Macht, afhankelijkheid en identiteit


Mannen en vrouwen: verschuivingen in macht en identiteit

Inleiding: de machtsverhoudingen tussen de seksen

Op de vraag hoe de machtsverhoudingen tussen de seksen zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld bestaan twee visies:

De visie dat de verhoudingen tussen mannen en vrouwen door de geschiedenis heen gelijker zijn geworden. Deze visie is historisch-sociologisch van aard en gebaseerd op lange termijnvergelijkingen.

De visie dat er vooral sprake is van een grote en blijvende ongelijkheid; soms zelfs van een verslechtering van de positie van vrouwen. Deze visie is meer politiek-moreel van karakter waarbij de veranderingen overwegend beoordeeld worden vanuit een gelijkheidsideaal.

Het raadsel van de mannenmacht: verklaringen voor de ongelijkheid tussen de seksen

Waarom domineren de mannen over de vrouwen van gelijke leeftijd en status? In het verleden zochten godsdiensten het antwoord in de wil van God. Sommige filosofen dachten dat vrouwen minder intelligent zouden zijn (van Aristoteles tot Kant en Nietzsche).

Tegenwoordig is één van de hypothesen dat al heel vroeg in de geschiedenis een arbeidsdeling is ontstaan, waarbij mannen gezamenlijk op jacht gingen en vrouwen een veel kleinere actieradius hadden rond kinderen en de zorg voor voedsel. Over een groot aantal generaties heen bevorderde een natuurlijke selectie de robuuste eigenschappen bij mannen en meer zachtzinnige en zorgende bij vrouwen.

Door de jacht kregen mannen een voorsprong in organisatievermogen en een grotere fysieke kracht waardoor ze beter konden vechten. Het betere organisatievermogen leidde ook tot meer kennis.

Mannelijke dominantie en vrouwelijke onderschikking in de Middeleeuwen

Globaal gesproken toont de middeleeuwse agrarische samenleving een patroon van mannelijke dominantie en vrouwelijke onderschikking.

Overspel van vrouwen werd streng bestraft, niet zozeer van overheidswege als wel door de bedrogen echtgenoten. Overspel is een gebied waarop tot op de dag van vandaag een dubbele moraal voor mannen en vrouwen geldt: mannen konden en kunnen nog steeds meer vrijuit gaan en hoeven minder beducht te zijn voor verlies van morele reputatie.

Bezit kon voor vrouwen een belangrijke machtsbron zijn, en voor vrouwen van boeren en ambachtslieden vormde hun werkkracht een belangrijk kapitaal.

Vrouwen werden steeds meer teruggedrongen uit de openbare sfeer en vrouwenarbeid beperkte zich hoe langer hoe meer tot taken in en rond het huis.

Onder de elite speelden de machtsverschillen tussen de seksen een veel grotere rol dan in de lagere standen. Boeren en handwerkslieden moesten immers wel samenwerken met hun vrouwen om te overleven.

Geleidelijk begon de huwelijksband een ander karakter te krijgen, allereerst in de stedelijke samenleving: gevoelens van verliefdheid en liefde gingen een belangrijker rol spelen.

Het grondpatroon van mannelijk overwicht en vrouwelijk onderschikking was in de Middeleeuwen stevig verankerd in wet en religie en in de praktijk

Van de vroegmoderne tijd tot de industrialisering: differentiatie en affectie

Vergeleken me de Middeleeuwen kwam er meer aandacht voor het belang van liefde, affectie en kameraadschap in het huwelijk. Vanaf de vijftiende eeuw kwamen noties over de intimiteit van het gezinsleven tot ontwikkeling, ontstond er een ‘sentiment de famille’ en werd affectie binnen de gezinskring belangrijker.

De vrouw was ondergeschikt aan het gezag van haar man en had de plicht hem te gehoorzamen. Toch moest hij haar niet behandelen als ondergeschikte, maar haar leiden ‘in christelijke liefde’.

De patriarchale macht is pas heel recent afgebrokkeld en het liefdevolle kameraadschappelijke huwelijk geldt nog steeds als huwelijksideaal.

