leereenheid 12 p.167
AUGUSTINUS OVER DE VRAAG NAAR HET WARE
Augustinus neemt de vragen die Plato stelde weer op en plaatst ze in een christelijk perspectief.
Volgens Augustinus dient de mens zijn hele leven te richten op God en heeft hij daarvoor kennis van God nodig. Die kennis kan de mens verwerven via de ziel, door zelfkennis.
Het christendom kan volgens hem wel degelijk verrijkt worden door de griekse filosofie, zelfs al bevat deze heidense elementen. In zijn leer zijn zowel de (neo)platonische nadruk op geestelijke verinnerlijking en de oriëntatie op de onstoffelijke werkelijkheid van God als de ethische instelling van het christendom incl naastenliefde opgenomen.
1. Augustinus’ leven en denken
1.1 Levensloop
Aurelius Augustinus. Geb. 354 te Thagaste, het huidige Algerije. Hij ontving scholing tot jurist en redenaar en was docent in diverse plaatsen. Zijn moeder Monica was tot het christendom bekeerd, zijn vader was een heiden. Zijn moeder probeerde Augustinus te bekeren.
Hij leidde een leven dat hij na zijn bekering als wellustig zou bestempelen. Aanvankelijk zocht hij eeuwige waarheid bij de manicheeërs (eeuwige strijd tussen de twee krachten goed en kwaad). Daarna zocht hij waarheid bij het scepticisme van de Nieuwe Academie. De leer van het scepticisme berust op twijfel aan de mogelijkheid van kennis omtrent de waarheid. Filosofie is een eeuwig zoeken naar waarheid.
Rond 384 kwam hij in aanraking met het christendom door te luisteren naar de preken van bisschop Ambrosius. Het neoplatonisme bereidde hem uiteindelijk voor op de verstandelijke acceptatie van de christelijke geloofsleer. In 386 werd hij bekeerd tot het christendom. Hij werd tot priester gewijd en enkele jaren later werd hij bisschop van Hippo Regius. Hij overleed in 430 te Hippo Regius.
1.2 Historische achtergrond
Romeinse Rijk in verval
Invloed van Griekse filosofie op christelijke leer
Het christendom wordt staatsgodsdienst: Theodosius 380 – kerk kan alzo beroep doen op Romeinse keizer (machtsmisbruik van de godsdienst) Augustinus is dus GEEN tegenstander van de bemoeienis van de staat met godsdienstige kwesties.
1.3 Neoplatonisme
De neoplatonisten beschouwden zichtzelf als trouwe volgelingen en uitleggers van de filosofie van Plato, maar namen ook gedachten over van Aristoteles en van de Stoa. Het stoïcisme, ontstaan in de derde eeuw voor Christus; de mens moet zich in zijn lot schikken.
Belangrijkste vertegenwoordiger van het neoplatonisme, Plotinus (203-270). Neemt de elementen van Plato over en geeft daar eigen volgorde aan:
Ontologische rangorde: uit het Ene vloeit al het andere voort : emanatie:
1. Het Ene/Eerste/Goede
2. Denken/geest
3. Wereldziel/ziel
4. Geschapen wereld
Neerwaartse beweging (emanantie), maar ook opstijgende beweging: de menselijk ziel vormt de schakel tussen de materiële en de transcendente wereld. Door verinnerlijking heeft de mens toegang tot goede/schone/ ware. Doel is eenwording met het goddelijke Ene.
De wijsbegeerte van Augustinus is in hoge mate beïnvloed door de (neo)platonische filosofie :
- Scheiding tussen de wereld van de ideeën en de zintuiglijke wereld.
- Scheiding tussen het wezenlijke en het individuele
- Verlaten van de zintuiglijke wereld als de aangewezen weg om de hogere waarheid te bereiken.
De waarheid is transcendent. Transcendent betekent: boven de ervaring uitstijgend.
