Leereenheid 7 p.95
Aristoteles: leven en werk
Leerling van Plato- Deelt kritiek op materialistische natuurfilosofie van veel presocratische filosofen. Veelal echter een bewust kritische reactie op het platonisme.
Leerdoelen:
Na bestudering van deze leereenheid kunt u:
- Aristitoles’ levensloop en filosofische carrière in hoofdlijnen schetsen
- de werken die Aristo geschreven heeft onderverdelen in soorten en deze soorten karakteriseren
- Aristo’ filosofische methode in algemene termen beschrijven
- aangeven welke onderdelen van de filosofie Aristoteles onderscheidde en hoe deze onderdelen zich tegenover elkaar verhouden
- uit leggen wat een aristotelisch syllogisme is.
1 Hoofdlijnen leven en filosofie
Geboren 384 v.Chr. in Stagira, Thracië. Vader hofarts van de grootvader van Alexander de Grote. In 367 v.Chr. naar Athene om bij Plato te gaan studeren; 20 jaar daar gebleven. Binnen academie geen dogmatische sfeer, meerdere varianten van het platonisme in omloop. Ook Aristoteles week op belangrijke punten af van Plato en maakte dat ook bekend. Na Plato’s dood gevestigd aan de kust met Xenocrates (platonist), later op Lesbos, hier deed hij veel biologisch onderzoek. In 343 ging hij de opvoeding van Alexander ter hand nemen. In 366 volgde Alexander zijn vader op en Aristoteles keerde terug naar Athene, nu deel van het Grieks-Macedonisch imperium. A. ging zelfstandig lesgeven op Lukeion (lyceum) (gymnasium bij de tempel van Apollo Lukeios), veelal in de wandelgalerij (peripatos), school werd bekend als Peripatos en zijn volgelingen als peripatetici. Academie van Plato gericht op metafysica en wiskunde, Lukeion vooral ook op empirisch onderzoek op tal van terreinen, ook bijvoorbeeld de gegevens over 158 Griekse stadsstaten. Verzamelwoede. Na overlijden van Alexander in 323 begon desintegratie van het enorme rijk. Athene in opstand tegen alles dat Macedonisch leek: Aristoteles moest vluchten naar zijn familielandgoed, overleed in 322 (63 jaar).
2 Werken
Werken te verdelen in drie genres:
Lot onbekend, via omzwervingen in 1e eeuw v.Chr. in Rome. Daar geordend, geredigeerd en in afzonderlijke boeken uitgegeven door Andronicus van Rhodos. Dit is het begin van de herlevende belangstelling voor Aristoteles. Doordat de esoterische werken meer in de belangstelling stonden gingen de exoterische werken op een gegeven moment verloren. Latere edities van het werk allemaal gebaseerd op Andronicus’ ordening en indeling, titels ook hieraan ontleend. Ta meta ta phusika, ‘na de fysica’ werd Metafysica, dingen die achter de fysica liggen.
Plakwerk van Andronicus nog terug te vinden. Werner Jaeger heeft hierover een ontwikkelingshypothese gelanceerd, volgens welke A. zich van een platonist heeft ontwikkeld tot een puur antimetafysisch empiricus. Echter onbewijsbaar. Verschillen in benadering en telegramstijl van de werken maakt ze niet makkelijk toegankelijk. Interpretatie en stilering van filosofie A. niet te voorkomen. Soms Grieks vocabulaire, soms ook de traditionele Latijnse begrippen, als deel van het scholastieke begrippenapparaat.
3 Filosofische methode : de verschijnselen als uitgangspunt
Aristoteles kiest als uitgangspunt voordurend ‘de phainomena’, de verschijnselen, de dingen die ons toeschijnen, dus zowel waarneming als mening! breuk met Plato: volgens Plato hadden deze niets met de ware kennis van de filosoof te maken.
A waarneembare verschijnselen: Plezier aan waarnemingen van objecten in de natuur kan wanneer men over een filosofische houding beschikt: het vermogen om oorzaken te onder-kennen. Natuurlijke wereld bestaat uit onvergankelijke (hemellichamen) en vergankelijke (biologische soorten, planten en dieren) elementen. Onvergankelijke elementen boezemen ontzag in vanwege hun verhevenheid, maar door de mogelijkheid de vergankelijke elementen gedetailleerd waar te nemen en te bestuderen zijn zij zeker zo interessant. Verwondering en nieuwsgierigheid leidt tot zoeken naar oorzaken, hieruit komt kennis voort, zijn dus GESCHIKTE motieven voor het beoefenen van filosofie vlgs Arist.
Plato: wereld van zintuiglijk waarneembare = schijnwereld. vs Aristoteles onze wereld als ultieme werkelijkheid.
B meningen (endoxa): Algemeen geaccepteerde opvattingen, opvattingen van experts en opvattingen van een meerderheid konden volgens Aristoteles als gezaghebbend worden beschouwd, mits zij de toets van de filosofische kritiek kunnen doorstaan. (A; hecht wel waarde aan alg. gerespect. opvattingen – Plato niet)
Onderzoek begint bij Aristoteles door het inventariseren van de opvattingen over het onderwerp en de moeilijkheden die met deze endoxa en het onderwerp in het algemeen samenhangen. Als deze standhouden tegen filosofische bezwaren en de moeilijkheden worden opgelost, kan men ze als bewezen beschouwen.
Deze werkwijze noemt men dialectiek: het redeneren vanuit niet noodzakelijk ware, maar wel in beginsel acceptabele, of geaccepteerde uitgangspunten. Dialectisch onderzoek = het kritisch beoordelen en schiften van de endoxa. en zo komen van mening tot waarheid. Bij Plato zou dit niet kunnen, de kloof tussen meningen en kennis is bij hem theoretisch onoverbrugbaar. Hij zal niet beweren dat zijn filosofie juist is omdat hij overeenstemt met algemeen gangbare opvattingen.