In de hoogste lagen van de burgerij was het huishouden al ver voor de industriële revolutie, een vrouwendomein, waar de vrouwe des huizes heerste over huis en personeel. Maar in de 19de eeuw werd de scheiding van wonen en werken, en daarmee de scheiding tussen vrouwen- en mannendomeinen, het dominantie patroon bij veel grotere groepen uit de bevolking, al was er nooit sprake van een segregatie tussen de seksen zoals we die bij voorbeeld uit islamitische landen kennen. Allerlei functie die vrouwen lange tijd gewend waren uit te oefenen, in winkels en werkplaatsen, bij inkoop en boekhouding, werden sindsdien overgenomen door mannen.

Materiële motieven zoals bezitsoverdracht golden minder dan voorheen als goede reden voor een huwelijk en maakten meer en meer plaats voor genegenheid en seksuele aantrekkingskracht.

  1. Er komen volgens Shorter drie nieuwe sentimenten vanaf de 18de eeuw tot ontwikkeling:
  2. het belang van seksualiteit en affectie tussen huwelijkspartners
  3. de ontwikkeling van een hechte emotionele band tussen moeder en kind
  4. de opkomst van de huiselijkheid.

De moderne tijd: naar een evenwichtiger machtsbalans

Doordat aan het eind van de 19de meisjes toegang gekregen tot middelbaar en hoger onderwijs verloren mannen gaandeweg, echter pas in versneld tempo in de jaren 70 en 80 van onze eeuw, hun overwicht op het gebied van kennis: eeuwenlang een belangrijke bron van machtsoverwicht op vrouwen.

De in de burgerij gecultiveerde idealen van huiselijkheid en moederschap begonnen ook bij de industriële arbeidersklasse door te dringen. Zo sterk dat deze daar tot op de dag van vandaag nog altijd als idealen gelden.

Met de toegang tot onderwijs en arbeidsmarkt en het verwerven van kiesrecht wonnen vrouwen openbaar terrein. In deze periode ontstond vooral onder goed opgeleide vrouwen uit de hogere burgerij een krachtig verlangen naar emancipatie, dat vorm kreeg in wat de eerste feministische golf wordt genoemd.

De drie bronnen van machtsoverwicht die mannen eeuwenlang op vrouwen hadden lichaamskracht, kennis en organisatie zijn, zoals we zagen, in de loop van de tijd iets gelijker over de seksen verdeeld geraakt, of hebben zoals in geval van lichaamskracht een minder grote betekenis gekregen.

Vrouwen begeven zich de laatste decennia veel meer op voormalige ‘mannengebieden’ (werk buitenshuis, politiek, uitgaansleven etc.). In omgekeerde richting vinden minder grensoverschrijdingen plaats. Zo besteden vrouwen met één of meer kinderen nog altijd drieëneenhalf keer zoveel tijd aan huishoudelijk werk en verzorging dan mannen.

Eigenschappen en houdingen die vroeger als uitgesproken mannelijk golden, zoals zelfverzekerdheid, ambitie, wilskracht en moed, worden nu ook door vrouwen nagestreefd. Het overnemen door mannen van lang als vrouwelijk beschouwde eigenschappen als zachtheid, zorgzaamheid en geduld lijkt trager te gebeuren dan in omgekeerde richting.

Overigens, moeten we ons dit niet te rooskleurig voorstellen. Veel meer dan lange tijd gedacht, blijkt fysiek geweld van mannen tegen (hun) vrouwen voor te komen, alsook seksueel geweld tegen meisjes en jonge vrouwen. Overigens speelt bij dat laatste nog een andere machtsongelijkheid mee: die tussen ouders en kinderen.