1.4 Typering Augustinus’wijsbegeerte
Augustinus leerde in de christelijke waarheid, met gebruik van neoplatonische dialectiek, de zintuiglijke uiterlijke vorm van de geestelijke inhoud te onderscheiden.
Conform Plotinus ziet Aug. drie dimensies in werkelijkheid: zintuiglijke, intellegibele en het aboluut Ene; en ook cfr. Plotinus was Augustinus de overtuiging toegedaan dat de ideeën niet buiten het schouwende intellect (zoals Plato), maar daarbinnen liggen. - verinnerlijking
De platonische idee van het ware, het schone en het goede wordt door Augustinus in Gods geest geplaatst
. Hij is het hoogste goede, de absolute waarheid en de volkomen schoonheid. Het hoogste streven van Augustinus is God én de ziel te kennen. (ken jezelf cfr Socrates) Hij stelt dat de mens de waarheid in zichzelf vindt; niets in de uiterlijke wereld heeft eeuwigheidswaarde. Het lichaam is niet het kwaad dat de ziel kluistert, maar de uitdrukking van het zelfstandig leven van de ziel.De ideeën van God zijn de actieve oorzaak van al wat gebeurt
. Au verwerpt dus het statische van de onveranderlijke ideeën (Plato) en de onbewogen beweger (Aristo). Augustinus draait de platonische verhouding van statische ideeën en de actief kennende mens om: de mens is de passieve ontvanger: christendom en filosofie onscheidbaar.2. De invloed van Aristoteles en de platonisten
Augustinus' autobiografie: de Belijdenissen, geschreven in de vorm van een gebed. Belijdenis = schuld bekennen + God loven. Theocentrisch georiënteerde filosofie : God is middelpunt van bezinning.
Augustinus wordt door de platonisten aangespoord om de onlichaamlijke waarheid te zoeken. Hij verkreeg zekerheid over het eeuwige en onveranderlijke bestaan van God. Kritiek op Aristoteles: de categorieën zijn alleen van toepassing op de materiële wereld. In de Belijdenissen beschrijft Augustinus het proces van verinnerlijking dat hij in zijn eigen leven heeft doorlopen.
3. De vraag naar het ware
Augustinus wil God en de ziel leren kennen.
De participatie in de idee van het goede is een erfenis van Plato : Aug. zegt dat iets waar is voor zover het deel heeft, participeert, aan de idee van het ware.
De waarheid is onvergankelijk en eeuwig; ware dingen bestaan slechts voor zover zij daarin participeren. Het ware is niet aan verandering onderhevig.
4. De reflexiviteit van het kennen
Ken jezelf
De Trinitate (over de drie-eenheid): Augustinus’opvatting over de menselijke ziel.
Augustinus’formulering van de onlosmakelijke zijnseenheid van de drie goddelijke personen heeft het katholieke dogma bepaald. Twee manieren om de waarheid te leren kennen: zoeken in de eigen ziel en de geopenbaarde waarheid. Zijn+leven+kennen verenigt in de ziel zoals drievuldigheid in god. De menselijke ziel is een beeld van God.
In de zelfkennis vallen subject en object samen. Zelfkennis is een vorm van tegenwoordig zijn aan zichzelf. De mens ervaart in de zelfkennis rechtstreeks zichzelf, er zit niets tussen, geen verkondiging, geen teken of uitdrukking, geen spiegel. Zijnswijze van de ziel als zichzelf kennende identiteit.
Twijfel en zekerheid
Het bestaan van de ziel is niet aan twijfel onderhevig
De activiteiten van de ziel zijn: leven, zich herinneren, begrijpen, willen, denken, weten en oordelen. Je kan aan alles twijfelen behalve aan het bestaan van de ziel zelf want die voert net overleg met zichzelf door te twijfelen.
5. De functie van de rede
Ga niet naar buiten, maar keer in tot jezelf; in het innerlijk van de mens woont de waarheid. Het innerlijk is de enige weg naar God.
