kennelijk bstaan en ook niet bestaan. Hun bestaan is contingent, niet noodzakelijk. Als ze noodzakelijk bestonden zouden ze altijd bestaan. Als alles een contingent bestaan zou leiden zou er niets bestaan. Dat wat de dingen tot bestaan heeft gebracht kan niet contingent zijn. Dus God als noodzakelijke oorzaak van de wereld.
Vierde bewijs: hiërarchie: God als meest perfecte wezen; bestaansnoodzaak
Vijfde bewijs: God als doeloorzaak. De instantie die de dingen naar hun doel leidt is God.
Godsbewijzen nemen een bescheiden plaats in als het gaat om tot kennis van God te komen. De functie van het godsbewijs is dus voornamelijk erin gelegen dat aangetoond kan worden dat de uitgangspunten van het geloof niet strijdig zijn met de rede.
In de moderne filosofie wordt ook nog aandacht besteed aan het opstellen van godsbewijzen.
Leereenheid 18 p.249
DE NATUURLIJKE NEIGING TOT HET GOEDE
Thomas wijkt onder invloed van Aristoteles radicaal af van de christelijke traditie en zorgt op ethisch vlak voor de meest vérstrekkende vernieuwingen waardoor het platonisch-christelijke denken definitief verandert. Het wereldbeeld van Thomas is teleologisch van aard.
Leerdoelen: inzicht hebben in
- de verschillen tss traditionele platonisch-christelijke ethiek en ethiek van Aristoteles
- de universaliënstrijd
- het teleologische wereldbeeld van Thomas en de eeuwige wet
- het natuurrecht
- de wijze waarop het natuurrecht te kennen is
1. De aristotelische uitdaging
De christelijke en de aristotelische ethiek zijn tegenovergestelden.
Aristoteles: de mens behoort te streven naar zijn natuurlijke doel: eudaimonia, geluk.
Dit geluk ligt in de zelfontplooing van de mens. De standaard voor wat ethisch is wordt daarmee binnen de mens zelf gelegd: hij moet leven overeenkomstig zijn aard en die proberen te vervolmaken (interne moraliteit).
Christelijke traditie: de maatstaven voor het goede leven liggen buiten de mens, in God. (externe moraliteit). Opvattingen over goed en kwaad volgen uit de geboden van God. Zij zijn per definitie niet uit de mens af te leiden want vanwege de zondeval is de mens een zondig wezen en het zondige mag niet ‘bloeien’. Thomas volgt de leer NIET dat de menselijke natuur door de zondeval en de erfzonde principieel onbetrouwbaar zou zijn.
Bij Aristoteles lag het goede leven in een zekere mate van rijkdom, vrienden etc. De christelijke moraal is ascetisch van aard. Afzweren van alle aardse bindingen.
Thomas probeert deze zienswijzen te verzoenen door de zondeval af te zwakken. Niet ontkennen, want dat zou ketterij zijn. De erfzonde is niet ongeneeslijk. De mens kan gereinigd worden. De menselijke natuur is volgens Thomas niet onbetrouwbaar want God heeft ons naar zijn voorbeeld gemaakt, de interne moraliteit is gelijk aan de externe moraliteit. De deugd vormt het midden tussen twee extremen. (cfr Aristotels)
Thomas geeft ook een iets andere definitie aan de eudaimonia. De beschrijving van Aristoteles is te wereldlijk geluk. Werkelijk geluk is een thuiskomen bij God. De mens streeft naar kennis van God (Plato)
Geluk dient als middel, niet als doel. Kennis van God is ware geluk, is het einddoel, is alleen in het hiernamaals te bereiken.
2. De universaliënstrijd – een debat over de status van algemene begrippen
Eén van de belangrijkste debatten in de middeleeuwen. Zijn begrippen slechts constructies of verwijzen zij naar reële enititeiten ? Is er zoiets als ‘de’ mens, zo nee hoe is dan de erfzonde te verklaren?
