Leereenheid 29 p 121

KANT ALS VERTEGENWOORDIGER VAN DE VERLICHTING

Leerdoelen: volgende vragen kunnen beantwoorden:

- Wat verstaat Kant onder kritiek en onder Verlichting? Wat is het verband tussen beide?
- Wat zijn de kenmerken van apriorische en empirische uitspraken?
- Welk filosofisch probleem ligt er volgens Kant in de grondslagen van de moderne natuurwetenschap?
- Is Kant met betrekking tot het vraagstuk van de natuurwetenschappelijke kennis empirist of rationalist?
- Waarom introduceert Kant het onderscheid tussen ‘Ding an sich’ en verschijning?
- Wat verstaat Kant onder metafysica? Is Kant uitsluitend de vernietiger van de metafysica of probeert hij de metafysica ook te verdedigen?
 

1. Kants leven en werk

Immanuel Kant, geboren op 22 april 1724 te Königsberg, Kaliningrad, overleden op 13 februari 1804.

1770 Hoogleraar metafysica en logica
1781 Kritik der reinen Vernunft (bekritiseert de traditionele metafysica)
1785 Grundlegung zur Metaphysik der Sitten,

1788 Kritik der praktischen Vernunft (het geweten en het bewustzijn zijn de bronnen van onze religieuze en morele overtuigingen)
1790 Kritik der Urteilskraft (esthetica en theorie van de doeloorzakelijkheid)

Kants gepubliceerde werk omvat zeer veel meer dan de genoemde geschriften, systematische verhandelingen over natuurfilosofie, ethiek, rechts- en godsdienstfilosofie, recensies en talrijke beschouwingen over actuele kwesties.


2. Eerste terreinverkenning

In Kants filosofie zijn kenleer, metafysica, ethiek en esthetica nauw met elkaar verweven.

2.1 Kritiek en verlichting
Kritiek is het sleutelwoord van Kants filosofische onderneming. (en van de 18de eeuwse Verlichting)
Kritiek is het maken van onderscheid tussen waar en onwaar, rechtvaardig en onrechtvaardig. Kant gebruikt het begrip kritisch niet in de betekenis van ‘negatief tov bestaande regels’
Kant legt de nadruk op de morele dimensie van de Verlichting.

Kant bestrijdt niet de uitgangspunten van de Verlichting.

Handelen en oordelen uit eigen inzicht. De mens dient zelf denker te worden, vrij van religieuze en wereldlijke autoriteiten die onkritisch aanvaard worden.

Kant heeft de Verlichting omschreven als de bevrijding van onmondigheid die de mens zichzelf heeft aangedaan.

3. Empirische en apriorische kennis

a posteriori empirische kennis, door ervaring verkregen kennis, gebaseerd op zintuiglijke waarneming. Empirische generaliseringen hebben enkel een ‘comparatieve’ algemeenheid (vergelijking van een eindig aantal gevallen)

a priori kennis: inzichten die uit de rede zelf ontspringen, dus hun geldigheid niet aan de ervaring ontlenen en ook niet door de ervaring kunnen weerlegd worden, ook niet aan goddelijke openbaring te danken zijn.

A priori ware uitspraken zijn noodzakelijk en universeel. Géén uitzonderingen op de regel.

Formele uitspraken van de meetkunde en wiskunde gelden als a priori. Formele logica ook.

Zijn er nog andere domeinen waar apriori uitspraken geldig zijn? Kritiek van de zuivere rede is het onderzoek naar de omvang en grenzen van het a priori kenbare.


4. De filosofie in het spanningsveld tussen empirische uitspraken en rationalisme

De kritiek van de zuivere rede komt voort uit een situatie van crisis met betrekking tot de omvang van de a priori kennis. Factoren die de situatie typeren waarin Kants filosofie is ontstaan: opkomst van de experimentele en mechanicistische natuurwetenschap;

opkomst van het filosofische empirisme en sensualisme (=bewustzijnsinhouden gebaseerd op zintuiglijke indrukken);

crisis van de rationele metafysica van Leibniz en Wolff.


Het probleemlandschap van Kants filosofie: strijd tussen empirisme en rationalisme.
Empirisme: ervaring als voornaamste bron van normbesef. Rationalisme: de zuivere rede als bron van metafysische kennis en van ethische en esthetische normen. Rationalisme neigt tot absolutisme, het empirisme tot scepticisme. Kant combineert empiristische en rationalistische elementen.


