Hedendaagse filosofie Boek 3 p7
Twee invloedrijke stromingen die opkomen in de 19de eeuw:
- het positivisme: de natuurwetenschappelijke methode is toe te passen op alle gebieden en zal godsdienst en filosofie overbodig maken
- het marxisme: de mensheid zal door politiek te handelen de geschiedenis bewust kunnen vormgeven.
Filosofische persoonlijkheden:
- 19de E.: Kierkegaard, Schopenhauer, Nietzsche
- 20ste E.: Wittgenstein, Heidegger, Benjamin, Derrida
Hegel: de werkelijkheid is een dynamische ontwikkeling van voortdurend tegenstellingen en verzoening: op deze manier kan de ver boven het individu uitgaande geest zich in de loop van de geschiedenis steeds verder openbaren en zodoende tot zelfbewustzijn komen: de dialectische ontwikkeling van de geest tot zelfbewustzijn.
Leereenheid 35 p.11
NIETZSCHE, FILOSOOF VAN HET ONGEBREIDELDE LEVEN
1. Nietzsche’s leven en werk 1844-1900
Geboren 1844 te Röcken bij Leipzig. Vader predikant. Zuster Elisabeth twee jaar jonger.
Studie theologie en klassieke letteren. 1869 hoogleraar te Basel.
Eerste boek De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek (1872), werd slecht ontvangen.
Vriendschap en breuk met Richard Wagner. Wagners toenadering tot het christendom (in Parzifal) was voor Nietzsche onaanvaardbaar.
Zwakke gezondheid, vele ziekten.
Menselijk al te menselijk (1878). fragmentarische, heftige stijl.
Wilskracht als thema. Der Wille zur macht.
Gefascineerd door de natuurwetenschap, deze vertelt de onopgesmukte waarheid over het bestaan. Positivistische middenperiode: Morgenrood (1881), De vrolijke wetenschap (1882) verkondigt de dood van God, Voorbij goed en kwaad (1887), fascinatie voor de empirische wetenschappen.
Alzo sprak Zarathutstra (1883-1885) zijn belangrijkste werk. Hij wilde de christelijke godsdienst vervangen door een verering van de mens zoals deze in zijn ogen diende te zijn, de Übermensch. De nieuwe moraal moest de mens mooi, krachtig en soeverein maken.
De genealogie van de moraal (1887) geschreven in twintig dagen.
Afgodenschemering (1888), laatste aforismenboek.
1889: krankzinnig - Gestorven 25 augustus 1900.
2. Invloeden: Wagner en Schopenhauer
2.1 Richard Wagner
Wagner zou de geest van de griekse tragedies hernemen waarin de held zelfbewust en krachtig handelt maar ook de kracht heeft zich te voegen naar het noodlot dat voor hem is weggelegd. Het breekpunt met Wagner kwam met de opera Parzifal. Nietzsche zou het nooit verkroppen te buigen voor een wereld of macht die boven de aarde staat.
Er is maar één wereld. Geen transcendentie, alleen maar immanentie.
De mens is onderworpen aan krachten die sterker dan hemzelf zijn en waarop hij zijn wil moet afstemmen. Liefde tot het noodlot. Amor fati.
Deze thema’s komen terug in de vroege opera’s van Wagner. De menselijke helden van Wagner zijn niet aan de goden onderworpen maar zoeken hun eigen lotsbestemming.
2.2 Arthur Schopenhauer
Was ook in de tweede helft van de negentiende eeuw zeer in de mode. Greep terug op de filosofie van Kant. De wereld is ook voor Schopenhauer een voorstelling (Kants verschijning), maar ook een wil.
Kant beweert dat we over de werkelijkheid op zich niets kunnen zeggen. Idealistische filosofen als Hegel probeerden de denkende rede en de (volgens Kant onbekende) wereld weer bijeen te brengen en op één principe terug te voeren. Hegel noemde dat principe de 'absolute geest'. De geest heeft zich opgedeeld in denken en materie, in tegenstellingen etc., maar eens zal de geest weer samenkomen. Hegel invloed op Marx.