De dialectische passages bij Aristoteles zijn van historisch belang omdat zij argumenten van voorgangers geven, maar Aristoteles gebruikt ze als kritisch-constructieve bijdragen aan zijn eigen onderzoek. Behouden wat juist is en verbeteren wat fout of onduidelijk is. Ook zijn eigen filosofie wordt kritisch bekeken. De filosofie heeft een niet-dogmatisch, maar tastend karakter. Geeft soms toe dat hij nog verder na moet denken.
4 A’conceptie vd filosofie: De onderdelen van de filosofie en hoe zij zich verhouden
Filosofie had in de tijd van Aristoteles nog geen plaatsbepaling nodig. Bij Aristoteles omvat de filosofie dan ook alle vormen van weten met een eigen object. Filosofie was synoniem met ‘episteme’, kennis of wetenschap. Wel classificeerde hij de onderdelen van de filosofie, de soorten wetenschappen.
1. theoretische wetenschappen: doel = beschouwing en kennis van de waarheid
disciplines:
- mathematica; subdisciplines rekenkunde, meetkunde, astronomie
- fysica; fysica in engere zin, meteorologie, leer levende natuur: biologie en psychologie
- eerste filosofie; meeste algemene begrippen zoals zijn en het hoogste zijnde als onderwerp.
2. praktische wetenschappen: doel = bepaalde vorm van handelen
disciplines:
- ethica; goede handelen en goede karaktergesteldheid (ethos) van het individu
- oeconomica; handelen binnen het huishouden (oikos) b.v. t.o. kinderen slaven
- politica; handelen in gemeenschapsverband van de stadstaat (polis).
3. poietische wetenschappen: doel = iets maken, (kunst of techniek)
- evenveel wetenschappen als te vervaardigen voorwerpen, Aristoteles laat zich hier niet over uit.
Deze indeling heeft grote invloed gehad op latere antieke en middeleeuwse opvattingen van de filosofie en haar delen. Achterliggende gedachte: verschillende wetenschappen zijn, ondanks gemeenschappelijke elementen zoals bepaalde termen, zelfstandige gehelen, met elk eigen uitgangspunten, methode en verschillende gradaties van exactheid. Let op: bij Plato is ware kennis altijd kennis van een idee. Geen verschil in precisie en zekerheid waarmee wij ideeën van ethische begrippen kennen en de idee ‘paard’ b.v. Aristoteles ziet ethiek echt als een tak van wetenschap die door de aard van haar onderwerp minder aanspraak op exactheid en algemene geldigheid kan maken.
Ethiek houdt zich bezig met onderwerpen waarover zoveel meningsverschillen bestaan, bovendien zaken die niet zonder uitzondering het geval zijn: wat in het algemeen goed is, kan onder specifieke omstandigheden niet goed zijn. Waarheid dus slecht in ruwe en algemene trekken mogelijk. Te beseffen dat bij verschillende takken van kennis verschillende graden van exactheid behoren, getuigt van goede opvoeding.
Voor Aristoteles was de logica slechts een ‘organon’ (werktuig) en had een dienende rol binnen de filosofie. Evenzo voor de retorica. deze bemoeit zich niet met het onderwerp maar met de vorm, middelen om van elk willekeurig onderwerp een overtuigend verhaal te houden. De logica blijft buiten het onderwerp van de cursus, toch invloedrijk gedeelte van werk van Aristoteles.Dus kort:
5 Aristoteles’ syllogisme
Een syllogisme is een redenering waarbij sommige dingen gegeven zijn en iets anders dat gegeven is noodzakelijkerwijze volgt uit het feit dat zij waar zijn.
a alle mensen zijn sterfelijk
b socrates is een mens
c socrates is sterfelijk
3 proposities, a, b en c. Elke propositie bestaat uit twee termen: onderwerp of subject en predikaat (zegt iets van het onderwerp). De dingen die gegeven zijn staan in a en b: de premissen, wat noodzakelijk volgt is c: de conclusie. Twee premissen kunnen pas een conclusie opleveren wanneer zij een term gemeenschappelijk hebben: de middenterm. Volgens Aristoteles bestaat wetenschappelijke activiteit doorgaans uit het zoeken naar de middenterm. Deze logica noemt men wel predikatenlogica of termenlogica. Het gaat Aristoteles om geldigheid van typen syllogismen: letters vervingen de variabelen: Als a. wordt gezegd van alle b. en b. wordt gezegd van alle c., dan wordt a. gezegd van alle c. Hiermee maakte hij een begin met de formalisering van de logica.
In de Analytica Priora werkt Aristoteles zijn theorie van het syllogisme uit. Het gaat hierbij om de geldigheid van het type syllogisme. Dit abstraheren van de werkelijkheid zorgt ervoor dat de logica niet tot de filosofie gerekend kan worden: filosofie houdt zich bezig met de inhoud, de waarheid of onwaarheid van de conclusies en de premissen. Logica heeft geen object.
Theorie is niet compleet: slechts één soort relatie tussen de termen: voor relaties als groter dan etc. geen regels. Termenlogica überhaupt niet compleet: alleen subject-plus-predikaat proposities. Pas vanaf de 19e eeuw deze lacunes opgevuld met propositielogica.
Leereenheid 8 p113
Aristoteles' theoretische filosofie
Leerdoelen:
Na bestudering van deze leereenheid bent u in staat om:
- aan te geven welke rol deductie vanuit de eerste beginselen in Aristoteles’ filosofie speelt en langs welke weg de filosoof tot deze eerste beginselen komt
- aan de hand van het voorbeeld van een concrete substantie te laten zien wat de aristotelische categorieën zijn en waarin de ontologie
1 De structuur van de wetenschap; rol deductie en eerste beginselen
Aristoteles’ syllogisme gaat uit van de algemene regel (A) toegepast op een specifiek geval (B) en geeft een conclusie (C) hierover. Dit noemt men deductie: redeneren vanuit het algemene naar het bijzondere. Wiskunde doet dat ook, vanuit axioma’s, die niet meer bewezen hoeven te worden, werkt ze deductief.