Contrasten en conclusies

Volgens de Franse filosofe Elisabeth Badinter is het oude model van elkaar aanvullende en zeer verschillende man en vrouw verdwenen. Dit relatietype dat werd gekenmerkt door het relatie-ideaal van ‘harmonieuze ongelijkheid’ is vervangen door de overeenkomst: mannen en vrouwen zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. De ingrijpende veranderingen zijn voor veel mannen en vrouwen onduidelijk en verwarrend. Zowel de vrouwelijke als de mannelijke identiteit zijn de laatste decennia problematisch geworden, wat zowel positief als negatief beleefd kan worden, als bevrijding maar ook als verlies van houvast.

 


‘Familie duurt een mensenleven lang’ Ouders en kinderen in historisch perspectief

Inleiding

In de literatuur over ouders en kinderen in het verleden spelen drie belangrijke thema’s een rol:

de vraag of affectieve relaties tussen ouders en kinderen een product zijn van een specifieke gevoeligheid die pas in de 17de of 18de eeuw ontstond onder de meer gegoeden in de samenleving.

de opkomst van het onderwijs, welke vanaf de 16de eeuw een steeds belangrijkere institutie wordt waarin een groot deel van het socialisatieproces plaats vindt.

de groeiende rol van de overheid in de verhoudingen tussen ouders en kinderen.

Zorg en hoop

In de middeleeuwse samenleving werden kinderen vooral beschouwd als aan volwassenen gelijkwaardige arbeidskrachten en kregen zij weinig afzonderlijke aandacht. Het krijgen van kinderen was een hachelijke zaak. Vrouwen bevielen thuis waarbij vroedvrouwen hen terzijde stonden. Wie in een hospitaal beviel was arm of droeg een onwettig kind.

Onder meer door gebrek aan goed water, onwetendheid en armoede kenden de pre-industriële tijden een massale kindersterfte.

Vanaf de 10de eeuw was de gewoonte ontstaan om kinderen spoedig, een dag of zeven na de geboorte, te dopen. Het was gebruik om het kind ten doop te laten houden door peetouders. Het is aannemelijk dat kinderen in de lagere standen, zowel in de stad als op het platteland, door hun moeders zelf werden gezoogd. Soms had de moeder naast haar eigen kind nog de zorg voor andere zuigelingen.

Voor zover kan worden nagegaan werden kinderen, in de Middeleeuwen niet uitzonderlijk streng behandeld, zeker niet tot een jaar of zeven. Ouders en kinderen waren gewend veel van elkaar, ook van intieme activiteiten, te zien: vaak sliep men naakt en het was heel gebruikelijk om met meerderen in een bed te slapen.

Tot een jaar of zeven werden jongens en meisjes samen opgevoed, pas daarna werd onderscheid gemaakt tussen de verschillende geslachten in opvoeding en onderwijs.

In de loop van de geschiedenis werd de afstand tussen kinderen en volwassenen groter, het socialisatietraject langer en ingewikkelder.

Kinderen werden door hun onbeheerstheid een bedreiging voor de volwassenen. De toenemende noodzaak voor mensen om hun emoties te beheersen, maakte dat het gezin als opvoedingsinstituut aan betekenis won. De opvoedende functie van de gemeenschap, het dorp of de buurt, nam in betekenis af en de verantwoordelijkheid voor een gedegen opvoeding kwam meer en meer bij de ouders te liggen en werd daarmee verlegd tot binnen de muren van het huisgezin. Dat raakte daarbij geleidelijk meer geïsoleerd van de buitenwereld.

Vanaf de 17de en 18e eeuw komen er meer aanwijzingen over het belang van affectie, de noodzaak om het karakter van het kind te leren kennen en het belang van een goede verstandhouding.

De overgang van jongere naar volwassene hing in de pre-industriële samenleving nauw samen met het verwisselen van de status van ongebondenheid met die van het huwelijk. De puberteit, de fase waarin het leven gekenmerkt wordt door ‘Sturm und Drang’, is daarbij sterker op de voorgrond getreden naarmate de afstand tussen kinderen en volwassenen in de loop der tijd groter werd.

Met de opkomst van door steden, handel en industrie gedomineerde samenlevingen werd volwassenheid daarnaast steeds meer opgevat als meerderjarigheid voor de wet.