Schopenhauer breekt de door Kant gestelde grenzen open. De wil als levensprincipe (Die Welt als Wille und Vorstellung). De wil is datgene in de mens dat alles voortstuwt en in beweging brengt. De menselijke geest en de materiële wereld worden door de wereldwil bewogen.
De wil en zijn drang tot rusteloze verandering zijn eerder een bron van ongeluk dan van geluk. Aan die veranderlijkheid kunnen we niet ontkomen. Berusting is het enige dat rest. Schopenhauer zocht steun in het boeddhisme en vertaalde enige Veda’s.
Schopenhauer beschouwt medelijden en berusting als aangewezen weg uit een wereld van ongeluk. Nietzsche heeft de berustende houding van Sch niet overgenomen.
Ook de muziek speelt hier een belangrijke rol, omdat dit een beweeglijke en vergankelijke kunstvorm is en dus het beste het wezen van de werkelijkheid uitdrukt.
Nietzsche wil verzoening met de werkelijkheid, maar geen berusting. Het afstemmen van de wil op de werkelijkheid. De mens moet liefde koesteren voor het noodlot: Amor fati.
3. Presocratici als voorbeeld
Nietzsche keert zich tegen de verdubbeling van de wereld. Plato en Socrates laten zich meeslepen door de illusies van het logische denken: de begrippen. Deze lijken stabiel te zijn, maar kunnen onmogelijk wortelen in een wereld die voortdurend aan verandering onderhevig is. En daarom vond Plato de ideeënwereld uit. Die splitsing heeft verregaande ethische en metafysische consequenties.
De presocratici waren aan dit drogbeeld in veel mindere mate ten offer gevallen. De presocratici zijn nog niet ten prooi gevallen aan het dualisme van de verdubbelde wereld.
Herakleitos: panta rhei, alles stroomt. 'Men kan nooit twee maal in dezelfde rivier baden.', 'De oorlog is de vader van alle dingen’, de werkelijkheid is een geheel van elkaar tegenwerkende krachten. Krachtsverhoudingen regeren de werkelijkheid: deze strijd vormt de wereld die nooit in rust is. Nietzsche destilleert hieruit de wil tot macht.
4. De stroom van het worden
Volgens Nietzsche berust de begripsmatige identiteit van mensen en dingen op een constructie. In het denken geven we de wereld een stabiliteit die ze niet heeft, we bakenen vaste objecten af door ze te benoemen. Die identificatieoperatie levert ons ook een identiteit ‘ik’.
Herakleitos: de tijd is een onafgebroken voortgaand medium, waar alleen het nu bestaat. Alles is vluchtig, niets is blijvend. De beweging van ontstaan en vergaan noemen we tijd, ze lost iedere identiteit op.
5. Aristoteles tegen Herakleitos
Aristoteles meent dat het mogelijk is te bepalen wat de dingen in zichzelf op een gegeven moment zijn. Volgens Herakleitos en Nietzsche is dat onmogelijk. De oorlog is de vader van alle dingen, ofwel de wereld is een geheel van strijdende krachten.
Pure krachtsverhoudingen regeren de werkelijkheid. Kracht regeert de wereld. En ook ons denken over de wereld is op grond van die kracht- of machtsuitoefening tot stand gekomen.
Nietzsche laat Herakleitos spreken over een eeuwige wording, maar tegelijk spreekt hij over wetmatigheden en steeds gelijke banen van het recht. Het worden en het eeuwige liggen beiden in hetzelfde vlak. De wet van de wereld ligt in het worden en vindt daarin haar rechtvaardiging.
6. De noodzakelijke illusie
Over waarheid en leugen in buiten-morele zin. Kentheoretische ontwikkeling van Nietzsche’s filosofie.
Het is voor het menselijk bestaan van levensbelang de wereld te kennen. Onze begrippen zijn illusoir en metaforisch, maar onmisbaar om te overleven. Onze begrippen rusten op metaforen, maar mogen niet als nutteloos worden bestempeld. We vormen de werkelijkheid door namen en begrippen te formuleren. Dit is de leugen die ten grondslag ligt aan alle kennis.
Met het uitvinden van het kennen stelt de mens zichzelf centraal in de wereld. Hij is dan geen deel meer van die werkelijkheid.