Drie stappen: 1.Achterhalen wat in de lichamelijke genieting boeit; 2. De ziel moet inkeren tot zichzelf; 3. De ziel moet zichzelf overstijgen.
Het is Augustinus er niet om te doen het lichamelijke als iets slechts te beschouwen. Het is echter vergankelijk.
Immanentie: het naar binnen keren= interiorisatie Volgens Augustinus ligt de transcendentie(zintuigoverstijgend) in het verlengde van de immanentie (zintuiglijk). Gods waarheid is al in de ziel aanwezig. Het participeren van de ziel in de onvergankelijke ideeën is een notie van Plato.
De illuminatieleer: Het intreden van de waarheid in de rede is volgens Augustinus te vergelijken met het binnenschijnen van het zonlicht. De mens kan ware kennis niet op eigen kracht bereiken (ook niet via zintuiglijke waarneming), men is daarvoor afhankelijk van God. Credo ut intelligam: ik geloof opdat ik moge begrijpen: de functie van de rede is zich open te stellen voor de openbaring van het geloof:de waarheid deelt zichzelf mee!
Onderzoek van de natuur om ons heen is volgens Augustinus NIET de manier bij uitstek om God te leren kennen.
Leereenheid 13 p.183
VERINNERLIJKING ALS WEG NAAR DE WAARHEID
Augustinus wil doordringen tot de diepste waarheid over zichzelf en over God. Daarbij spelen geheugen en herinnering een centrale rol.
1. Het proces van verinnerlijking
God is de Schepper en wordt als zodanig gekend door wie echt kent. De mens kan zich bewegen in de richting van de waarheid. Door middel van het intellect is de mens in staat de verwijzing van de vorm (Forma, schoonheid) van de dingen naar hun maker te zien. Alleen de redelijke ziel kan de uiterlijkheden confronteren met de innerlijke waarheid en er de afschaduwing van Gods waarheid in herkennen.
De ziel is het medium om tot zichzelf te keren en van daaruit tot het ware, tot God. Zoals God leven geeft aan de ziel, zo geeft de ziel leven aan het lichaam.
2. De (drie) functies van de ziel
Ziel als levensbeginsel (levenskracht is uitwendig), de waarneming (de ziel richt zich op iets buiten zichzelf, maar slaat de beelden innerlijk op) en het geheugen (herinnering is louter inwendig).
Ook Plato en Aristoteles beschouwen de ziel in de eerste plaats als levensbeginsel. Ziel is (Augustinus) van een hogere orde dan het lichaam: het lichaam wordt bezield. Ook het waarnemen is een verrichting van de ziel met behulp van zintuigen. De ziel verinnerlijkt de buitenwereld. De waarneming creëert beelden die in het geheugen worden opgeslagen. Bij Augustinus is de waarneming een goed uitgangspunt voor de inkeer van de ziel. Het niveau van de waarneming moet wel worden ontstegen.
Plato: herinnering is terugkeer tot de intelligibele dingen, die de mens door geboorte en de verwarrende werking van de zintuigen, vergeten was. Aug: waarneming creëert beelden die in geheugen worden opgeslagen
Plato zegt inkeer = herinnering, Aug legt meer de nadruk op het dynamische karakter van de verinnerlijking.
De drie functie van de ziel zijn ook treden van de ziel in haar opstijging tot God. De levenskracht is het meest uitwendige; de ziel is er aan overgeleverd. In de waarneming is de ziel al iets naar buiten gericht, maar de beelden zijn in de ziel. Bij de herinneringsbeelden is er geen sprake meer van buiten; de ziel draagt de beelden in zich.
3. De (vier) functies van het geheugen.
Als schatkamer van beelden; het vermogen om te denken; het vermogen om te rekenen; het vermogen om gevoelens te bevatten.