Extreem realisme: algemene begrippen verwijzen naar iets dat werkelijk bestaat - een concrete substantie
(platonische erfenis). In deze optiek worden individuele mensen gezien als een ‘modificatie’ van die ene substantie, de mens, als verschillende manieren van voorkomen.Nominalisme: algemene begrippen zijn namen zonder enige realiteit.
Kritiek van Petrus Abaelardus, het extreme realisme moet prijsgeven.
Gematigd realisme (Abaelardus, Avicenna, en ook Thomas):
1. Algemene begrippen bestaan in de geest van God (de ideeën-Plato).
2. Algemene begrippen bestaan als een soort of essentie van individuele dingen.
3. Algemene begrippen bestaan in onze geest als resultaat van een redeneerproces.
In de universaliënstrijd is Thomas een aanhanger van het gematigd realisme (niet nominalist!)
Het middeleeuwse realisme is van een heel andere vorm dan het latere ‘kentheoretisch’ realisme, hier vraagt men zich af of men überhaupt wel van een wereld buiten ons kan spreken. Realisten, ja; Idealisten, nee.
Het debat tussen het middeleeuwse begripsrealisme en nominalisme heeft een zekere verwantschap met het latere debat tussen kentheoretisch realisme en idealisme, maar is niet identiek.
Van belang bij Thomas is dat algemene begrippen ons in staat stellen de ideeën in Gods geest te achterhalen. Door zijn rationele vermogens heeft de mens deel aan de geest van God.
3. Een doelgerichte orde: de eeuwige wet
De thomistische filosofie is een teleologische filosofie: al de eigenschappen die wezenlijk zijn voor de vervulling van het doel van de soort zijn eigenschappen die het wezen van de soort uitmaken. Aristoteles ook teleologisch, maar toch verschillen:
Aristoteles: God (onbewogen beweger) als doeloorzaak
Thomas: God als bewegingsoorzaak (god als de schepper van het universum) én als doeloorzaak (God is het uiteindelijke doel waarnaar alle rationele wezens streven).
In het hiernamaals, wanneer we deel hebben aan het ‘intellect’, het zintuig van de engelen, zullen we God leren kennen.
Het teleologisch wereldbeeld: de hele natuur streeft naar vervulling van zijn doel: ook levenloze stenen bvb, of metalen... Moderne tijd een causaal-mechanisch wereldbeeld; verwijzen naar voorafgaande gebeurtenissen (metaal dat opwarmt bvb)
Teleologisch wereldbeeld; verwijzen naar toekomstige gebeurtenissen, naar doel dat God in de natuur ingeplant heeft: Gods plan is de eeuwige natuurwet lex aeterna
4. Het natuurrecht
Lex natura: hoe de mens zich behoort te gedragen. Het natuurrecht maakt deel uit van de lex aeterna, de natuurwetten.
De mens onderscheidt zich van de rest van de levende wezens door ratio en wil. De mens kan denken en kan daardoor gods plan doorzien, en hij heeft een vrije wil om zijn weg te kiezen tot God. In het menselijk leven zijn rationaliteit en vrijheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. De voorschriften die betrekking hebben op zijn handelen staan in het natuurrecht: beschreven in Summa theologiae.
De mens deelt met de planten en de dieren de neiging tot zelfbehoud; de mens deelt met de dieren de neiging tot seksuele omgang en het grootbrengen van de jongen; de mens onderscheidt zich van de overige natuur door het streven naar sociaal verkeer en kennis van God.
Thomas onderscheidt niet tussen zijn en behoren, en tussen beschrijven en voorschrijven, tussen ‘is’ en ‘ought’. Vanuit een beschrijving van de menselijke neiging leidt hij morele geboden af.
Natuurrecht vormt ijkpunt voor de menselijke handelingen, maar de specifieke omstandigheden waarin een handeling plaatsvindt spelen ook een rol in Thomas’filosofie.
5. De kritiek van David Hume
David Hume (1711 - 1776) levert kritiek op Thomas.
Van beschrijving, ‘de mens is ...’, naar voorschrijven, ‘de mens behoort ...’. Geen logische verantwoording.