In 1809 hield de Code Napoleon de leeftijd van 23 jaar als grens aan, in het BW van 1905 werd 21 jaar aangehouden.

Vrees en vertrouwen

De met elkaar concurrerende religieuze groeperingen katholieken en allerlei protestantse stromingen raakten in de 16de en 17de eeuw doordrongen van het besef dat de jeugd een cruciale factor was voor het toekomstig succesvol voortbestaan van de eigen gemeenschap en overtuiging. Zorg om de toekomst van het geloof is dan ook een voldoende verklaring voor de algemeen gegroeide belangstelling voor kinderen onder protestanten en ook onder katholieken, hoe verschillend hun dogmatiek verder ook was.

De verlichters gingen in de 18de eeuw uit van het kind als tabula rasa, onbevlekt papier. Opvattingen van mensen zouden enkel het gevolg zijn van ervaringen en niet erfelijk vastgelegd.

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) zegt dat de mens van nature niet slecht is maar hij wordt bedorven door verkeerd gezelschap en een verkeerde opvoeding, door een overdaad aan cultuur. Zijn voorstellen kwamen hierop neer dat de opvoeder moet aansluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en niet moet trachten deze te versnellen. Dit betekende een maatschappelijk isolement van het kind dat bij het opgroeien slechts werd begeleid door een gouverneur. Zijn navolgers moesten tot hun teleurstelling ondervinden dat de voorstellen niet erg praktisch waren.

Het kindbeeld van de Verlichting en van de Romantiek, zoals dat door Rousseau werd geformuleerd, heeft diepgaande invloed gehad, maar niet onmiddellijk. De afkeer van het voorschrijven van gedrag aan kinderen herkennen we in de denkbeelden van Maria Montessori (1870-1952) en in de anti-autoritaire opvoeding, die in de jaren zestig in linkse kringen in vooral Duitsland werd gezien als een alternatief voor de verouderd geachte, op gezag berustende opvatting van de verhoudingen tussen ouders en kinderen.

Non scholae, sed vitae

In de middeleeuwen werd aan kinderen vanaf 7 of 8 jaar onderricht gegeven door vader, familieleden, bazen, geestelijken en hogergeplaatste edellieden.

In de moderne tijd wordt schoolbezoek langzaam maar zeker belangrijker en uiteindelijk onmisbaar. Al in 1524 vroeg Luther in een open brief aan burgemeesters van de steden in Duitsland om onderwijs voor zoveel mogelijk kinderen te ondersteunen, niet alleen voor jongens maar ook voor meisjes. Vanaf de 16de eeuw ging de onderwijzer een rol spelen in de socialisatie van de jeugd. Kattekwaad, straatschenderij, kleine criminaliteit, het waren problemen waarvoor de school een oplossing kon bieden. Op die manier droeg het naar school gaan, met de daar vereiste discipline en het gedwongen stilzitten, bij aan het beschavingsproces.

Lang niet iedereen ging naar school. Voor de armste ouders was het schoolgeld en het missen van eventuele inkomsten van de kinderen een belemmering voor geregelde schoolgang. Ook de rijksten bleven thuis, maar die kregen privé onderwijs.

De sterke groei van het aantal kinderen dat ten minste lager onderwijs genoot in de 19de eeuw, maakte dat kinderen en jeugdigen een steeds aanzienlijker deel van hun onvolwassen leven doorbrachten in elkaars gezelschap, buiten de huiselijke kring, en nog niet blootgesteld werden aan de arbeidsmarkt en het volwassen bestaan.

Fabriekskinderen

De industriële revolutie verslechterde tussen 1780 en 1840 in veel opzichten de positie en het lot van veel kinderen uit de lagere klassen. Het werk in de fabrieken en in de mijnen was zwaar, gevaarlijk, eentonig en ongezond. In de loop van de 19de eeuw ontstonden dan ook wetten waarin beperkingen opgelegd werden aan de ongebreidelde uitbuiting van kinderen. De regelingen op het gebied van kinderarbeid werden pas effectief toen ook een systeem van leerplicht werd doorgevoerd, dat aan de kinderen - en aan hun ouders - een alternatief bood. In Nederland kwam daarop een wet in 1900.