5. De vier hoofdproblemen van Kants filosofie


5.1 Het probleem van de natuurwetmatigheid
Natuurwetenschap volgt twee overtuigingen: ervaring en experiment verschaffen inzicht in structuur van de werkelijkheid, er is geen willekeur in de natuur, de natuur verloopt wetmatig.

Echte kennis is van schijnkennis daardoor onderscheiden dat zij met de feiten, de ervaring, overeenkomt. Probleem is : is de mens dan ook onderworpen aan de wetmatigheid van de natuur? Maar deze uitspraak claimt universaliteit en dat kan niet vermits ze op ervaring gebaseerd is.
Bestaan er a priori principes van de ervaring en hoe zijn die principes mogelijk?
Kant is empirist voor zover hij ervaring als bron van kennis van de werkelijkheid beschouwt. Hij is echter rationalist voor zover hij meent dat de werkelijkheid, die in de ervaring gegeven is, wordt bepaald door principes die niet uit ervaring afkomstig zijn, maar a priori van aard.

5.2 De algemene geldigheid van ethische en esthetische normen
Normatieve uitspraken over morele juistheid en over schoonheid zijn met een aanspraak op algemene geldigheid verbonden. Kant zoekt a priori beginselen van ethisch en esthetisch normbesef. Hij wijst de sensualistische benadering af. Hier is hij dus rationalist. Kant heeft dus niet de sensualistische stelling overgenomen dat normatieve overtuigingen te herleiden zijn tot de waarnemig en tot subjectieve gewaarwordingen.

A priori principes spelen volgens Kant ook in de esthetica een rol.

5.3 Het probleem van de vereniging van vrijheid en natuurnoodzakelijkheid
Kant wil de in de natuur aangetroffen wetmatigheid op a priori beginselen funderen.
De hele natuur en de mens zijn aan de causaliteit onderworpen. In strijd met de vrije wil?
Kant wil de these van het determinisme en de these dat de mens vrij is met elkaar verzoenen door een verschil te maken tussen het Ding an sich en de Erscheinung, ook wel de noumenale en de fenomenale wereld, in de zin van Plato en zijn ideeënwereld.

Aan de verschijningen ligt een onkenbare wereld van de Dinge an sich ten grondslag.
De mens als Erscheinung is aan het determinisme onderworpen, de mens als Ding an sich geeft hem vrijheid.
Kant wil een deterministische natuurbeschouwing combineren met menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid.

5.4 Het probleem van de metafysica
Metafysica claimt te beschikken over kennis van toedrachten (God, onsterfelijkheid van de ziel, vrijheid van handelen) die buiten het gebied van de ervaring en het wetenschappelijke kennen liggen. De rationele metafysica claimt dat deze objecten op zuiver rationele gronden kenbaar zijn.

Kant bestrijdt dit: volgens hem zijn de objecten van de metafysica niet waarlijk kenbaar.

Kant sluit zich bij de empiristen aan voor zover hij de mogelijkheid van metafysische, zuiver rationele kennis verwerpt.
Metafysische begrippen corresponderen volgens Kant niet met de ervaring en zijn dus leeg, maar ze zijn ook geen willekeurige verzinselen van de verbeelding. Het zijn begrippen die met de rede noodzakelijkerwijze verbonden zijn: ideeën van de rede zijn metafysische ideeën die de rede noodzakelijkerwijs vormt.
Kant sluit zich aan bij de empiristen in zoverre dat hij de mogelijkheid van metafysische zuiver rationele kennis verwerpt. Maar hij verschilt op 2 gebieden van de empiristen:

- hij houdt vast aan de mogelijkheid van a priori kennis, maar deze beginselen zijn principes a priori van de ervaringskennis (niet uit ervaring afkomstig, maar wel op ervaring betrokken.
- hij beschouwt de wereld van de ervaring als een verschijning. Daarnaast bestaat ook de wereld van de Dinge an sich.
De kenbaarheid van God, de onsterfelijke ziel en de vrijheid wordt door Kant bestreden, maar niet de mogelijkheid dat ze zouden kunnen bestaan in het noumenale rijk van de Dinge an sich.

Kant heeft nu de metafysica als theoretische wetenschap vernietigd en wil ze via het morele bewustzijn terug herstellen.
Moreel bewustzijn als grondslag om toch een metafysica op te bouwen.
Vrijheid is geen object van kennis, de kenbare wereld wordt door de causaliteit beheerst.
Vrijheid is een noodzakelijke voorwaarde voor de geldigheid van zedelijke normen: wie zichzelf als wezen met morele normen begrijpt, moet zichzelf verantwoordelijkheid en daarmee ook vrijheid toeschrijven. Kant neemt aan dat deze vrijheid bestaat vanwege dit feit.