Voor Thomas is er geen kloof tussen beschrijven en voorschrijven. Hij beschrijft de neigingen en strevingen niet de menselijke aard als iets vaststaands en onveranderlijks. In de teleologische filosofie is er geen kloof tussen zijn en behoren. In de eeuw waarin Hume leeft wordt de wereld al meer causaal beschreven.
Lex humana, door de mensen gemaakt recht. Ze vloeien niet voort uit het plan van God in de natuur: ze zijn dus geen onderdeel van het natuurrecht, maar om rechtvaardig te zijn moeten ze in overeenstemming zijn met het natuurrecht. Het Lex naturaele vormt het ijkpunt voor de lex humana.
6. Kennis van het natuurrecht
Natuurrecht gaat uit van de aard ofwel de natuur van de mens. De voorschriften van het natuurrecht zijn te ontdekken door het natuurlijke licht van de rede. Niet langer is de moraal alleen via goddelijke openbaring in de Heilige Schrift te kennen, maar men kan ze ook op eigen kracht leren kennen.
Speculatieve rede: (=natuurwet=alg.waar+alg bekend) Noodzakelijke waarheden. Algemene beginselen en de bijzondere conclusies zijn evident in zichzelf. De algemene beginselen van de speculatieve rede zijn universeel aanvaard, de bijzondere conclusies zijn dat niet, omdat niet iedereen op de hoogte is van wiskundige afleidingen.
Praktische rede: Alleen de algemene beginselen zijn evident in zichzelf. Bijzondere conclusies afhankelijk van de omstandigheden. Algemene beginselen alg aanvaard, de bijzondere conclusies zijn niet alg aanvaard.
De waarheid kan in bijzondere omstandigheden aangepast worden
(bvb diefstal kan goedgepraat worden)
Leereenheid 19 p.263
STAAT, KERK EN INDIVIDU
Doelen: inzicht hebben in
- doel en nut van de salmenleving
- de verhouding tussen staat en individu
- de verhouding tussen kerk en staat
- de rechtvaardiging van privé-eigendom
1. Algemeen welzijn
Augustinus: De aardse maatschappij, civitas terrena is uit noodzaak geboren. De staat als middel om te voorkomen dat de slechte mensen elkaar naar het leven staan. Geluk en ontplooiing enkel in civitas dei.
Aristoteles: De staat als middel tot het bereiken van eudaimonia.
Thomas sluit zich aan bij Aristoteles. De mens heeft de natuurlijke neiging tot samenleven. God heeft een sociaal wezen geschapen, opdracht is zijn sociale neigingen te verwezenlijken.
De staat is onderdeel van Gods plan
. Een noodzakelijk middel om binnen te kunnen treden in Gods rijk. In Thomas filosofie is de staat dus geen noodzakelijk kwaad om de natuurlijke aard van de mensen te beteugelen.De Regimine Principum over de heerschappij van vorsten.
als de mens alleen had kunnen leven was de rede alleen genoeg om tot God te komen;
maar de mens is een sociaal wezen;
samenleven kan niet zonder regels;
rechtvaardigheid gericht op het algemeen welzijn
monarchie, aristocratie en politia kunnen ontaarden in tirannie, oligarchie en democratie;
Rechtvaardige en onrechtvaardige maatschappijen worden onderscheiden in hun doel = het algemeen welzijn. Volgens Thomas is het algemeen welzijn een geschikt criterium om een regering te beoordelen.
Metafoor van het schip. God heeft de bestemming in de mens gelegd. Het enige wat de mens kan bepalen is de manier waarop dat doel bereikt wordt. Het gevaar hierbij is dat de mens zich door passies, driften en omstandigheden laat leiden.
De stad is een autarkische eenheid. Provincie is ruimer en beschikt over verdediging.
Thomas verlaat de gedachte van een universeel, christelijk, wereldrijk. (zoals Aug:Stad van God)
2. De verhouding tussen staat en individu
Het universum wordt bestuurd door de goddelijke voorzienigheid;
Fysieke lichamen worden door rationele wezens bestuurd;
Het menselijk lichaam wordt door de ziel bestuurd;
In de ziel worden hartstochten bestuurd door de rede;
In het lichaam worden alle ledematen door een lichaamsdeel bestuurd;
Een gemeenschap dient een eenheid te zijn, geen veelheid.