Kinderbescherming

Wie in een pre-industriële maatschappij niet tot een huishouden behoorde, had weinig overlevingskans. Wezen, kinderen zonder ouders, ouderen zonder familie, waren er slecht aan toe.

De sterfte in kindertehuizen, als die er al waren, was buitengewoon groot. Naast wezentehuizen waren er in Nederland tot 1830 slechts 2 opvoedingstehuizen voor kinderen.

In 1833 werd in Rotterdam de eerste jeugdafdeling in een Nederlandse gevangenis opgezet.

Tussen 1830 en 1895 nam het aantal kinderen in Nederlandse opvoedingstehuizen toe van 1.000 tot 10.000.

In 1901 werd een stelsel van wetten aangenomen dat nog steeds van kracht is. Daarin is vastgelegd dat de overheid de ouders uit hun macht kan ontzetten en voor heropvoeding elders kan zorgen. Daarmee was Nederland een van de eerste landen in West-Europa waar de kinderbescherming een geregelde wettelijke basis kreeg, al volgden omringende landen betrekkelijk snel.

Adoptie gebeurde in de 19de eeuw regelmatig op particulier initiatief. De ‘baby-farmers’, in Nederland bekend onder de naam ‘engeltjesmaaksters’ (vanwege de slechte verzorging en de hoge sterftekans) konden bestaan omdat ze in een grote behoefte voorzagen, die mede voortvloeide uit de dubbele moraal die voor vrouwen schandelijk vond wat ze mannen niet aanrekende: buitenechtelijk geslachtsverkeer.

Het was destijds in Nederland niet meer onbekend dat ongunstige woonomstandigheden het gezonde familieleven niet bevorderden. Nadat in 1900 de Woningwet normen had vastgesteld en de mogelijkheid van onbewoonbaarverklaring had geschapen, was het aan de gemeentelijke instanties om daarop toe te zien. Sociale wetgeving was vaak verbonden met bezorgdheid om het gezinsleven: in een krot kon een gezin niet tieren.

Terwijl het gezin steeds nadrukkelijker de taak van het fatsoenlijk opvoeden van de kinderen kreeg voorgehouden, had het daarbij te kampen met op zijn minst twee problemen:

de overheid kon zich gevraagd en ongevraagd, via gezinsvoogden, met het opvoeden bemoeien;

de kinderen zelf ondergingen, naarmate de leerplichtige leeftijd steeg, meer en meer de socialiserende invloed van school; in hun gevoelige puberteitsjaren waren ze op school en daarbuiten vooral gevoelig geworden voor de invloed van leeftijdgenoten.

Liefde

Moedermelk werd vanouds hoog aangeslagen, temeer waar men ervan overtuigd was dat goede en slechte eigenschapen met de moedermelk werden ingezogen - een overtuiging die het overigens tot ver in de 19de eeuw heeft uitgehouden. Kon of wilde men niet zogen dan werd een geschikte min gezocht. In Nederland is de min nooit populair geweest. Een verklaring kan zijn dat er relatief weinig werkende moeders waren.

In een cyclische opvatting van het leven, zoals die in agrarische samenlevingen bestond, was de dood geen anomalie, een ongepast en wellicht overwinbaar ongeluk, maar een onvermijdelijk deel van het leven. Getuigenissen over rouw en verdriet bij het verlies van kinderen zijn niettemin talrijk.

Er is voor kinderen in de loop der tijd veel meer een eigen wereld gekomen, met boeken, speelgoed, televisie, sportverenigingen en wat dies meer zijn. Maar daardoor is het, volgens sommigen, voor hen ook lastiger geworden om afscheid van ‘jeugdland’ te nemen en streven ze er te krampachtig naar ‘forever young’ te blijven. Dit verschijnsel staat wel bekend als ‘het Peter Pan-syndroom’. Daardoor zou het moeilijker voor hen zijn geworden zelf als ouders op te treden en zouden ze er minder in slagen hun kinderen het goede voorbeeld voor te leven.