De manier waarop we de wereld structuur geven is niet belangeloos. Zij is toegesneden op onze behoeften: antropomorfisme: we laten de wereld op onszelf lijken en zetten haar naar onze hand.
Nietzsche bekritiseert niet dat we met ons denken de wereld vereenvoudigen, maar dat we daarmee beweren dat deze vereenvoudiging het echte beeld van de wereld is.
De vorming en ordening van begrippen lijkt op een columbarium, hokjesgeest.
Begrippen ordenen zich tot een logische hiërarchie: daardoor ontstaat een systeem dat redeneren mogelijk maakt. We zullen de zekerheid nooit bereiken omdat we met de rede de werkelijkheid vervormen.
Nietzsche is een nominalist, begrippen zijn enkel namen en hebben geen realiteit. Hij beschouwt begrippen nog meer als product van onze behoeften en verbeeldingskracht.
De metafoor is in Nietzsche’s kentheorie van fundamenteel belang. Hier is niet meer de rede aan het werk, maar de verbeeldingskracht en dat is een esthetisch vermogen, geen logisch. Het gaat intuïtief te werk, op grond van indrukken van de wijze waarop de dingen zich tonen en de associaties die dat wakker maakt.
7. Nietzsche als psycholoog
Kennen is geen neutrale bezigheid, het is een instrument. Kennis is de verbinding tussen het denken en de werkelijkheid. Het heeft de taak de werkelijkheid zo te vervormen dat ze voor ons leefbaar wordt.
Nietzsche ziet zichzelf als psychoanalyticus: op zoek naar de verborgen drijfveren
Hij ziet de verborgen motieven achter de moraal
(achter de deugdzaamheid zit de verborgen wil tot macht).Paul Ricoeur: de drie meesters van het wantrouwen; Marx, Freud en Nietzsche.
De mens is geen voor zichzelf begrijpelijk, doorzichtig, denkend ik. Het ‘ik’ als een behoefte aan stabiliteit in de werkelijkheid bij Nietzsche wordt het ‘Es’ bij Freud.
Leereenheid 36 p 31
DE TRAGISCHE WERKELIJKHEID; OVER SCHOONHEID EN SCHIJN
1. De tragedie: orde en roes, Apollo en Dionysus
De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek (1872)
Plato en Socrates hebben de hele cultuur van Europa op een fatale wijze beïnvloed.
De presocratici durfden de onpeilbaarheid van het bestaan nog onder ogen te zien.
Plato en Socartes zochten naar houvast. Ze vonden dat in de leer van de ideeën en in een theoretische houding die de wetenschap heeft voortgebracht.
Dionysus, god van de chaos en roes. Apollo, god van de orde en de harmonie.
De Griekse tragedie was oorspronkelijk de uitdrukking van het redeloos en gewelddadig voortstromen van het leven. De oude Griekse tragedie: De held of heldin gaat ten gronde aan een onverzoenlijke tegenstelling waarin de goden hem of haar hebben geplaatst;
De tragedie vormt de religieuze uitdrukking van het besef dat de rede nooit definitief vat kan krijgen op de werkelijkheid. In de tragedie zijn het apollonische en het dionysische versmolten. Het dionysische gaf de tragedie haar kracht, maar het apollonische maakte haar mogelijk als vorm van kunst.
Later overheerst het apollinische in de Griekse kunst, vooral dankzij Euripides en Socrates. Apollo raakt, beroofd van zijn tegenhanger, ontaard.
2. De geboorte van de tragedie
Nietzsche gebruikt Plato’s visie op schijn en werkelijkheid. Onze dagelijkse realiteit is een afschaduwing van de primaire werkelijkheid, die Nietzsche het Oer-Ene noemt. In tegenstelling tot bij Plato is dit geen werkelijkheid van statische ideeën, maar juist van een onophoudelijk in beweging verkerend spel van krachten. Voor beiden is de werkelijke wereld schijn van schijn. Plato: werkelijkheid is schijn van ideëen+begrippenwereld. Nietzsche: in onze dagelijkse wereld scheppen we een illusoire schijnwereld waarin het worden tot staan is gebracht. De kunst en de droom is op te vatten als een illusie van een illusie of schijn van schijn.