De meeste wetenschappen werken echter inductief: redeneren van bijzondere naar het algemene: waarnemingen bij enkele gevallen leiden tot algemene conclusies over de soort. Dit noemt men inductie: redeneren van het bijzondere naar het algemene. Hoewel Aristoteles zeer geïnteresseerd was in de empirische wetenschappen, krijgt deductie toch veel aandacht: echte wetenschap is weten waarom iets het geval is, m.a.w. het kunnen terugvoeren van een verschijnsel op meer algemene oorzaken. Wetenschap is een deductief systeem: Degene die de wetenschap in complete en perfecte vorm beheerst kan zijn kennis in deductieve vorm uiteen zetten. De deductieve syllogistiek laat dus niet zien hoe kennis tot stand komt, maar hoe ze gestructureerd is. logic of presentation i.p.v. logic of discovery.
Twee vormen van kenbaarheid: kenbaarheid van nature en kenbaarheid voor ons.
Uitgaand van wat meer kenbaar is voor ons, komen we tot wat meer kenbaar is van nature. Dus via gegevens van de waarneming naar de eerste principes, elementaire begrippen van de wetenschap: inductie. Alle verschijnselen zijn meer kenbaar voor ons. Verschijnselen: waarnemingsgegevens én endoxa! Ze zijn meer kenbaar omdat ze direct in de ervaring (ruimer dan waarneming) gegeven zijn. Meer kenbaar van nature zijn de eerste beginselen van de wetenschap: wanneer eenmaal gekend hebben ze een grotere mate van helderheid en evidentie, dan de diffuse simpele ervaringsgegevens. Aristoteles hecht minder waarde aan algemeen gerespecteerde opvattingen dan Plato : ONJUIST
Via inductie (bij endoxa via dialectische methode) moeten de noties die meer kenbaar zijn voor ons geschift en gepreciseerd worden om te komen tot de fundamentele begrippen, helderder en meer kenbaar van nature. Voorbeeld: papa, eerst alle mannen, later correct.
Elke wetenschap aparte discipline: ook allemaal eigen eerste beginselen en eigen deductief systeem. Beperkt aantal begrippen van belang voor alle wetenschappen: zijn bijvoorbeeld. Deze worden bestudeerd door de eerste filosofie: zijnsleer of ontologie.
2 Aristoteles’Ontologie: categorieën van zijn
Leucippus en Democritus legden het echte zijn op microniveau: de atomen. Aristoteles wees dit af: net als Plato afstrijden van natuurfilosofen. Aristoteles heeft de leer van de vroege atomisten in zijn ontologie NIET overgenomen. Plato zag wereld van zintuiglijke niet als ultieme realiteit, daarachter zaten de transcendente ideeën. Ook hiertegen verzet Aristoteles zich. Plato maakt nergens de relatie tussen deze twee werelden (ideeën wereld en zintuiglijk waarneembare wereld) duidelijk, ideeënwereld is niets anders dan een verdubbeling van de dingen in de zintuiglijke wereld, zijn echter niet de oorzakelijke verklaring ervan. Kortom hij verwerpt de twee werelden-leer, de kern van platonische ontologie.
Aristoteles’categorieënleer wijkt nauwelijks af van de ideeënleer van Plato: onjuist!
De categorieënleer van A stemt niet overeen met de ideeënleer van Plato.
Bij Aristoteles : de realiteit wordt juist wel gevormd door de dingen. Dingen = zijnden (ousiai)= substantia . Volgens A bestaat de wereld uiteindelijk uit substanties (niet uit atomen, niet uit ideeën). De manieren van zijn (zijnswijzen) staan beschreven in categorieënleer. De categorieënleer vormt de spil van Aristoteles’ontologie.
Kategoria betekent predikaat. Predikaat is datgene wat van een subject gezegd wordt. Categorieën zijn invulling van wat subject is.: Socrates is x (wijs, 70 kg, in Athene, een mens =meeste ware) Er zijn 10 categorieën:
- substantie - relatie - in een positie zijn, - aangedaan zijn.
- kwantiteit, - plaats - hebben
- kwaliteit - tijd - doen
Niet alleen predikaten, maar geven ook verschillende vormen van zijn weer. Verschillende zijnswijzen in onze taal en in ons denken corresponderen door een natuurlijke correspondentie tussen de structuur van ons denken en de structuur van de werkelijkheid. De categorieën van het denken zijn identiek aan de categorieën van de werkelijkheid. De categorie substantie is de meest belangrijke, de andere kunnen veranderen, maar de substantie geeft aan wat iets wezenlijk is. Socrates is een mens, b.v. Die overige niet-wezenlijke categorieën worden vanaf de middeleeuwen dan ook aangegeven als accidentele categorieën. Zij zijn afhankelijk van de substantie en kunnen niet zelfstandig bestaan.
Het systeem is een common-sense benadering.
Voor Plato is in de zin de boom is groen, groen net zo belangrijk als de boom, bij Aristoteles is de boom het belangrijkste en of die nu groene, gele of bruine bladeren heeft, het blijft een boom.
Zijn is niet een éénduidig concept. Het groenzijn van de boom is iets anders dan zijn boomzijn. Het is een homoniem. Accidentele zijnswijzen zijn gerelateerd aan de substantiële zijnswijzen: slechts in substanties worden zij gezegd te zijn. Zonder substantie geen accident. Substantie is dus ontologisch primair aan accident.
Socrates is een mens: Socrates is de primaire substantie, mens is de soort (eidos) is de secundaire substantie. Het algemene begrip (universale) is een secundaire substantie, die van een primaire substantie gezegd wordt. Het vormt tevens de essentie van de primaire substantie. Het universale is als secundaire substantie reëel aanwezig in de primaire substantie. Het is niet alleen in ons denken aanwezig. Vergelijk de secundaire substantie met de idee van Plato. Aristoteles’ immanente (aanwezig IN de dingen) vorm tegenover Plato’s transcendente (idee stijgt boven de dingen uit). Bij Plato is overigens de idee primair (zonder idee geen dingen) en bij Aristoteles is de primaire substantie ontologisch primair (zonder dit paard bestaat het soort paard niet). Lager in orde zijn de accidentele categorieën. Bij Aristoteles meer ruimte voor fysica en biologie dan bij Plato. Overeenkomst beide systemen: er bestaat een onveranderlijke en immateriële essentie! Het object is niet volledig verklaard als men kan aangeven uit welke materiële constituenten het bestaat. Met behulp van immanente vormen de fysische werkelijkheid verklaren: van de leer van het zijnde (1e filosofie) naar de fysica (2e tak theoretische filosofie).