 

Leereenheid 30 p.135

KRITIEK VAN DE ZUIVERE REDE

 

Leerdoelen: inzicht verkrijgen in:

- het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen en de specifieke problematiek van synthetische oordelen a priori
- de betekenis van de zogenaamde ‘copernicaanse wending’
- Kants begrip van de rede en het verband tussen rede en onvoorwaardelijkheid
- de argumentatieve structuur van Kants ontvouwing van de antinomie van vrijheid en natuurnoodzakelijkheid
- Kants tactiek om deze antinomie op te lossen

1. Kants leer van de a priori beginselen van de ervaring

Verbinding tussen empirisme en rationalisme.

Analytische oordelen zijn a priori; met de rede verkregen; verhelderingsoordelen, Erläuterungsurteile bvb alle lichamen zijn uitgebreid (uitgebreid is noodzakelijk element van lichaam – we kunnen dit weten door analytisch na te denken over begrip lichaam)
Synthetische oordelen zijn buiten de rede; empirisch, verruimingsoordelen, Erweiterungsurteile bvb alle lichamen zijn zwaar : synthetisch a posteriori

Synthetische oordelen a priori. Deze vormen het probleem. Claimen strikt algemene geldigheid. bvb Alles wat gebeurt heeft een oorzaak: is een synthetisch oordeel omdat in het begrip 'gebeuren' de term 'oorzaak' niet ligt besloten. Hoe zijn synthetische oordelen a priori mogelijk?

Synthetische oordelen a priori kunnen pas worden gerechtvaardigd als men de ‘copernicaanse wending’ uitvoert.

Kant beschouwt zijn revisie van de kentheorie als een ‘copernicaanse wending’

De copernicaanse wending: de rede schrijft aan de verschijnselen een bepaalde structuur voor. Aan de menselijke geest wordt het vermogen toegekend om de beginselen die het zoeken naar een wetmatige structuur mogelijk maken, op te leggen aan het aan de zintuigen gegeven waarnemingsmateriaal. Omkering van de gangbare opvatting dat causaliteit aan ervaring zou ontleend moeten worden, wat niet mogelijk was.

Het causaliteitsbeginsel is objectief geldig, het dient te worden toegeschreven aan de menselijke geest en niet aan de ervaring.

De wetgevende activiteit van het verstand, twee vooronderstellingen:

- Het bewustzijn beschikt over categorieën die de ervaring ordenen. Het menselijk gemoed beschik over bepaalde begrippen zoals causaliteit, ding, eigenschap enz.. (vs Locke) De categorieën (Evenals Aristoteles is Kant van mening dat het bewustzijn beschikt over categorieën die de ervaring ordenen) gaan logisch vooraf aan de ervaring, niet chronologisch (geen aangeboren ideeën : vs Descartes);

- aan iedere ervaring ligt een synthetische activiteit van het bewustzijn ten grondslag. De zintuigen nemen alleen het nu waar, de ervaring van de opeenvolgende indrukken vooronderstelt een synthetiserende, verbindende, activiteit aan de kant van het subject.

Ervaring is slechts mogelijk als de zintuiglijke indrukken door middel van de categorieën worden gevormd. Synthetische uitspraken a priori zijn mogelijk op basis van deze synthetiserende activiteit van het subject.


Problemen van het synthetische a priori

A priori geldige beginselen van de ervaring: paradoxaal? Ervaring leidt immers toch maar tot ervaringshypothesen, niet tot algemeen geldig begrip. Uitspraak uit ervaring: ‘Tot nu toe hebben we vastgesteld dat droog kruit bij een hoge temperatuur tot explosie komt.’ Dit geeft een causaal verband aan tussen droog kruit en temperatuur.
Het causaliteitsbeginsel is a priori geldig. Dus volgt uit bovenstaande empirische uitspraak een a priori. (Maar de ervaring bepaalt hoe de causale wetmatigheden eruitzien).

Probleem: Kant kan zijn eigen doel: het bewijs dat synthetische oordelen a priori mogelijk en geldig zijn, niet bereiken.