Bij Nietzsche is het apollinische de schijn, het dionyische is de werkelijkheid. Hij draait Plato’s visie op schijn en werkelijkheid om en trekt radicaal tegenovergestelde conclusies.
Nietzsche heeft wel begrip voor deze illusie omdat het nodig is om te overleven. De grote fout van Plato is dat hij het dionysische verwaarloosd heeft.
Apollo is de verpersoonlijking van de menselijke hang naar zekerheid en helderheid: afbakening als kunstzinnig principe: het principe van de maat. Nietzsche duidt een wetenschappelijke en objectiverende houding aan als apollinisch.
De wetenschap is gebaseerd op een kunstmatig beeld van de werkelijkheid. De wetenschap zal op een bepaald moment aan haar grenzen komen. Ons denken kan geen greep hebben op een nimmer stabiele werkelijkheid. De logica bijt in haar staart. De ‘tragische’ kennis.
3. Nietzsche over kunst en schoonheid
In de tragedie zijn twee tendensen werkzaam: een apollinische die streeft naar orde, schoonheid en regelmaat, en een dyonisische die tracht alle orde en regelmaat teniet te doen in een liturgie van roes en oorspronkelijke chaos. Deze twee tendensen zijn volgens Nietzsche in alle kunstvormen, in verschillende mate, aanwezig.
Hij verbindt de muziek met het dionysische muziek en de beeldhouwkunst met het apollinische.
Schoonheid is volgens Nietzsche niet het belangrijkste in de kunst
. Kunst moet het wezen (tegengestelde krachten) van de werkelijkheid uitbeelden. Schoonheid behoort tot het apollinische, de hoogste vorm van schijn in de slechte zin van het woord.Naarmate de tragische kunst wijst op de overrompelende waarheid van de werkelijkheid, heeft ze werkelijk openbaringskarakter en komt ze het filosofisch inzicht het dichtst nabij.
Toch kan de kunstenaar het apollinische niet missen. Hij moet zijn dionysische inspiratie kunnen vormgeven.
Friedrich von Schiller (1759-1805): creativiteit is het resultaat van twee driften, Spieltrieb en de Formtrieb. Met andere woorden het dionysische en het apollinische.
4. Voorbij het dualisme: Nietzsche als positivist
Nietzsche is eerst nog een dualist, hij draait alleen maar Plato’s schema om.
In Morgenrood, De vrolijke wetenschap en Voorbij goed en kwaad krijgt hij belangstelling voor de wetenschap. Er is maar één werkelijkheid. De wetenschap probeert deze te beschrijven, men zoekt geen verborgen Hinterwelt.
Positivisme: Auguste Comte (1798-1857) Alleen dat wat zich in de werkelijkheid stelt, positioneert bestaat. Positief versus speculatief, niet negatief. Speculatieve en religieuze of metafysische stelsels hebben niets met wetenschap van doen.
De filosofie moet uitgaan van de éénheid van enkelvoudigheid van de wereld. Afrekening met de tegenstelling tussen zijn en schijn.
In Afgodenschemering (1888) geeft hij in telegramstijl zijn visie op de geschiedenis van de filosofie weer, de geschiedenis van het dualisme. De filosofie geneest langzaam van de dualistische ziekte, vooral dan in Nietzsche zelf.
5. Het perspectivisme
Het onderscheid tussen zijn en schijn verdwijnt. Alleen de empirische wereld is werkelijk.
Wanneer alleen datgene bestaat wat verschijnt, kan geen onderscheid worden gemaakt tussen waarheid en drogbeeld.
De wereld doet zich voor in een oneindig aantal verschijningsvormen. We nemen de wereld waar conform onze behoeften, belangen en gesteldheden. Kennen is een vorm van geweldsuitoefening.
Perspectivisme: er is geen objectieve waarheid meer. Ieder zíjn waarheid! Het perspectief is waar voor degene die het perspectief ontworpen heeft.
Waarheid is niets anders dan een illusie die gepaard gaat met een bepaald perspectief.