3 Beweging en verandering van substanties: Vorm, materie, act en potentie in de fysica
Filosofische verantwoording van verandering. Parmenides ontkende verandering: vermenging van zijn en niet-zijn kon door denken niet bevat worden. Plato vond dat echte kennis rondom een object ook niet kon veranderen, het worden is niet toegankelijk voor het denken.
Aristoteles: de zintuiglijk waarneembare wereld is in al haar veranderlijkheid ook kenbaar. De aristotelische fysica is gebaseerd op de dagdagelijkse ervaring. Hoe onveranderlijke essenties een rol konden spelen bij veranderende werkelijkheid beantwoordde Aristoteles met behulp van eigen begrippenapparaat en oorzakenleer. Hierdoor kon hij laten zien dat er wel degelijk een exacte theorie van de fysische werkelijkheid kon worden geformuleerd.
Verandering mogelijk in vier categorieën:
- in substantie: ontstaan (van ene substantie in andere: zaadje wordt plantje)
- kwaliteit: verandering (van gezond word je ziek)
- kwantiteit: groei of krimp
- plaats: beweging
Ook deze theorie van verandering en beweging sluit aan bij de common sense:verandering heeft begin- en eindpunt. Het onderliggende (de substantie) blijft daarbij gelijk.
Aristoteles onderscheidt vier soorten oorzaken. Hij gebruikt deze oorzakenleer om veranderingsprocessen te verklaren.
hylemorfisme : Bij een substantiële verandering (ontstaan) noemt Aristoteles dit onderliggende: materie (hule), klei wordt gevormd tot beeld, verandering van vorm, combinatie van immanente vorm en materie. Drie factoren betrokken bij iedere substantiële verandering: - de te verkrijgen vorm - het onderliggende - de afwezigheid van de te verkrijgen vorm in de beginsituatie.
Materie en vorm belangrijkste verklarende factoren: hylemorfisme.
Niet iedere willekeurige beginsituatie kan tot iedere willekeurige eindsituatie leiden: Natuurlijke substanties beschikken niet over de potentie om zich in alle andere substanties te veranderen: enkel in datgene dat in potentie aanwezig is!. Een beukenootje wordt geen goudvis. Bij verandering wordt een vorm die in de beginsituatie in potentie aanwezig was geactualiseerd. In de eindsituatie is deze vorm actueel (feitelijk) aanwezig. Klei wordt beeldje : vorm in potentie aanwezig maar dit is nog niet voldoende verklaard!
Niet voldoende als verklaring: proces wordt door iemand in gang gezet, met een bepaald doel. Oorzakenleer:
- materiële oorzaak: datgene waaruit het bestaat: hout, steen...
- vormoorzaak: vorm van huis zoals die in het denken van b.v. de architect aanwezig is
- bewegingsoorzaak: degene die het proces in gang zet- opdrachtgever van huis
- doeloorzaak: waarom de verandering wordt gemaakt.
Mens: materie = moeder, beweging = vader, zaad = vorm, doel = nieuw mens.
In de natuur oorzaken gereduceerd tot 2: vorm en materie, mens is hier immers beweging, vorm en doel: mens brengt mens voort.
Oorzaak ruimer opgevat dan tegenwoordig: brons als oorzaak beeld. wij voornamelijk bewegingsoorzaak.
4 Wereldbeeld, bewegingsleer en wijsgerige theologie
Rol aristotelische kosmologie en de rol van de eerste onbewogen beweger.
Kosmos is eeuwig (begin niet logisch verdedigbaar) en ruimtelijk begrensd. Kosmos is bol, met aarde in het midden, om de aarde: water, lucht en vuur en daaromheen de hemellichamen in concentrische schillen (sferen), buitenste sfeer: vaste sterren. Aarde in binnenste hemelsfeer (van de maan) en behoort tot het ondermaanse. Hier is alles opgebouwd uit water, lucht, aarde en vuur, deze zijn de materie voor alle verdere substanties. Omstreden is of Aristo vindt dat de vier elementen samen zelf ook nog een eerste materie hebben. In het bovenmaanse hebben de substanties een eigen puurdere materie: vijfde element: ether. Substantiële verandering vindt alleen in het ondermaanse plaats.
In het ondermaanse zijn er twee oorzaken van beweging: gedwongen, door bewegingsoorzaak buiten object zelf en natuurlijke beweging van de elementen, rechtlijnig, aarde en water zijn zwaar, dus bewegen naar beneden, lucht en vuur zijn licht en bewegen naar boven (naar het perifere). Doeloorzaak: streven van elementen om op hun natuurlijke plaats te komen.
In het bovenmaanse is er uitsluitend de natuurlijke beweging, een rotatie. De planeten zijn de mindere: zij maken een spiraalvormige beweging, de vaste sterren beschrijven een perfecte rotatie. Oorzaak kan niet streven naar eigen plaats zijn, deze is al bereikt. Oorzaak: De Eerste Onbewogen Beweger. Deze heeft geen beweging = geen potentialiteit voor beweging = pure actualiteit = pure vorm, zonder materie (= immers principe potentialiteit). Voor Aristo God = het hoogste zijnde, een denkend intellect (nous) met als object van denken het hoogste wat er is: zichzelf. Inhoudelijk bepaald als puur denken dat zichzelf denkt. Hij beweegt de buitenste hemelsfeer door te zijn en als zodanig als doeloorzaak te fungeren voor die buitenste sfeer: hij beweegt door object van liefde te zijn. De hele kosmos streeft naar God. De cirkelbeweging is de beste benadering van een God. Alles streeft naar het Goddelijke, hoe verder ervan af, hoe minder volmaakt. Hoewel de natuur niets zonder reden doet, gaat er ook nog wel eens iets mis.