Het individu maakt deel uit van de gemeenschap en kan niet zomaar doen en laten wat hij wil.
Voor Thomas geldt het begrip van individuele rechten op vrijheid en gelijkheid niet (cfr totalitaire staat). De vrijheid vh individu wordt pas mogelijk in het geheel. Het individu kan pas werkelijk gelukkig worden binnen het geheel. Moet slechts gehoorzamen als het bestuur ‘rechtvaardig’ is. Binnen Th. van Aquino’s politieke filosofie kan het natuurrecht gehanteerd worden als maatstaf ter beoordeling van het heersende gezag. De regering kan worden getoetst aan het natuurrecht. Thomas beschrijft hoe men een tirannie kan voorkomen. Constitutionele garanties tegen de tirannie.
Dus:eenheid van bestuur, gehoorzamen aan natuurrecht (algemeen welzijn vd burger staat voorop), constitutionele garanties inbouwen.
3. De verhouding tussen staat en kerk
Kerk en staat hebben gescheiden domeinen op basis van gescheiden doeleinden.
Thomas houdt vast aan de theorie van de twee zwaarden. De aardse doelen vormen een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van de spirituele doeleinden.
Volgens Thomas is er geen fundamentele tegenstelling tussen het aardse en het goddelijke.
De staat is een onmisbaar instrument in het bereiken van aardse doelen die op hun beurt weer leiden tot het bereiken van de spirituele doelen die de mens ingeplant heeft gekregen.
Conflicten tussen wereldlijke en spirituele macht ? Pausen beschouwen zich als hogere macht, want hoger menselijk belang dan wereldlijke heersers.
Summa theologiae; moet men een afvallige of heidense koning gehoorzamen ?
Goddelijk recht gebaseerd op de genade; Menselijk recht gebaseerd op de rede.
Thomas kiest voor de suprematie van de kerk.
Geen tolerantie voor afvalligen. moeten door de kerk worden geëxcommuniceerd en aan het wereldlijke gezag worden overgedragen die hen vervolgens ter dood brengt.
4. Eigendom en handel
Economische bloei in de derteinde eeuw. Opkomst van zelfstandige en welvarende burgerij.
De weg naar God ligt in soberheid en ascese, niet in vergaring en genieting van rijkdommen.
Gemeenschappelijk (feodaal) eigendom versus privé eigendom.
Thomas: Alle dingen behoren uitsluitend aan God toe, de mens mag er gebruik van maken. De mens is de rentmeester van de natuur. Er zijn overwegingen waardoor privé eigendom een nuttige aanvulling kan zijn op het natuurrecht.
Algemeen welzijn als criterium voor de rechtvaardiging van eigendom.
Louter winstbejag is geen natuurlijk onderdeel vd samenleving
maar kan voor een goed doel worden ingezet.Handel is ethisch neutraal en kan als dusdanig aangewend worden voor een nuttig doel bvb door met de winst liefdadigheid te doen.
Handel en prive-eigendom zijn volgens Thomas dus niet ethisch verwerpelijk.
5. De invloed van Thomas
Thomas’ werk is doortrokken van de diepgaande veranderingen die toen plaatsvonden. Toch invloed verder dan 13e E. Rehabilitatie van de natuurlijke menselijke vermogens.
Heiligverklaring van Thomas in 1323. Zijn geschriften werden geïncorporeerd in de officiële doctrine van de rooms-katholieke kerk.
Zestiende-eeuws neothomisme. Natuurrechtdenkers (kan oplossing bieden, katholieken heersten over het heidense Zuid-Amerika).
19 + 20ste E. De encycliek Aeterni Patris van paus Leo XIII uit 1879 vormde het hoogtepunt in de renaissance van Thomas’ filosofie en theologie.
Buiten de katholieke kerk heeft zijn filosofie weinig aanhang gevonden.
Herhaling – leereenheid 20 p 279 volledig in boek lezen!