6. Nietzsche als retoricus
Het leven is een strijd waar ieder probeert de anderen te onderwerpen.
Nietzsche argumenteert niet: "Wat heb ik met argumenten te maken?". Hij gebruikt retorisch geweld waarmee hij zijn lezers probeert te overdonderen en te verleiden.
Logica is volgens Nietzsche ondergeschikt aan de retoriek. De logica maakt deel uit van een veel breder krachtenveld dat in de menselijke communicatie leidt tot overtuiging en overreding. Logica en argumentatie behoort tot slavenmoraal.
Nietzsche oreert in alle openheid, zonder te veinzen een redelijke of wetenschappelijke argumentatie te geven. Dat maakt het moeilijk met hem in discussie te treden, te meer omdat hij zijn visie nergens samenhangend heeft weergegeven. We begeven ons op het pad van de illusie van de ene waarheid zodra we begrippen gebruiken. Aan deze illusie kunnen we niet ontkomen, maar we moeten wel proberen de illusie steeds weer te doorbreken om ons bewust te blijven van het feit dat er niet één waarheid, maar slechts een perspectivisme van vele waarheden is. Daarom is zijn stijl fragmentaraisch, afwisselend, zonder afgerond geheel.
Leereenheid 37 p 47
DE OMKERING VAN DE MORAAL - NIETZSCHE’S ETHIEK
1. Nietzsche als moralist
In zijn natuurfilosofie, metafysica, kentheorie en esthetica verzet Nietzsche zich tegen iedere vorm van verdubbeling van de werkelijkheid.
Nietzsche verwijt Plato, Socrates en hun opvolgers onoprechtheid. Zij sluiten hun ogen voor de werkeljkheid en draaien hun toehoorders een rad voor ogen. Zij fnuiken het eigen verlangen van iedereen, dat uit is op kracht en macht, en buigen dat af naar een hiernamaals of een geloof in een sublieme moraal. De mensheid verandert hierdoor van sterke individuen naar een kudde schapen.
De priesterkaste, de moralisten. Moraal omwille van macht. Nietzsche’s moraalkritiek:
Moraal ontkent de menselijke werkelijkheid (de wil tot macht)
Moraal is een dekmantel voor machtshonger van de priesterkaste
De moraalpredikers vechten niet met open vizier. Ze ontkennen de wil tot macht, maar gebruiken de moraal voor hun eigen machtshonger. Ze laten mensen geloven in een schimmige bovenwereld die de werkelijkheid ontkent. De moraal bederft de gezondheid. Waarden worden geprojecteerd in een bovenwereld en raken daardoor hun kracht kwijt.
2. De genealogische methode
Over de genealogie van de moraal (1887).
Historisch onderzoek naar de oorsprong van de moraal. De geschiedschrijving is nooit objectief, zij draagt steeds een bepaald perspectief en een bepaald belang uit. De genealogische methode vraagt naar vooronderstellingen en machtseffecten van morele stelsels: hij wil de platonische, christelijke en burgerlijke moraal ontmaskeren.
Nietzsche heeft zich afgekeerd van de christelijke moraal. Dit hangt direct samen met een afwijzing van de bovenwerelden.
We hebben geen andere keus dan de wereld te beamen zoals hij is, inclusief alle leed. Alle bovenwerelden zijn bedacht om het lijden en het menselijk onbehagen te kunnen uithouden. Het hiernamaals werd de beloning voor het ontstane leed. Zo wordt lijden begeerlijk. Wat betekenen ascetische idealen dan nog? Wat is dan de waarde van de moraal zelf, de waarde van het onderscheid tussen goed en slecht?
3. Kritiek op de moraalfilosofen
Nietzsche heeft kritiek op de
utilistische moraal van de engelse filosofen: het begrip ‘goed’ heeft betrekking op de gevolgen van een bepaalde daad, haar nut. De utilisten gaan uit van de vooronderstelling dat het kwalificeren van een handeling als goed of slecht toekomt aan degenen die daarvan het voorwerp zijn. Dat is niet vanzelfsprekend. Het toekennen van namen aan de werkelijkheid is een uiting van macht. Het kwalificeren van goede en slechte daden komt dus aan de machtigen, de actieven, toe.Nietzsche verbindt goed en slecht aan het onderscheid tussen actieven en passieven.