Er zijn woorden in het geheugen die dingen aanduiden die nooit door de zintuigen zijn waargenomen; abstracte begrippen. Functie 3 heeft geen zintuiglijke kwaliteit; functie 4 loopt niet parallel met voorbije emoties.
De mens moet d.m.v. de herinnering God in zichzelf vinden en dan zo dat God als Schepper de mens in alles te boven gaat. Is paradoxaal. De mens blijft rusteloos totdat hij zijn rust vindt in God.
De mens verwondert zich wanneer hij tot de conclusie komt dat hij zichzelf niet kan vatten. moet je dan wel in je zelf zoeken? Nee, zeggen velen, Ja, zegt Augustinus, in het innerlijke leven ligt de verwijzing naar het oneindige leven. Overigens is niet iedere inkeer in jezelf goed: egocentrisme en intellectuele hoogmoed. Dat zijn vormen van verstarring. Het belang dat Au hecht aan het proces van verinnerlijking wil niet zeggen dat de mens volgens hem uiteindelijk een zelfgenoegzaam wezen is.
4. De plaats van het ware
De ziel wil haar eigen wezen doorgronden, daarom is haar diepste streven gericht op de onveranderlijke waarheid. Via geheugen en reflexie komt mens tot God.
God wordt gevonden zowel in de ziel (het geheugen), waar hij overal sporen nalaat, als ook boven de ziel. Het wezen van de ziel ligt voorbij het geheugen, maar ook in het geheugen omdat de mens een herinnering aan God moet hebben om hem te kunnen vinden.
Het wezen van de mens is van dien aard dat het, in het binnenste van de ziel, uitwijst naar wat boven de ziel is.
Bij Augustinus kun je niet volstaan met: van het uiterlijk naar het innerlijk. Aanvullen met: van het innerlijk naar het hoogste. Het gaat niet om het wat (ziel en lichaam) van de mens, maar om het hoe (de gerichtheid)
God wordt ook wel aangeduid met de term waarheid. Augustinus kent twee soorten waarheid: enerzijds te vinden in de waarneembare werkelijkheid. Er is sprake van overeenstemming van de gedachte en het ding ziel.
Tweede: door zich te richten op geestelijke zaken; een bewustzijn van iets dat altijd al in de ziel was. Hier geen overeenstemming van de gedachte en enig object uit de waarneming, maar de in herinnering teruggebrachte ervaring van het "altijd al geweten" hebben. Dit berust op illuminatie, dus niet louter op redenerend (discursief) denken.
5. De leraar
Die eeuwige waarheid moet bewust gemaakt worden. De mens verneemt die in zijn afwending van uiterlijkheden. De waarde van de leraar is de leerling aan te sporen tot leren. De taal en het menselijk onderwijs zijn ontoereikend. De onveranderlijke dingen kunnen slechts gekend worden door de ene Leraar: Christus.
De waarheid is bij Augustinus niet slechts een intelligibele idee, dat door mensen nagejaagd moet worden (als object, zoals bij Plato) maar ook als subject dat actief in de mens werkzaam is. Want hoe kan de mens de onveranderlijke ideeën (waarheid, eenheid, goedheid, schoonheid) leren kennen? Door de idee van de actief werkzame waarheid die de mens onderricht. De waarheid en Christus zijn identiek. Ze zijn Gods woord dat innerlijk wordt meegedeeld aan de mens. De waarheid openbaart zichzelf.
Leereenheid 14 p.193
AUGUSTINUS OVER GOED EN KWAAD
Het menselijk handelen is er volgens Augustinus op gericht het goede te doen of het goede te bereiken. Dit impliceert volgens Augustinus dat ethisch handelen gericht is op het bereiken van het geluk, dat de mens uiteindelijk in God kan vinden.