Het is aannemelijk dat de relaties tussen ouders en kinderen nu door meer mensen dan ooit bewuster worden ervaren als een ingewikkeld, dynamisch, psychologisch gekleurd complex.


Familie, huwelijk en gezin in ontwikkelingsperspectief

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt getracht om de lange-termijnontwikkeling van familie, gezin en huwelijk te schetsen en daarmee de hoofdlijnen van dit boek samen te vatten.

Functieverschuivingen: protectie en economisch voortbestaan

Een belangrijke functie van familie-, huwelijks- en gezinsverbanden is de protectie- of beschermingsfunctie. Door een deel van hun leven te organiseren binnen huwelijks- en gezinsverbanden vergroten mensen de beheersbaarheid van dreigingen en gevaren en daarmee hun veiligheid.

Het niveau van pacificatie van de middeleeuwse samenleving was instabiel en relatief laag, de onveiligheid hoog. Onder andere in de architectuur van middeleeuwse kastelen en burchten, kloosters en boerderijen, en ook van de latere stedelijke nederzettingen, komt de preoccupatie met veiligheid scherp tot uitdrukking.

Onder zulke maatschappelijke omstandigheden was de beschermingsfunctie van huwelijks-, gezins- en familieverbanden van vitaal belang.

Vrouwen en kinderen waren aangewezen op de protectie van mannen en wie in een slechts in geringe mate gepacificeerde samenleving als vrije krijger protectie kon en moest bieden, kon ook domineren en soms onderdrukken. Afgezien van de kloosters, waartoe vrouwen soms hun toevlucht namen, waren er nauwelijks alternatieven.

Bezien we nu de West-Europese samenleving rond 1500 dan komt niettegenstaande veel continuïteit een ander beeld naar voren.

De economie, is meer gedifferentieerd en complexer geworden, de stedelijke bevolking groter en machtiger. Er was meer centralisatie van politieke en militaire macht en een functionerend bestuurlijke structuur. Het niveau van pacificatie nam toe, werd stabieler en de onveiligheid van de samenleving verminderde. Er ontstond een duidelijk onderscheid tussen het leven buitenshuis en het leven binnenshuis en scherpere scheidslijnen dan in de vroegere Middeleeuwen tussen ‘publiek’ en ‘privé’, tussen ‘openbaar’ en ‘persoonlijk’. De veiligheid en bescherming van de openbare ruimte was nu een overheidstaak geworden.

In onze eigen tijd zijn de handhaving van de openbare orde en de beveiliging van de openbare ruimte taken die duurzaam aan de overheden zijn toegevallen. De uitoefening van de functie van bescherming en protectie door de overheid is overigens niet meer beperkt tot de openbare ruimte.

De beschermingsfunctie van gezinnen heeft wel een zeker belang behouden, vooral voor jonge kinderen en, zij het in veel mindere mate dan voorheen, voor vrouwen.

Om te kunnen overleven is veiligheid onmisbaar. Een even belangrijke voorwaarde is de beschikking over voldoende bestaansmiddelen.

In de 15de en 16de vond productie, distributie en consumptie primair op het niveau van gezinshuishoudens plaats en het huwelijk en gezin waren van vitaal belang voor het economisch voortbestaan. In vergelijking met de middeleeuwen waren er echter ook grote veranderingen opgetreden. In plaats van de overwegend zelfvoorzienende, onvrije boerenbevolking was op veel plaatsen een vrije boerenstand ontstaan. Arbeidsdiensten en afdrachten in natura waren goeddeels omgezet in pachten en belastingen in geld.

De agrarische productie was gestegen en onder invloed van de aanhoudende vraag naar agrarische producten vanuit de steden gingen boerenbedrijven meer marktgericht produceren, wat doorgaans ook specialisatie met zich meebracht.