5 CONCLUSIE
Theorie over natuurlijke werkelijkheid lang stand gehouden, eerst omarmd door de platonisten en geïncorporeerd. Later in de middeleeuwen vermengd met christendom en aristotelische fysica verbonden met christelijke theologie. Tot zeker in de 17e eeuw het gangbare wereldbeeld bepaald. Problemen die moesten worden opgelost voor de vermenging met christendom, b.v. eerste onbewogen beweger kon moeilijk als liefhebbende God gezien worden die Zijn zoon naar de wereld stuurde.
Scherpe scheiding volmaakte bovenmaanse en minder volmaakte ondermaanse: Griekse opvatting van Goddelijke sterren, vanuit fysica onelegant: twee materies, gescheiden en wel. Al in oudheid de ether als vijfde element bekritiseerd.
Systeem gebaseerd op noties uit dagelijkse ervaringswerkelijkheid, hierdoor spreekt het snel aan, maar het is ook zijn zwakte, speculatief denken boven de alledaagse ervaring uit heeft uiteindelijk tot belangrijkere resultaten geleid. Maar Aristoteles had immers ook geen instrumenten hiervoor.
De aristotelische fysica is gebaseerd op de dagelijkse ervaring
Leereenheid 9 p.129
Aristoteles’ Praktische Filosofie
praktische filos: ethiek, economie, politiek
Ethiek in engere zin tracht te bepalen waarin voor de mens het goede leven ligt en politieke filosofie laat zien hoe dat goede leven in staatsverband kan worden gerealiseerd: eigenlijk dus een geheel: politike = 1 term voor beide :
ethiek + politiekGoede leven is niet moreel goed (ook wel) maar vooral fraai, boeiend en geslaagd. Moraal is opgenomen in ruimer verband van beschouwingen over het gelukkige leven. Moraal en politiek horen samen.
Eudaimonia = geluk, objectieve lading ‘een goede beschermgod hebben’.
Arete = deugd, maar zonder de morele connotaties, die wij eraan geven. Het is je functie op eminente wijze vervullen.
Praktische filosofie is zelfstandige discipline met eigen uitgangspunten en een eigen methode. Maar ethiek en politieke filosofie kunnen niet zonder enige kennis van de psychologie.
Leerdoelen: Na bestudering van deze leereenheid bent u in staat om
- aan te geven wat volgens Aristoteles de relatie is tussen ethiek en psychologie
- Aristoteles’ opvatting van het goede en het geluk (eudaimonia) in hoofdlijnen te reproduceren
- uit te leggen wat in de aristotelische ethiek deugden zijn en welke soort deugden Aristoteles onderscheidt
- de hoofdlijnen te schetsen van Aristoteles’ politieke filosofie, met bijzondere aandacht voor zijn visie op de rol van de staat en voor de door hem gevolgde methode.
1 Relatie ethiek en psychologie
Fysica bij Aristoteles is: studie van levenloze en van de levende natuur. Levende natuur onderscheidt zich van de levenloze door bezit van een ziel: ook planten hebben een ziel. Ziel is niet het ego / bewustzijn, maar een beginsel van leven. Ziel als levensadem was Griekse conceptie. Adem is niet materieel.
A. formulering van de relatie van lichaam en ziel verschilt op wezenlijke punten vd visie v P
Psychologische theorie moet ervoor zorgen dat de ziel een onderscheidend kenmerk is van wat leeft. Ziel is niet als bij Plato een iets op zich zelf staands, onlichamelijk en onsterfelijk, tijdelijk wonend in een sterfelijk lichaam. Verklaart namelijk niet waarom en hoe lichaam en ziel een verbintenis aangaan. Waarom kan de ziel niet in iedere willekeurig lichaam plaatsnemen? Bij Aristoteles wordt de ziel opgevat als een functie die specifiek is voor het soort lichamen waarvan zij de ziel is. Lichaam en ziel vormen een onlosmakelijk geheel. Bezielde en onbezielde substanties worden op dezelfde wijze verklaard, samenstelsel van vorm en materie, waarbij de ziel de specifieke vorm is van een levend wezen als levend wezen. De georganiseerde wijze waarop levende wezens functioneren noemen we leven, hierdoor spreken van een ziel. een immanente vorm maakt van een tafel een tafel. Zo maakt in levende wezens een immanente vorm (de ziel) hen tot een levend wezen. De ziel is echter niet statisch, maar de levensfunctie.
Hij definieert Ziel als wat het voor een bepaald lichaam betekent te zijn wat het is.
Als een bijl een levend wezen was zouden wij de ziel van de bijl moeten identificeren als haar bijl-zijn.
Als een oog een zelfstandig wezen was, zou de essentie van het oog, het kunnen zien, de ziel van het oog zijn.
De ziel is dus de essentiële vorm van een bepaald lichaam. Die essentiële vorm dient men bij een levend wezen op te vatten als het vermogen een bepaalde functie uit te oefenen.
De onsterfelijkheid van de ziel gaat hierbij tot de onmogelijkheden behoren: lichaam dood, essentie weg Þ ziel dood. De ziel is die vorm, die datgene dat potentieel levend is tot een levend wezen maakt, actualisering van een potentie. Hierbij wordt voor actualisering entelecheia (voleinding) gebruikt.
De ziel is de eerste entelechie van wat in potentie leven bezit. We spreken van een ziel op het moment dat leven aanwezig is, maar dat hoeft niet te betekenen dat alle met het leven samenhangende functies ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Een eerste entelechie van wat potentieel leven heeft. Een mens kan waarnemen en denken, maar als hij slaapt functioneren deze functies niet. Toch is hij levend en bezield.