De sterken en de handelenden gaan niet uit van het nut voor de ander of voor de samenleving, maar vanuit hun eigen gevoel van krachtsontplooiing, hun eigen verhevenheid en suprematie.
Hij suggereert dat er een omwenteling van ethische waarden heeft plaatsgevonden. De moraal van de zwakken overheerst de moraal van de sterken omdat de zwakken nu bepalen van ‘goed’ is of niet.
4. Het goede, het slechte en het kwade
Aanvankelijk bepaalde de sterke mens wat goed was: de oude riddermoraal, grootsheid, belangeloosheid, trots…
Nietzsche onderscheidt een aristocratische en een volkse of slaafse moraal.
De aristocaat streed voor zichzelf, maar niet uit winstbejag of zelfbehoud. Het slechte was het 'minne', het minderwaardige. Het 'slechte' volk kwam in opstand tegen de aristocraat door een subtiele omvorming van de moraal en de morele terminologie. Zij gingen een houding van duldzaamheid en onderworpenheid goed noemen, slecht was datgene wat er tegenover stond, de aristocraat. De omkering van de moraal.
Het pathos der distantie wijst op de afstand die de aristocraten kunnen nemen ten aanzien van de gevolgen van hun daden. Het volk moet altijd berekenend en omzichtig te werk gaan: typisch slavenmoraal is het begrip ‘nut’
De aristocratie heeft de kracht in zichzelf. Zij is de dominante kracht en bepaalt zo de werkelijkheid, die ze daarmee beaamt. Het ressentiment laat zich bepalen door iets van buitenaf (de herenmoraal) waartegen het reageert: het definieert zichzelf door nee te zeggen tegen datgene wat wél de kracht had om tegen het bestaan ja te zeggen. Voor werkelijke schepping heeft het volk geen kracht.
5. Moraal en ressentiment
Het ressentiment meent dat achter het handelen van een persoon een oorsprong schuil gaat die voor dat handelen verantwoordelijk is. Het subject is een neutrale abstracte instantie.
De hemel is een uitvinding van het ressentiment, dat de sterken gestraft wil zien. De illusie van het hiernamaals komt zo voort uit haat tegen de sterksten. Haatdragendheid van de slaven jegens de aristocraten.
Het slavenvolk leeft altijd in minne sentimenten, omdat het het pathos van de distantie niet kent.
6. Twee interpretaties van Nietzsche’s moraalkritiek
De realistische en de hypothetische interpretatie.
De hypothetische uitleg vat Nietzsche's genealogie van de moraal niet op als een waarheidsgetrouw relaas van de geschiedenis, maar een provocerende en tegendraadse fictie die ertoe aanzet om de claims van morele stelsels niet zonder meer te geloven. Goede bedoelingen, (onbewust) zelfbedrog uit eigenbelang en bewuste leugens zijn veeleer met elkaar verstrengeld dan netjes gescheiden.
Een realistische uitleg ziet Nietzsche's relaas als waarheidsgetrouw en tevens als bruikbaar concept voor het heden.. Inspiratiebron voor de proto-fascistische ideologie.
De realistische uitleg gaat uit van het individu. Dit is echter moeilijk te rijmen met Nietzsche's uitspraken dat het individu geen eenheid vormt maar is samengesteld uit vele drijfveren en machtsquanta.. Ook is het niet consequent om het door Nietzsche aanbevolen wantrouwen jegens iedere waarheid te laten varen in de omgang met de waarheden die hij zelf aanprijst.
We moeten de wereld accepteren zoals zij is en moeten aanvaarden dat wij in het spel der krachten zijn opgenomen. Niet als een willend individu, maar als een samenstel van krachten dat aan andere krachten om ons heen is blootgesteld. Dit is de kosmische-mystiek in Nietzsche's filosofie.
Voor beide interpretaties zijn argumenten aan te voeren. Nietzsche heeft zich nooit ondubbelzinnig hierover uitgelaten.
7. De paradoxale status van Nietzsche’s kritiek
Tegenstrijdigheid als gevolg van het retorische karakter van zijn werk.