3. Kants kritiek op de rationele metafysica

3.1 De ideeën van de rede
Bij Plato, Hegel en Marx is de dialectiek een manier om tot de waarheid door te dringen. Volgens Kant is de dialectiek de logica van de schijn :Kant geeft andere invulling aan dialectiek dan Plato: dialectisch zijn de redeneringen die tot ongeldige resultaten leiden en die toch met de schijn van overtuigingskracht zijn uitgerust.
Rede als vermogen tot redeneren: om uit logische voorwaarden (premissen) conclusies (onvoorwaardelijke) te kunnen afleiden. Ge kunt voorwaarden en onvoorwaardelijk niet enkel in deze logische zin gebruiken, maar ook metafysisch: een gebeurtenis is het gevolg van een andere, deze is dan weer volgens het causaliteitsbeginsel veroorzaakt door een vorige gebeurtenis enz.. tot op het punt dat de rationele fysica zich verstrikt in de dialectische schijn door te zeggen dat er dan wel een eerste beweger moet zijn: het bestaan van het onvoorwaardelijke wordt zo uitgelegd aan de hand van het voorwaardelijke: dit is een foute redenering omdat het onvoorwaardelijke nooit in de ervaring gegeven is.

De metafysische idee van een eerste oorzaak is leeg.

De causaliteit is zo een idee van de rede, ook de eerste oorzaak, het begrip vrijheid edm...

3.2 De antinomieën van de zuivere rede
Antinomie is een tegenstrijdigheid tussen twee oordelen die beide waar lijken, of een tegenspraak tussen twee wetten.
Door de dialectiek van de rede is de metafysica in tegenstrijdigheden verstrikt geraakt.
Drie terreinen waar de rede ten onrechte meent het onvoorwaardelijke te kunnen aantreffen:

- de rationele psychologie (absolute eenheid ziel dus onsterfelijk),
- de kosmologie (metafysische natuurleer) en (bvb causaliteitsprincipe)
- de filosofische theologie (godsbewijzen).

Binnen de kosmologie zijn er volgende antinomieën:

- er bestaat geen vrije eerste oorzaak vs er bestaat wel een eerste oorzaak: beide theses kunnen bewezen worden (sleutel is Ding an sich vs verschijning)
- is de wereld in tijd ontstaan en dus eindig, of is ze oneindig: voor beide stellingen zijn er goede argumenten: Kant zegt dat beide onjuist zijn omdat ze alletwee steunen op een vooronderstelling die onjuist is: de wereld is immers geen gegeven geheel.

De wereld die wij kennen, die van de verschijningen, is geen gegeven geheel. De kenbare wereld is geen Ding an sich, maar louter een constructie van de menselijke geest. De wereld is een verschijning waar elke nieuwe ervaring iets aan toevoegt, steeds in wording.

De antinomie van de eindigheid en oneindigheid: de wereld is geen Ding an sich, is een verschijningsvorm gebaseerd op ervaring: de uitspraak eindig of oneindig heeft geen geldigheid.

3.3 Antinomie van vrijheid en natuurnoodzakelijkheid
De twee tegensprekende stellingen kunnen beide waar zijn door toepassing op verschillende objecten, het Ding an sich en de Erscheinungen. Vrijheid (verantwoordelijkheid als persoon) is Ding an sich en de verschijnselen zijn aan de causaliteit gebonden. (determinisme is dus niet beperkt tot de dode natuur) Het past voor Kants ‘ethiek’ om vrijheid ‘waar’ te beschouwen.

Transcendentaal: in Kants filosofie de term voor wat a priori in het kenvermogen aanwezig is de ervaring overstijgend, bovenzintuiglijk.

3.4 Een reconstructie van Kants redenering
These: vrij, spontaan handelen is mogelijk. De aanname van een eerste vrij-handelende oorzaak.
Oneindige keten van oorzaken is onmogelijk want dan bestaan er geen eigenlijke oorzaken meer, alleen maar gevolgen. Het causaliteitsbeginsel blijft gehandhaafd dus bestaat er een eerste oorzaak die vrij is en geen eigen oorzaak heeft.

Antithese: er bestaat geen vrijheid, alleen noodzakelijkheid.
Vrijheid -> het vermogen om een reeks van gebeurtenissen in de wereld absoluut te laten beginnen (spontaniteit). Een spontane oorzaak is alleen door zichzelf tot handelen bepaald. Dit is in strijd met het causaliteitsbeginsel. De invoering van de vrije handeling wordt opgeheven omdat dit het principe van de causaliteit schendt. Wie vrijheid als een mogelijke oorzaak toelaat opent de deur voor niet-wetenschappelijke verklaringen van natuurlijke verschijnselen. De aanname van een eerste oorzaak is dus in strijd met het beginsel dat alles in de natuur zich volgens wetten voltrekt.