Als eerste entelechie van wat potentieel leven bezit is de ziel zo verantwoordelijk voor een aantal vermogens die vervolgens, in een soort tweede entelechie, al dan niet geactiveerd kunnen worden. Niet alle levende wezens hebben immers dezelfde psychische vermogens:
1 vermogen tot zelfvoeding en voortplanting
2 het waarnemingsvermogen
3 vermogen om verlangens te hebben
4 vermogen tot bewegen
5 voorstellingsvermogen (phantasia)
6 het intellect (nous)
Planten alleen 1
Dieren 1 en 2, verder wisselend
Mensen alle vermogens (enigen met intellect)
Georganiseerd functioneren is onderdeel van de in de natuur aanwezige teleologie: ze functioneren volgens een van nature gegeven plan: de mens moet dus al zijn vermogens ontwikkelen wil hij functioneren zoals de natuur dat bedoeld heeft, vooral het intellect. Notie van natuurlijke zelfontplooiing. Volgens A. streeft de mens van nature naar geestelijke en sociale zelfontplooiing.
2 Notie van het goede , het geluk (eudaimonia) en de deugd
Het goede is het hoogste menselijk streven, al het menselijk handelen is hierop gericht. Dit is algemeen aanvaard (en hoeft dus niet betwijfeld te worden). Begrip Goede is niet eenduidig (zoals bij Plato) evenmin als het begrip zijn (zie categorieënleer). Goed in het ene geval hoeft niet goed te zijn in het andere geval. Volgens A. weet de deugdzame mens het juiste midden te bepalen en houdt dan rekening met de aard van de specifieke situatie. Kritiek op Plato: het idee van het overkoepelende goede, dat aan dingen goedheid verleent is onzin. Bovendien zijn mensen op zoek naar het menselijk goede. Zelfs als model niet aanvaardbaar.
Terug naar common sense: concentreer op hoogste goede voor de mens, Aristoteles onderzoekt hoe mensen denken over het goede. Dit blijkt eudaimonia te zijn, de invulling verschilt als ook de weg er naar toe. Geluk in lustbeleving, rijkdom of eer worden verworpen. Geluk bestaat in het uitoefenen van de functie die de mens eigen is. Alleen de mens heeft intellect, hierin moet dus het geluk liggen.
Het menselijk geluk is niet de activiteit van het intellect zonder meer, maar zijn deugdzame (arete) (of voortreffelijke) activiteit. Dus: Eudaimonia is een activiteit volgens de deugd, en zo er meer zijn: volgens de hoogste en de meest volmaakte. Dit alles moet gebeuren in een volledig leven. Dus je hebt een redelijke tijd van leven nodig. Daarnaast: een goede gezondheid, een zekere mate van lichamelijke schoonheid, bezit en vrienden. Mens is sociaal wezen, moet in een gemeenschap leven. In zo’n leven komt de mens tot volle bloei. Lust is een bijverschijnsel van het hoogste goed, geen doel op zich, maar als het ware een subjectieve ervaring die het gevolg is van een objectief vast te stellen eudaimonia. Eer en rijkdom ook randvoorwaarden. Een goed leven: voortreffelijke intellectuele aktiviteit onder gunstige voorwaarden
3 De deugden in de aristotelische ethiek, welke worden onderscheiden?
Intellectuele deugden (verstands- of dianoëtische deugden) en karakterdeugden.
Verstandsdeugden zijn de verschillende excellente vormen van de verstandelijke activiteit: kennis of wetenschap (episteme), inzicht (nous) en praktisch verstand (phronesis). Episteme en nous zijn puur theoretisch. Phronesis is gericht op maken van juiste keuzen bij het handelen. Het is een calculerend vermogen, dat in iedere situatie opnieuw de veranderlijke en individuele factoren afweegt die de beslissing om een handeling al dan niet uit te voeren kan beïnvloeden.
De voor het handelen relevante vorm van intellect (phronesis) is dus minder exact. Plato baseerde handelen op kennis van algemeen geldige; Aristoteles dus niet! het praktisch verstand komt met de jaren: gewenning en oefening. = brug naar karakterdeugd
Een karakterdeugd is te beschouwen als een door gewenning en opvoeding gevormde dispositie van dàt vermogen van de ziel dat met handelen en verlangen te maken heeft om de juiste keuzes te maken.(karakterdeugd is dus geen aangeboren eigenschap vd ziel)
Het praktisch verstand denkt over die keuzes na. Karakterdeugden en praktisch verstand gaan hand in hand. Het zijn vormen van excellentie. Deze excellentie ligt in het midden tussen twee uitersten. Karakterdeugden houden het juiste midden. Dapperheid houdt het midden tussen roekeloosheid en lafheid b.v.(gematigdheid, rechtvaardigheid, vrijgevigheid, zelfrespect, waarheidsliefde, vriendelijkheid) Een extreme reactie kan wel nodig zijn. De dispositie dient echter zo te zijn dat er niet vanzelfsprekend een extreme reactie gegeven wordt. De vermogens om deze deugden (verstand en karakter) te ontwikkelen vormen de instrumenten waarmee de natuur de mens heeft uitgerust. Ze kunnen ook tegengesteld worden gebruikt: de mens is dan het meest vraatzuchtig, immoreel en wild van alle dieren.
Ook vrije keuze en morele verantwoordelijkheid worden geanalyseerd in de Ethica Nicomachea. Voorwaarden waaronder een handeling aan iemand kan worden toegerekend: mens is verantwoordelijk voor de handelingen die hij vrijwillig verricht én voor zijn karakter. Contemplatie is de hoogste en verreweg de meest verkieslijke menselijke activiteit. Het is datgene waarin de mens op een god lijkt. Een leven van pure contemplatie is een superieur leven, alleen dat het leven van een god en dus voor een mens niet weggelegd, de mens moet het wel nastreven. Grieks ideaal: zoveel mogelijk gelijk een god worden. Verstand is meest eigene en kostbare van de ziel.
Absolute normen (plato) niet toe te passen
. Phronesis is geen vorm van kennis. Maar het is geen ethisch relativisme of subjectivisme. Het goede is wel objectief vast te stellen, alleen van geval tot geval te doen, omstandigheden in aanmerking genomen. Het goede leven is een bloeiend leven, waarop je trots kunt zijn, niet de strikt morele connotaties van vele moderne filosofen.4 Politieke filosofie
Ook bepaald door verschijnselen. Veel voorbeelden en erg toepassingsgericht. Zowel de ideale constitutie als kleine verbeteringen van de staat. Politieke filosofie is ook kwestie van phronesis, moet rekening houden met variabele omstandigheden: er zijn geen algemeen geldende normen.