Ook zijn moraal is perspectivistisch van aard, geen vaste standaard voor waarheid.
In zijn perspectivisme heeft de kritiek geen eigen fundament. Zijn en schijn zijn niet te onderscheiden. Zijn kritiek ondergraaft voortdurend haar eigen fundament, zaagt de tak door waarop zijzelf zit.
Leereenheid 38 p 59
NIETZSCHE’S TOEKOMSTVISIE EN INVLOED
1. De dood van God
Nietzsche verwachtte dat het nihilisme in de nabije toekomst een absoluut dieptepunt zou bereiken. Totale vervlakking en uitwissing van alle waarden.
Het nihilisme, het punt van totale onverschilligheid waar de platonisch-christelijke traditie instort.
Daarna een omslag in de figuur van Zarathustra. Hij verkondigt dat er slechts één wereld is en dat elke hoop op heil vanuit een bovenwereld ijdel is.
De dood van God maakt de weg vrij voor een nieuwe moraal.
De mensheid weet niet wat de dood van God impliceert. Het geloof van de atheïsten, ze noemen zich ongelovig, maar geloven nog altijd.
Perspectivisme: voorbij de tegenstellingen van schijn en wezen, waarheid en onwaarheid. Er is niet 1 waarheid, alle waarheid is schijn. De waarde van de aangehangene waarheid is de economie van de kracht die zij mogelijk maakt.
De ondergang van het christendom als gevolg van de christelijke moraal.
De Wille zur Macht is de laatste waarheid. De waarheid is het product van krachten. Waarheid is wisselend, nooit definitief, altijd partieel en partijdig, altijd perspectivistisch.
De perspectivistische waarheid is waar voor de ontwerper van het perspectief
. Deze waarheden zijn tegelijk waar en niet-waar, zijn en schijn.
2. De beaming van het leven
Aanvaarding van het leven en het lijden zoals het is, zonder berusting. Berusting was de oplossing van Schopenhauer en het boeddhisme, die N na zijn eerste geschriften is gaan verwerpen. Nietzsche wil het menselijk bewustzijn terugplaatsen in de natuur. De geest is een orgaan dat dient om het leven te kunnen leven. De mens bezit kennis om hem houvast te geven en redeneervermogen voor kracht en slimheid om de werkelijkheid te beïnvloeden. Kennis en rede als te ver doorgeschoten hulpmiddelen. Terugplaatsen in de natuur is correctie daarop.
Vitalisme: kende in de negentiende eeuw veel aanhangers. Nadruk op het belang van het biologische leven als meest authentieke vorm van de werkelijkheid.
De grote gezondheid -> een leven dat opgaat in de natuur en alle krachten instinctief goed gebruikt zonder ze laten af te tappen door een metafysische schijnwereld..
3. De herwaardering van alle waarden
De grote gezondheid veronderstelt een radicale ommekeer in ons denken en vooral de beleving van onze waarden. De absolute waarheid wordt door Nietzsche verworpen.
Het morele universum van de slaaf moet plaats maken voor dat van de aristocraat. De werkelijk aristocratische mens heeft eerbied voor zichzelf, voor de kracht in hem, die zich uit in zijn driften en behoeften en in de waarheden die hij projecteert op de wereld.
Geweld als deugd. Strijd is een intrinsiek gegeven van de natuur. Geweld met open vizier boven achterbaks geweld dat onder het mom van menslievendheid de mens knecht en breidelt. Dit betekent geen vrijbrief voor 'het blonde beest', een term uit de Genealogie van de moraal en dat door het nazisme is opgepakt.
Eeuwigheid is er niet en dus is de mens eindig en zal hij ondergaan. Met moet door pijn getuchtigd worden tot steeds sterkere liefde voor het leven zoals het is en niet zoals een zwakke wil zou wensen dat het was.
4. De Übermensch en de eeuwige terugkeer van hetzelfde
De bevestiging van het leven is onvoorwaardelijk.
De ultieme test voor deze wil tot leven is de vraag of men het leven, smartelijk als het is, eventueel oneindig zou willen herhalen, steeds opnieuw, nooit beter of slechter dan het nu is.