Kant stelt voor de antinomie op te lossen door de mens en zijn handelingen vanuit verschillende perspectieven te bezien: enerzijds als gegevens in de wereld van verschijningen, en dus aan causaliteit onderworpen, en anderzijds als gevolgen die afkomstig zijn van de bovenzintuiglijke grondslag van de verschijnselen.


4. Een kritische terugblik

Is er geen tegenspraak tussen enerzijds de mens als niet (causaliteit) en als wel (vrij handelend) verantwoordelijk voor zijn daden? Volgens Kant is de mens een burger van twee werelden.

vb biljartbal: elk zijnde heeft een bepaald karakter, een wet van haar causaliteit. De causaliteit beroept zich op die wet, op de aard van de dingen, maar zoekt niet naar de oorsprong van de wetmatigheden. Causaliteit is daarom niet strijdig met vrijheid van oorsprong. Dus de mens kan causaal bepaald zijn en toch vrijheid van handelen hebben en verantwoordelijk zijn. De stelling dat de mens een burger van twee werelden is, berust dus op een voor Kant aanvaardbare antinomie.

Kant beschouwt de mens als burger van twee werelden. Het verschil is dat in de ene wereld de mens wordt gezien vanuit perspectief van de analytische oordelen en in de andere vanuit perspectief van synthetische oordelen. Deze stelling is onjuist. want de antinomie van vrijheid en noodzakelijkheid wordt opgelost door de mens te bekijken vanuit perspectief: als factor in het natuurgebeuren en als uitvloeisel van de werkzaamheid van de dingen op zichzelf.

 

 

Leereenheid 31 p.151

KANTS ETHIEK

1. Kants fundering van de ethiek

Zoekt naar algemeen geldige a priori. De leer van de twee werelden, de fenomenale en de noumenale wereld wordt ook gebruikt in de moraal.

Vrijheid en verantwoordelijkheid blijken uit het zedelijk bewustzijn.
Het bestaan van zedelijke normen kan niet bewezen worden. Want slechts die handeling wordt zedelijk genoemd die omwille van het goede zelf wordt voltrokken.

Een zedelijk beginsel moet algemeen geldig zijn om als ethische theorie te gelden.

Hiermee zet Kant zich af tegen het sensualisme die het zedelijk besef op gevoelens of op een moreel zintuig wil terugvoeren: Kant zegt dat enkel de rede met algemeen geldende principes kan werken. K zoekt dus ook in de ethiek naar een transcendentaal (in het kenvermogen aanwezig) beginsel.
De wil van God als oorsprong van geldigheid van morele normen wordt afgewezen. Er moeten bij een theologische fundering van de moraal buitenmorele drijfveren in het spel komen, zoals uitzicht op beloning of straf, om de mens tot zedelijk handelen te dwingen. Hiermee gaat alle zedelijkheid verloren.

Kants ethiek is autonoom; de rede zelf is wetgevend vs heteronoom (God legt norm op).


2. De categorische imperatief

Is het uit de rede voortkomende zedelijke beginsel.
Imperatieven zijn bevelen, categorisch is algemeen geldig.
Hypothetische imperatieven zijn aan voorwaarden verbonden en hebben een subjectieve waarde. Categorische imperatieven zijn algemeen geldend en onvoorwaardelijk.
Kant stelt dat een categorisch imperatief een zuiver formeel beginsel zou moeten zijn, niet inhoudelijk bepaald. Kants ethiek is daarom formalistisch.

(indien een imperatief een inhoudelijk beginsel vooronderstelt, dan kan het volgens Kant enkel hypothetisch zijn en dus niet algemeen geldend)
Kants categorisch imperatief toont aan dat de mens niet autonoom is: onjuist:heeft met mekaar geen uitstaans.

Inhoudelijke of materiële bepalingen kunnen nooit de grondslag vormen voor een ethische wet. Een materieel beginsel is altijd gebaseerd op subjectieve voorkeur en geldt hypothetisch, niet algemeen. Subjectieve voorkeur valt samen met eigenliefde.

Formele en inhoudelijke (materiële) bepalingsbeginselen, Bestimmungsgründen.
De mens handelt niet willekeurig, is voornamelijk gericht op de inhouden, materie.
Om de wil te bepalen moet de inhoud lust of plezier oproepen. Principes van zelfliefde, egoïsme.

Morele imperatieven gelden voor ieder redelijk wezen. Ze mogen daarom niet op ervaring of materiële handelingsprincipes berusten. Kants ethiek berust op de gedachte: het principe van de wet zelf is het principe van de zedelijkheid. De categorische imperatief wordt gevormd door het principe van de wetmatigheid zelf. De categorische imperatief is een uitdrukking van de redelijkheid zelf. De categorische imperatief: handel zo dat de stelregel van je handelen als algemene regel kan gelden.