1. Het probleem van het kwaad
Augustinus verzet zich in zijn speurtocht naar waarheid tegen elke vorm van dogmatisme en stelt de eis dat de waarheid door de rede verkregen moet zijn. Zijn geloof in de rede bracht hem in eerste instantie bij het manicheïsme, een religieuze leer die de nadruk legt op de volledige en redelijke inzichtelijkheid van de waarheid. Goed en kwaad zijn volgens deze leer twee absolute godheden. De mens zou geschapen zijn door de heer van de duisternis die in iedere mens een stukje goed heeft verborgen.
De stad van God (De civitate dei): apologie van het christendom. (verdediging tegen verwijt dat nieuwe staatsgodsdienst verantwoordelijk is voor verval romeinse rijk) De kerk is de vertegenwoordigster op aarde van Gods stad, maar valt er niet mee samen, omdat de mens ook binnen de kerk zijn eigenbelang kan nastreven.
Kritiek op het manicheïsme: goed en kwaad worden vermengd, dus goede niet meer ‘onveranderlijk’; manicheeërs ontkennen ook dat de ziel door god geschapen is. Volgens de manicheeërs is de ziel van dezelfde natuur als God, terwijl voor Au. de ziel ver beneden haar schepper staat! Let op: leereenheid 12: ziel is een beeld van God, maar is hier niet van dezelfde natuur als god!!
Volgens Augustinus is de menselijke wil de oorzaak van alle kwaad.
2. De status van het kwade in het neoplatonisme
Onder invloed van het neoplatonisme komt Augustinus tot de visie dat alleen aan het goede, wijsheid en ‘zijn’ kan worden toegeschreven.(de manicheeërs zeggen dat het kwade een eeuwige substantiële natuur heeft) Het kwaad heeft dus géén eigen substantie. Het kwade is zijnsvermindering (privatio boni): vermindering van het goede. Augustinus heeft zijn visie op het kwaad als privatio boni, de vermindering van het goede, NIET ontleend aan het manicheïsme. Beneden de maat is niet goed, maar boven de maat ook niet: de juiste maat is van belang! (cfr Aristoteles! karakterdeugd en phronesis)
Het goede is wat onvergankelijk is en gelijk blijft, het zijn. Het slechte is dat wat steeds verandert en steeds verloren gaat, het gebrek aan zijn. Het gelukzalige leven bestaat volgens Augustinus dus in het geen gebrek hebben. De taak van de menselijke rede is om het zijn of God te genieten. De mens beschikt over het vermogen om met wijsheid in de volheid van het leven te staan: er is dus ruimte voor menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid.
3. De herwaardering van de materie
Gods schepping is goed en dus is ook materie goed. In het menselijke leven moet niet alleen ruimte worden gegeven aan het geestelijke, maar ook aan het zintuiglijke. Augustinus integreert Plato's opvatting van lichaam en ziel in de christelijke visie, die in principe al het door God geschapene als goed beschouwt, en probeert lichaam en ziel zo met elkaar te verzoenen. Het lichaam, de materie, is noch het kwade zelf, noch de oorzaak van het kwaad. De geest staat echter altijd boven het lichaam. Aug beschouwt de materie als het kwade (onjuist)
4. Het goede van het huwelijksleven
Het goede van het huwelijk bestaat volgens Augustinus in het voortbrengen van kinderen en in de huwelijkstrouw, de overgave in liefde. Ook wordt binnen het huwelijk de seksuele begeerte in juiste banen geleid. De liefde tussen de beide echtelieden is de ware basis voor een goed huwelijk.
Augustinus geeft de voorkeur aan seksuele onthouding, die door beide echtelieden vrijwillig wordt nagestreefd, om tot ware liefde te komen.