Algemene conceptie van de staat: Mens is sociaal dier. Volledige ontplooiing niet zonder sociaal verband. Natuurlijke vorm hiervan: Polis. Hoort bij natuurlijk streven van de mens om in gemeenschapsverband te willen genieten. Polis in dienst van goede leven van de burgers (is dus meer dan louter beschermingsfunctie v burgers).
Polis kleine staat: natuurlijke grens aan de grootte van de staat. Genoeg burgers om zelfvoorzienend te zijn (autark), maar niet meer dan in één volksvergadering kunnen worden toegesproken en in een oorlog door één enkele veldheer kunnen worden geleid. ‘face-to-face society’.
Polis is tamelijk veelomvattend. Zowel een institutioneel geheel (staat) als sociaal geheel (gemeenschap).
Idee van de verdelende rechtvaardigheid van politieke macht: Iedereen krijgt zoveel invloed en macht als in proportie is met zijn bijdrage aan datgene wat constitutief (wat wezenlijk is voor) is voor het polisverband. Staat niet alleen om het leven van de burgers te beschermen, ook om het goede leven te beschermen en te bevorderen. Polis moet zich dus bekommeren om de deugden van haar inwoners.
Classificatie van de mogelijke constituties van de polis: Verschillende staatsvormen in een schema. Twee criteria: aantal machthebbers én of die in eigen- danwel groepsbelang regeren. Zes constituties: Drie goede: Drie slechte:
Monarchie (één heeft de macht) Tirannie
Aristocratie (enkelen hebben de macht) Oligarchie
Constitutie (velen hebben de macht) Democratie
Rechtvaardige verdeling indien gelijke porties aan gelijken worden toebedeeld. Mensen moeten zelf beoordelen of ze gelijk zijn aan elkaar en dat is moeilijk. democraten: allemaal vrij Þ gelijk, oligarchen: verschillen in rijkdom Þ mensen verschillend etc. Volgens Aristoteles is verdienste het enige goede criterium. Voorkeur voor monarchie of aristocratie. Voor uitvoerende functie is dan misschien niet iedereen geschikt voor controlerende functie van volksvertegenwoordiging misschien wel. Met deze nuanceringen geeft hij blijk van phronesis.
Comeback van politieke filosofie en ethiek van Aristoteles. Vooral idee dat politieke gemeenschap meer moet zijn dan contact van individuen om elkaar niet te schaden, is in vele variaties terug. Alistair MacIntyre: terug naar polis.
Leereenheid 10 p.145
Aristoteles en de kunsten
Poietische filosofie: de esthetica (wijsgerige reflectie op schoonheid en kunst) bestond eigenlijk niet voor hem. Hij spreekt over de afzonderlijke kunsten (kundes). Geen wijsgerige discipline, dus gedachten verspreid. Wel over de poëzie: de poetica: gedetailleerde handleiding. Ideeën lijken bewuste reactie op Plato’s lage dunk van de kunsten. A. hecht meer belang aan kunst dan P.
Na bestudering bent u in staat om:
- aan de hand van een uiteenzetting over het begrip techne aan te geven hoe Aristoteles denkt over artistieke activiteit
- Aristoteles’ theorie van de mimesis in hoofdlijnen te schetsen en de verschillen met de platonische versie duidelijk te maken
- Aristoteles’ opvattingen over de effecten van kunstwerken af te zetten tegen die van Plato, daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan Aristoteles’ theorie over catharsis
- de geschiedenis van de Aristoteles-interpretatie in grove trekken te schetsen.
1 Techne en de artistieke activiteit
Plato: schilder maakt beeld van beeld, geen kennis van hetgeen hij afbeeldt ‘mimesis’.
Bij A is kunst GEEN slaafse nabootsing.
Aristoteles: techne = activiteit kunstenaar én die van de handwerksman. Techne is cognitieve activiteit. Volgens Aristoteles’ kennispsychologie heeft kennis betrekking op ‘universale', niet particuliere Þ kennis van ‘paard’, ‘mens’ in het algemeen, van de individuele mens hebben wij hoogstens een ervaring, maar dat is geen kennis. Kennisvermogen van de ziel is zodanig dat het algemene begrippen kan vormen die exact corresponderen met de immanente vormen in de dingen in de wereld om ons heen. Het verwerven van de gekende intelligibele vormen gaat als volgt: net als dieren kan de mens waarnemen, alleen na de waarneming vindt er bij de mens een kenproces plaats.
1. waarneming, herhaalde waarneming zorgt voor
2. herinnering, meerdere herinneringen geven
3. ervaring (empeiria), deze leveren uiteindelijk
4. het universale als intelligibele vorm in het intellect.
Dit universale is altijd als vorm in de afzonderlijke dingen aanwezig. Het vormen van deze universalia is of
a. techne (objecten die gemaakt worden) of
b. wetenschap of kennis (feiten).
Kunde (techne) komt tot stand wanneer van een veelheid aan noties die door de ervaring zijn geleverd, één universeel oordeel over een klasse van objecten geproduceerd wordt.
Plato viel dichtkunst inhoudelijk aan. Maar Aristoteles maakt duidelijk dat de techne van de dichter vooral in de inhoud en niet alleen de vorm ligt. Plot, karaktertekening en verwoorde algemene gedachten staan in zijn hiërarchie bovenaan.
Volgens Aristoteles is techne één van de intellectuele deugden (dus vorm van excellente ontplooiing van cognitieve vermogens) en de ontwikkeling van de kunsten is een van nature gegeven teleologie. Hun ontstaan is natuurlijk gevolg van de aard van de mens en ontwikkeling verloopt langs natuurlijke weg. Ze horen bij het menselijk bestaan.