3. Het toepassen van de categorische imperatief

Een maxime (leefregel, handelingsregel) dat zichzelf ondergraaft is niet geschikt en dus onethisch.
Elk maxime dient aan de toets te worden onderworpen of ze wel tot algemene wet verheven kan worden: gedachtenexperiment. De individuele handeling dient getoetst aan de categorische imperatief.
Iedereen moet zich met betrekking tot zijn handelingen als mogelijke wetgever beschouwen, alsof zijn handelingen een algemene wet zouden leveren.
Kan mijn maxime tot algemene stelregel verheven worden of heft ze zichzelf op wanneer ze als algemene gedragsnorm wordt gedacht. Kant redeneert niet pragmatisch. De volgende stelling is onjuist: Kants ethiek wordt niet zozeer gekenmerkt door formele argumenten als wel door een pragmatische redeneerwijze.


De categorische imperatief is een uitdrukking van de redelijkheid zelf.


4. Historische achtergronden van Kants ethiek

Kants ethiek vormt een impliciete kritiek op het feodalisme (verlichting). Een wet die de belangen van één bepaalde groep in de samenleving ten koste van anderen priveligeert kan onmogelijk een wet worden genoemd.


5. Verplichtingen jegens de medemens

Maxime: ik wil niemand helpen die in nood verkeert. Heft zichzelf niet op en is dus een categorisch imperatief. Maar: Kant stelt de regels zo op dat hulpvaardigheid een plicht is.


6. De psychologische achtergrond van Kants formalisme

Sensualistische psychologie van belang voor Kant. Altruïstische daden worden door deze stroming verklaard als berekenend egoïsme. Inlevingsvermogen en medelijden worden ontmaskerd als verhullingen van het eigenbelang.

Aan de psychologie voegt Kant alleen de -puur formele- rede als grondslag voor handelen toe. Hij heeft minachting voor emotie en het emotionele.
Kants afkeer van het emotionele en affectieve zijn echter gemotiveerd door het inzicht dat de mensen ook bij antipathie de belangen en verlangens van anderen dienen te respecteren.
Kants zedenwet impliceert respect voor anderen. Hij heeft de verschillende gerichtheid van gevoelens van pijn en plezier niet voldoende onderkend.


7. Kants praktische metafysica: het hoogste goed en Kants morele godsbewijs

Kants ethiek is die van de autonomie: zedelijk principe berust op de rede – niet op de wil van God (heteronomie):maar Kant wil ethiek en godsdienstige overtuiging wel gekoppeld houden – de moraal theologie zal het bestaan van God, van de vrijheid en van de onsterfelijkheid van de ziel vanuit zedelijk bewustzijn bewijzen.

Het zedelijke principe is niet afkomstig van God.

Het hoogste goed (een volmaakte wereldorde) is de door God geschapen ideale wereld.
Het bestaan van God moet worden gepostuleerd omdat alleen dit bestaan garandeert dat zedelijkheid ook leidt tot gelukzaligheid.

Du kannst, denn du sollst, je kunt ethisch handelen want het is je plicht.

Moreel godsbewijs: Alleen als God bestaat kan het einddoel van de moraliteit worden gerealiseerd. De moraal vormt de beste grondslag voor de metafysica.

Het bestaan van God is een postulaat van de zuivere praktische rede. Postulaat is een stelling die theoretisch onbewijsbaar is, maar noodzakelijk moet worden aanvaard om bepaalde feiten te kunnen begrijpen.

De idee van God verkrijgt door de morele rede ‘objectieve werkelijkheid’: de zuivere praktische rede eist de verwerkelijking van het hoogste goede, hetgeen slechts mogelijk is door het bestaan van God aan te nemen. Op basis van de leer van de postulaten tracht Kant de metafysica, die hij in zijn kenkritiek had bekritiseerd, te herstellen. Verdere postulaten, het bestaan van de vrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel.

Zedelijke geboden zijn slechts dan zinvol als de mens de vrijheid heeft om te kunnen kiezen. De zedenwet eist dat de mens zijn doen en laten door de categorische imperatief laat leiden.

Zedelijke vervolmaking als oneindig proces, slechts in het oneindig voortdurend leven te realiseren. De ziel is onsterfelijk. Volgens Kant is de onsterfelijkheid van de ziel een onmisbare vooronderstelling voor het zedelijk bewustzijn.