5. De wilsvrijheid
De zingeving van de werkelijkheid. eros=wil Twee functies van de wil: het streven naar zelfbehoud, het naderen van de idee van het goede om in het goede te participeren. De mens streeft door zich de idee van het goede voor te stellen: ieder mens streeft dan naar zijn eigen goed en daarenboven streeft hij naar het absoluut goede. De wil (de liefde) verbindt de zekerheid die de mens heeft dat hij is met het weten daarvan: het 'ken jezelf'. De mens moet het hoogste goed steeds opnieuw met de rede lokaliseren zodat hij met zijn wil het beoogde doel kan nastreven. Wilsstreving=liefde
Aug hecht meer waarde aan de vrije wil dan het manicheïsme (juist)
6. Conclusie
Augustinus' ontwikkeling van het manicheïsme via het neoplatonisme tot christelijk denker.
De oorsprong van het kwaad ligt in de verkeerd gerichte wil.
Augustinus' dualisme: de oriëntatie op het ware en het goede door middel van de transcenderende, opstijgende beweging moet worden begrepen als een vlucht uit de onstabiliteit van de aardse werkelijkheid, om één te worden met de goddelijke volmaaktheid.
Leereenheid 15 p.203
DE SCHOONHEID VAN GOD
Schoonheid ontstaat door maat en harmonie en is te vinden in muziek en grammatica.
God als kunstenaar, de ziel als toehoorder.
1. De onsterfelijkheid van de ziel
Kunst = maat, orde en harmonie – de hoogste schoonheid is die van God (niet de zintuiglijke waarneming)
Augustinus gebruikt neoplatonische traditie van onveranderlijke getalsverhoudingen als karakteristiek voor waarheid en schoonheid.
Schoonheid (zoals ook bvb naastenliefde en bvb ook het leven op aarde zelf) heeft slechts waarde als ze de ziel dichter bij god brengt.
2. De esthetica van de muziek
Muziek en dichtkunst zijn de hoogste kunstvormen. De kunst kan de mens naar beneden sleuren in de loutere genietingen van het zintuiglijke schone, of in dienst staan van de menselijke terugkeer naar de eeuwige schoonheid van absolute harmonie. Het genieten van de schoonheid van een kunstwerk is volgens Aug GEEN doel op zich zelf.
3. De esthetica van de grammatica
Ware en schone kennis wordt niet verkregen door een menselijk gesprek (in tegenstelling tot Plato en diens maieutiek en anamneseleer), maar door de hoogste leermeester. Retorica en dichtkunst beschouwen als de werkzaamheid van de ziel die de uiterlijke wereld heeft verinnerlijkt – zo de mens tot inzicht laten komen, en overstijgen- genieten van eeuwig schone:God.
4. God als kunstenaar
Spiritualisatie van het esthetische:
- esthetica van de totaliteit waarin ook de delen schoon zijn
- lichamelijke schoonheid als laagste (materie=wel goed want door god geschapen)
- meer schoonheid in innerlijke dan in uiterlijke
Lelijkheid -> eenzijdige oriëntering op de lichamelijke, tijdelijke zaken
God is de kunstenaar die de wereld gevormd heeft. De oorsprong van materie en de vorm is het woord van God: Christus.
Plato : God is de kracht waardoor de transcendente ideeën zich tot stof kunnen manifesteren (oorzaak).
Augustinus : God is een persoon die zich na de schepping met de mensheid bezig houdt.
5. Slotbeschouwing
Van de uiterlijke naar de innerlijke, van de innerlijke naar de hoogste zaken.
Alleen door illuminatie (=geschenk van God) kan de mens de waarheid ontvangen.
Praktische vaardigheden en theoretische kennis hebben slechts waarde voor zover zij de mens hierop voorbereiden. In zijn illuminatieleer ontwikkelt Augustinus het inzicht dat de mens de waarheid niet enkel op eigen kracht kan bereiken.
6. Augustinus’ invloed op de filosofie
grootste filosoof van de patristiek (1-7e E.)
zijn christelijk platonisme bleef tot in de 13e E bepalend – invloed op Luther, Descartes, Pascal
Grondlegger van de dogma’s van de Katholieke kerk.