In analogie met de middeleeuwse adel werden ook onder boeren bij voorkeur standsendogame strategische huwelijken gesloten. Het streven naar consolidatie van grondbezit speelde daarbij een sterke rol. In de steden was elke relatie met zelfvoorziening verbroken.

In de vroegmoderne tijd ontstond binnen de meer welgestelde stedelijke burgerij een patroon waarbij het gezin als geheel geen productiefunctie meer had, vrouw en kinderen werkten niet meer actief mee en de basis van huwelijk en gezin werd gevormd door het geldinkomen van de man, verworven door arbeid of uit onderneming of bezit. Pas eeuwen later ging met de industrialisatie dit patroon in grote trekken gelden voor bredere lagen van de bevolking.

De economische functie van het gezin werd beperkt tot distributie en consumptie, beide ingebed in veel grootschaliger economische verbanden.Door de individualisering van de arbeid onder de nieuwe economische omstandigheden werden de mannen kostwinners, de vrouwen huismoeders en verloren de kinderen, na een periode van verhoogde arbeidsinzet in de proto-industrie en de vroege fase van de industrialisatie, uiteindelijk hun economische functie voor het voortbestaan van het gezin.

Functieverschuivingen: seksualiteit, procreatie, socialisatie en affectie

Aanvankelijk was het aangaan van een huwelijk exclusief een aangelegenheid van de direct betrokkenen en hun families, waarbij de betrokken mannen het goeddeels voor het zeggen hadden. Geleidelijk aan werd de bemoeienis van de kerkelijke en wereldlijke overheden echter steeds verder uitgebreid en meer gedetailleerd. Tegen het einde van de 16de eeuw was het huwelijk vrijwel overal in West-Europa een met vele regels omgeven publieke maatschappelijke institutie geworden.

Door seksualiteit exclusief te binden aan het huwelijk werd een in principe scherpe scheidslijn getrokken tussen ‘legale’ en ‘illegale’ seksuele praktijken. Aanvankelijk diende dit ter bestrijding van andere huwelijksvormen, zoals het clandestiene huwelijk en het concubinaat, en ook tot bestrijding van andere vormen van seksualiteit, zoals voor- en buitenechtelijke seksualiteit, bigamie en homoseksualiteit.

Tot in de 16de eeuw werd met seksuele aangelegenheden openlijker omgegaan en konden vooral mannen zich vrijer seksueel gedrag permitteren, uiteraard vaak ten koste van vrouwen. De latere 16de en 17de eeuw en vervolgens de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw kenmerkte zich door een maatschappelijke en culturele repressie van de seksualiteit. Het ‘verpreutsingsproces’ is daarmee in elk geval geen lineaire ontwikkeling geweest.

In onze tijd is de situatie tamelijk paradoxaal. Enerzijds is een klimaat ontstaan waarin seksualiteit zeker niet langer meer exclusief verbonden is met het huwelijk waarmee de seksuele functie van het huwelijk is gerelativeerd. Anderzijds is door de toegenomen betekenis van het romantisch ideaal als grondslag voor het huwelijk de seksuele functie van het huwelijk juist in de recente tijd als heel belangrijk gaan gelden.

Op langere termijn is de betekenis van affectie tussen mannen en vrouwen als voorwaarde voor en dimensie van het huwelijk toegenomen en zijn mannen en vrouwen gevoeliger voor elkaar geworden.

Ook is in het algemeen de aandacht, affectie en gevoeligheid van ouders voor kinderen, over lange termijn bezien, toegenomen.

Gedurende de Middeleeuwen werd liefde tussen man en vrouw niet beschouwd als een belangrijke, laat staan als een noodzakelijke, voorwaarde voor een huwelijk. Een kentering kwam in de 12de eeuw toen door de kerk de nadruk werd gelegd op de consensus van beide aanstaande echtelieden.