8. Kritische beschouwing van Kants metafysische godsbewijs

Het godsbewijs berust op de vooronderstelling dat het een moreel vereiste is om het hoogste goed te realiseren. Wat als plicht is opgegeven dient ook realiseerbaar te zijn. Omdat dit de menselijke vermogens te boven gaat dient het bestaan van God gepostuleerd te worden.

Kants redenering hangt af van de premisse dat van plicht slechts dan sprake kan zijn als degene die verplicht is ook redelijkerwijs in staat is aan die verplichting te voldoen.
Ook het tegendeel is geldig.

9. Samenvatting

Kants poging om de metafysiek vanuit zedelijke bewustzijn te reconstrueren is mislukt. Dit heeft hij ook later zelf ingezien. Het bestaan van God en van het hoogste goed zijn onbewijsbaar.
Kortom: de geldigheid van zedelijke eisen berust louter op de autonomie van de rede en is niet langer afhankelijk van het wel of niet bestaan van een goddelijke wereldorde.

 

Leereenheid 32 p.165

KANTS LEER VAN DE SCHOONHEID

Leerdoelen: kunnen antwoorden op:

Wat is het probleem van het smaakoordeel?
Wat verstaat Kant onder reflecterende oordeelskracht?
Waarom is de oordeelskracht de sleutel van het probleem van het smaakoordeel?

Wat verstaat Kant onder schoonheid?
Hoe beschrijft Kant de ervaring van het verhevene?

1. De metafysische betekenis van schoonheid

De doelmatigheid van de schoonheid en van de natuur zijn 25 fenomenen die Kant bestudeert in zijn Kritik der Urteilskraft. Hier spreken we enkel over de schoonheid.

De schoonheden die wij in de natuur tegenkomen vervullen de mens met verbazing en bewondering. Hoe is het mogelijk dat de gegeven natuur, onafhankelijk van de mens, toch in de schoonheden die ze tentoonspreidt, op de menselijke schoonheid is afgestemd?

Het leidt tot de veronderstelling dat er een redelijke schepper achter de natuur zit die doelbewust de natuurschoonheid schept opdat de mens in zijn vermoeden bevestigd wordt dat er een morele wereldorde en metafysica zou kunnen bestaan. De metafysische betekenis van het natuurschone: verwijzing naar een redelijke schepper. (Dus het natuurschone is niet enkel voor de sensualistische filosofie van waarde maar ook voor Kant)
Dan moet er wel een verwantschap bewezen worden tussen het schone en moreel goede.

2. Kants opvatting over schoonheid

Schoonheid, de esthetica, is door 2 categorieën bepaald: het verhevene (vrees) en het schone (liefde). Burke 1757 : het oordeel over schoonheid is ook volgens Kant gebaseerd op gevoelens van lust en plezier – dus wending van de schoonheidsleer naar het subject.

maar ipv vrees en liefde wil Kant a priori beginselen aantonen.

2.1 Kenmerken van het smaakoordeel
Het smaakoordeel is het esthetisch waardeoordeel.

. de bepalingsgrond van het smaakoordeel is een gevoel van welgevallen of lust;

. het wezen van de schoonheid kan niet in één begrip of regel worden gebracht;

. met het smaakoordeel is een aanspraak op algemene geldigheid verbonden;

. hoe kan een oordeel dat slechts op gevoel berust aanspraak maken op algemene geldigheid;

. het esthetisch beginsel moet op een a-priori beginsel berusten;
. dit esthetisch beginsel is het beginsel van de reflecterende oordeelskracht

Schoonheidsoordelen maken aanspraak op algemene geldigheid, zuiver zintuiglijke smaakoordelen niet. Smaakoordelen gelden a-posteriori.

Het schoonheidsoordeel claimt algemene geldigheid en moet dus berusten op een a-priori. Het

oordeel over het aangename niet, is subjectief.

Hoe gaat Kant bewijzen dat het schoonheidsoordeel objectief is?

2.2 Een regel voor het smaakoordeel

Kant orienteert zich op schoonheid in de natuur. De ervaring van schoonheid is gebaseerd op het vrije spel van de verbeelding.

Er zijn juiste of onjuiste smaakoordelen mogelijk. Er kan geen schoonheidsregel aangegeven worden. Kant probeert zijn argumenten tegen de regelesthetica te staven door het schone van het goede af te bakenen.

Onderscheid tussen het onmiddellijke of an sich goede en het indirect-goede, het nuttige.

Het beginsel van het an sich goede is het categorisch imperatief, ethiek. Het zedelijk goede heeft zijn waarde in zichzelf.