2 Aristoteles’ mimesis en de verschillen met Plato
Aristoteles is het eens met Plato dat een kunstwerk een afbeelding geeft van iets anders. Kunst is mimesis. Later pas expressie van gevoelens geworden (romantiek). Bij Plato is het echter een afbeelding van een afbeelding, hetgeen bij Aristoteles niet kan, het is hoogstens een afbeelding. Maar bij Aristoteles is het ook geen gewone slaafse kopie. De superioriteit van de werken die het resultaat zijn van de techne van de schilder boven werkelijk bestaande objecten ligt er voor Aristoteles in dat een aantal verspreid voorkomende goede punten bijeengebracht worden in één object. (Mooier dan werkelijkheid). Met behoud van de mimesis relatie kan de schilder werkelijkheid abstraheren van bepaalde elementen. Een ideaaltype dus.
Ook de dichter gebruikt alleen die details die tot het plot horen en gebeurtenissen die overbodig zijn laat hij weg. De historicus geeft echter een zo getrouw mogelijk beeld van de individuele gebeurtenissen. De dichter construeert gebeurtenissen zoals ze zouden kunnen gebeuren: niet wat Alcibiades meemaakt, maar wat Alcibiades als mens zou kunnen overkomen. Personages zijn dus typen, geen individuen. Dichter brengt dus universale i.p.v. particuliere over. relatie kunstwerk / buitenwereld is niet zo simpel als Plato vond. Creatief gebruik van de gegevens, representatie van universalia.
3 Effecten van de kunst en catharsis
Volgens Plato speelde de kunst vooral in op emoties en driften van de mens en niet op het rationele deel van de ziel. Negatieve invloed van kunst scherp gecontrasteerd met positieve invloed van de filosofie. Rede behoort de emoties te beheersen. Aristoteles vindt kunst een typisch menselijke bezigheid. Ook het genieten van producten van mimesis is natuurlijk en daarom aangenaam.
1. mens beleeft van nature genot aan het leren, zien en herkennen van producten van mimesis is vorm van leren (zo is de liefde, de herkenning van het universale in het kunstwerk). Ook onafhankelijk van de herkenning kan men genieten van een kunstwerk, kleuren e.d. Men moet dit wel binnen de grenzen houden, maar van onmatigheid kan geen sprake zijn.
Gematigdheid (deugd) heeft niet betrekking op alle zintuiglijke genietingen. Verschil esthetische genoegens en simpele lusten. Door het opwekken van emoties, zoals bij een tragedie wordt catharsis bereikt: reiniging van de emoties om een soort evenwicht te bereiken, een soort emotionele aderlating. Geen eliminatie of onderdrukking van de emoties, maar bereiken evenwichtstoestand. Volgens Aristoteles leveren de kunsten dus een bijdrage aan het goede leven. De vraag naar het nut moet niet altijd gesteld worden.
Plato: kunstenaar geïnspireerd, maar geen kennis
Aristo: mimetische techne heeft cognitieve status
plato: kunstwerk is afb van afbeelding
aristo: kunst kan algemene waarheden overbrengen, ook louter genoegen verschaffen
plato: emotionele impact is verkeerd-enkel rede
aristo: emoties ontladen in catharsis
4 De geschiedenis van de Aristoteles’ interpretatie
Invloed op het westerse denken: Richtingen in de moderne Aristoteles’ interpretatie
Aristoteles’ benadering van de filosofie: aansluiten bij het common sense. Ook in de ethiek wil hij zoveel mogelijk de opvattingen over een goed leven verdisconteren en ook de ontologie doet geen beroep op een zich aan de dagelijkse ervaring onttrekkende hogere realiteit. De fysica gaat de dagelijkse ervaring nauwelijks te boven.
Keuze van kwalitatieve boven kwantitatieve als verklarende factor: dingen zijn wat ze zijn dankzij immanente vorm, als essentie van de dingen heeft deze een kwalitatief karakter. Wiskunde komt er dus niet bij te pas. Kwantitatieve eigenschappen zijn immers slechts accidentele! De mathematisering van de natuurwetenschappen in de 17e eeuw was dus emancipatie uit de Aristotelische traditie.
Na dood Aristoteles eerst inboeting van belangrijkheid Peripatos.
1e eeuw: Andronicus, daarna een aantal systematische samenvattingen in boekvorm en commentaren op de esoterische werken. Eerst eigene van Aristoteles’ filosofie benadrukt
4e-6e eeuw: neoplatonisme komt op. Overeenkomsten Plato en Aristoteles benadrukt. Een systematiserende interpretatie van Plato’s werk waarin vrijelijk elementen uit Aristoteles’ filosofie werden gecombineerd. Waarneembare werkelijkheid gecombineerd met metafysische bovenbouw (ideeënleer).
5e eeuw: instorting West-Romeinse rijk: met kennis Grieks verdween ook de kennis van Aristoteles’ werk. In Athene verbood de byzantijnse keizer Justianus de heidense filosofie. In Arabische wereld ontstond rijke traditie van vertalingen en commentaren op de aristotelische werken. Vanuit hier leerde men in het westen in de middeleeuwen weer Aristoteles kennen. Vertaling uit Arabisch en Grieks in Latijn. Hierdoor vanaf
12e eeuw sterke hernieuwde opbloei van Aristotelisme. Ging –in min of meer gechristianiseerde vorm, zeer sterk gesystematiseerd- basis vormen van filosofisch en wetenschappelijk denken. Standaardtermen –in Latijn- werden standaardvocabulaire voor de filosofie.
Pas in de 19e eeuw aanvulling op de predikatenlogica.
Analytische versus systematische benadering van Aristoteles’ filosofie.
Analytisch: nadruk op verscheidenheid en heterogeen karakter van de overgeleverde corpus aan teksten.
Systematisch: nadruk op eenheid van benadering en methode en filosofisch systeem. Laatstgenoemde methode is tot aan 20e eeuw overheersend geweest.
Jaeger wees op de lappendeken. Hiermee werd ruimte geschapen voor een doorbreking van het eenheidsbeeld. Ook de benadrukking van Aristoteles’ dialectiek bracht dit teweeg. Ook nu nog richtingenstrijd. Neothomisme: nadruk op eenheid. Analytische filosofie: veronachtzamen van systematische en constructieve aspect van Aristoteles’ werk. Meer open debat. Invloed nauwelijks geëvenaard.