De eeuwige terugkeer als hypothese en als ‘werkelijkheid-alsof’. In De vrolijke wetenschap brengt Nietzsche de eeuwige terugkeer van hetzelfde leven in hypothetische vorm, in Also sprach Zarathustra behandelt hij het als een vaststaand gegeven, een dogma.
De Übermensch als vertolking van deze wil, de mens die het leven ten volle beaamt.
Centraal in de doctrine van Nietzsche staat het besef:
dat zijn en schijn onlosmakelijk met elkaar verweven zijn;
dat er slechts één wereld is, waarmee we zullen moeten leren leven;
dat deze wereld een wereld van wording en een blind spel van krachten is, waarvan wij zelf de produkten en dragers zijn;
dat wij deze krachten niet mogen verloochenen, maar zowel de bevrijdende (kracht, vreugde, dominantie, sterkte) als de smartelijke (leed, onherstelbaar verlies) kanten daarvan moeten omarmen;
dat de beslissende vraag of wij tot deze roeping van de Übermensch in staat zijn, ligt in de vraag of wij het leven zoals dat is in een eindeloze herhaling zouden willen leven;
dat elke verleiding om een bestaan en rechtvaardiging daarvan te zoeken buiten de zuivere natuurlijkheid van de mens een verzwakking van het leven is;
Zarathustra is sterk en trots maar komt toch van de bergen naar onder. Hij daalt af van zijn ivoren toren en mengt zich onder de mensen in wie hij zal ondergaan.
De behoefte zich als individu te identificeren en zich boven alles te verheffen is een laatste vorm van de illusie waarmee het waarheidsdenken afzonderlijke elementen van de werkelijkheid afbakent en onveranderlijk verklaart. N wil het subject als een morele illusie ontmaskeren.
In plaats van een herenras van Übermenschen tekent zich, in het verlengde van deze ondergang van Zarathustra en de door hem gepreekte nieuwe mens, eerder een toekomstmens af die met de wereld vervloeit, zich van zijn onlosmakelijke verbondenheid met het kosmische spel der krachten bewust is en dit zonder voorbehoud beaamt en wil.
Dit maakt het onmogelijk om de Übermensch te interpreteren als een zelfstandig, trots en alles aan zich onderwerpend individu dat de heer van de wereld zou willen zijn.
Een coherente interpretatie van Nietzsche's ideeën wijst eerder in de richting van een kosmisch bewustzijn en een niet christelijke mystiek dan die van een politiek en maatschappelijk regime van gewelddadige ego's.
5. De receptie van Nietzsche’s werk
Het begin van zijn beroemdheid valt vrijwel meteen samen met zijn dood.
Nietzsche als dichter-profeet. Vooral in het begin vd 20ste E
. Invloed op diverse Duitse dichters.Nietzsche als ideoloog. Zijn filosofie wordt door het opkomende nazisme misbruikt. Dit wordt krachtig gesteund door zijn zus Elisabeth. Na de oorlog moet zijn filosofie worden gedenazificeerd. In de voormalige DDR waren zijn boeken tot aan de val van de muur verboden.
In Amerika wordt aandacht besteed aan zijn metafysische en kentheoretische ideeën.
Nietzsche als anti-metafysicus. In 1961 verschijnt een belangrijke studie over zijn werk door Heidegger. Hij kenmerkt N als de laatste metafysicus. N gelooft echter nog steeds aan een laatste metafysich principe, de wil tot macht.
Nietzsche als criticus en als mysticus. In Frankrijk ontstaat een links georiënteerde interpretatie van zijn werk. Centraal staat de idee dat het denken zich uiteindelijk op niks kan baseren. Vooral George Bataille.
Nietzsche als inspiratiebron van het postmodernisme. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw ontstaat de postmoderne beweging. Centraal hierin staat het perspectivisme in Nietzsche's filosofie en het wezenlijk metaforische karakter van de taal. Deleuze, Foucault, Derrida, Lyotard.
6. Conclusie
Paradox in Nietzsche’s denken:
De Übermensch en de menselijke macht versus het inzicht dat de mens ingebed is in een krachtenspel groter dan hemzelf.