Het indirect-goede, het nuttige sluit ook een maatstaf van beoordeling in, in hoeverre voldoet het aan zijn bestemming? De functie van het object sluit een maatstaf in waarnaar het object beoordeeld wordt.

Kan het schone ook aan zo’n bestemming voldoen? Doel van het schone: de beschouwer langdurig boeien, tot verdere beschouwing stimuleren. Is erg vaag, geen goede regel - er is geen regel mogelijk: Kant introduceert het begrip van ‘vrije doelmatigheid’. Vrijheid van de verbeelding. Kwalitatieve vormenrijkdom (vs symmetrie) is een belangrijk element in Kants conceptie van schoonheid. Maar er moet ook een onnadrukkelijke eenheid zijn.

Schoonheid is vrij van regels en staat volgens Kant midden tussen monotone regelmaat en regelloos woekerende verbeelding.

Het primaat van de verbeelding kan zich ook op zedelijke inhoud concentreren bvb rechtvaardigheid uitbeelden. Een groot kunstwerk heeft de aspectrijkdom, betekenisrijkdom van de werkelijkheid zelf in zich.

3. De oordeelskracht als sleutel van het probleem van het smaakoordeel

Hoe gaat Kant nu de algemene geldigheid van het smaakoordeel kunnen bewijzen, terwijl dit berust op lust en onlust? De oordeelskracht is het vermogen om het algemene op het bijzondere te betrekken.

Bepalende oordeelskracht zoekt het passende individuele geval bij een algemene notie. Reflecterende oordeelskracht zoekt het gemeenschappelijke in verschillende verschijnselen. Reflecterende oordeelskracht treedt in werking in theorievorming en streeft ernaar het veelvoudige vanuit een minimum aan principes te verklaren. Ze streeft eenheid na in verscheidenheid.

Esthetisch genoegen is het plezier van de oordeelskracht. Het is wezensverwant met de lust die de wetenschapper ervaart als hij beseft hoe uiteenlopende fenomenen zich vanuit 1 beginsel laten verklaren.

3.1 De intersubjectieve geldigheid van de oordeelskracht

Het schone pleziert de oordeelskracht, de oordeelskracht is intersubjectief geldig, dus moet ook de lust algemeen geldig zijn. Het schoonheidsoordeel is intersubjectief geldig omdat het gebaseerd is op de lust van het rationele vermogen. Dus het probleem van het smaakoordeel dat gebaseerd is op lust is nu opgelost: het is algemeen intersubjectief geldig in zoverre het de lust van een rationeel vermogen is.

Zowel de behoefte van het verstand dat op eenheid uit is als de behoefte van de vrije verbeelding worden door het schone bevredigd. Het schone object maakt de eenheid onmiddellijk aanschouwelijk.

3.2 Esthetisch oordeel en expressiviteit

Formeel-rationele karakter van de schoonheidsleer. Zijn esthetica besteedt geen aandacht aan het expressieve. De vraag naar de intersubjectieve geldigheid van de ervaring van expressieve eigenschappen wordt nauwelijks aangeroerd.

4. Kants leer van het verhevene

Het verband tussen de ethische en de esthetische ervaring. Het verhevene is primair een categorie van de natuurervaring en niet van de kunsttheorie.

Mathematisch verhevene: uitbreiding in de ruimte en tijd, het oneindige, kolossale dat ons zintuiglijke bevattingsvermogen te boven gaat.

Dynamisch verhevene: natuurkrachten zoals wervelstormen en vulkaanuitbarstingen

In tegenstelling tot het schone is het verhevene niet te bevatten voor de oordeelskracht: het verhevene overstijgt de oordeelskracht. Beide vormen van het verhevene geven de mens een gevoel van verlorenheid, nietigheid. Hierdoor wordt hij op zichzelf terug geworpen. De ervaring van het verhevene is een wezenlijke zelfervaring van de mens.

Kants (en Burke’s) theorie van het verhevene zijn van invloed geweest op de moderne schilderkunst.

Metafysische slotbeschouwing

Schoonheid en natuurschoonheid is van metafysisch belang.

Verwantschap tussen het ware, het goede en het schone: op elk gebieden gelden rationele beginselen.

Metafysische ideeën zijn niet bewijsbaar maar vormen een leidraad voor het handelen en stimuleren de hoop van de mens op een rechtvaardige eindtoestand van de wereld.

In zijn kentheorie laat Kant zich vooral kennen als rationalist, terwijl zijn esthetica vooral empiristisch is: onjuist!

 

Herhalingseenheid p 181 en 191!