De visie dat liefde geen gewichtige voorwaarde was voor een huwelijk bleef lang bestaan, maar het belang van echtelijke liefde als het huwelijk eenmaal gesloten was, werd vanaf de 12de eeuw keer op keer door de kerk beklemtoond en later al evenzeer door vele niet tot de geestelijkheid behorende moralisten. In het ideaal van de hoofse liefde in de latere Middeleeuwen zijn ook aanwijzingen te vinden voor een groeiende betekenis van affectie tussen mannen en vrouwen. De hoofse liefde bleef standsgebonden, een wijdere verbreiding vaneen romantisch liefdesideaal vond pas veel later plaats, de eisen van maagdelijkheid en levenslange huwelijkstrouw legden ook beperkingen op aan het gedrag van vrouwen, maar het ideaal bleef behouden en was in de 18de eeuw onder de burgerij en in hogere kringen richtinggevend geworden bij de keuze van een huwelijkspartner.

Dit alles impliceert uiteraard niet dat alle mensen in de huidige tijd moreel beter, liefdevoller of gevoeliger zouden zijn dan hun soortgenoten in vroeger tijden. Het impliceert wel dat de maatschappelijke en culturele omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de omgangsvormen tussen mannen en vrouwen en tussen ouders en kinderen zich hebben kunnen wijzigen in een richting waarin affectie aan betekenis heeft kunnen winnen.

Fasen van individualisering

De structurele aanwezigheid van individualisme in de West-Europese cultuur heeft veel te maken met de aard van het verwantschapsstelsel. Er zij hier aan herinnerd dat dat stelsel gekenmerkt wordt door bilaterale afstamming en verwantschap, door het monogame huwelijk en daaraan gekoppelde gezinsvorming en door de regel van neolokale vestiging.

Binnen elke nieuwe generatie moesten mensen – zonen en dochters – in hun streven naar huwelijk en gezinsvorming zoeken naar middelen en manieren om zelfstandig in hun bestaan te voorzien, in samenwerking en in concurrentie met elkaar. Dat bevorderde zowel individualisme als maatschappelijke dynamiek.

Met het humanisme en protestantisme van de late 15de en 16de eeuw en de doorbraak van het vroege kapitalisme kreeg het individualisme zowel in geestelijk als in economisch opzicht opnieuw sterke impulsen; er was duidelijk sprake van een nieuwe fase van individualisering.

In het denken van de Verlichting en in de Franse Revolutie kunnen we ten dele een voortzetting van oudere individualiserende trends zien, maar nu veel verder geseculariseerd en geradicaliseerd en daardoor ook nieuw: zonder God en kerk en met een principiële verwerping van het absolutisme en de standenhiërarchie.

De revolutie werd gevolgd door de Restauratie, de Verlichting door de Romantiek, de kortdurende maar hevige impuls van individualisme bracht ook nieuwe vormen van collectivisme, waarvan het nationalisme wellicht de voornaamste was.

Het kan betwijfeld worden of de individualisering en secularisering van het denken in deze fase ver doordrong in de mentaliteit en cultuur van de massa van de bevolking van West-Europa.

Welvaart, democratie en verspreiding van kennis zijn ook in de 20ste eeuw belangrijke determinanten van individualisering gebleven.

De toekomst

De situatie waarin we ons thans bevinden wordt gekenmerkt door een grote complexiteit en door een veelheid van trends en ontwikkelingen, die soms ook tegengesteld aan elkaar lijken te zijn.

De relatieve autonomie van het privé-domein is in hoge mate en blijvend afhankelijk van het functioneren van het publieke domein.

De ontwikkelingen zijn vooral in de afgelopen decennia snel gegaan.

Wat kunnen we verwachten voor de nabije toekomst? De snelle en omvangrijke veranderingen in het recente verleden bewijzen eens te meer hoe hachelijk het is daarover uitspraken te doen, maar twee verwachtingen lijken realistisch. Sommige van de genoemde ontwikkelingen zijn waarschijnlijk blijvend, zoals de lage vruchtbaarheid, het ongehuwd samenwonen en het groeiende aantal alleenstaanden. In andere opzichten lijkt veeleer stabilisering, na een fase van snelle ontwikkeling, in het verschiet te liggen: bij voorbeeld wat betreft de echtscheidingscijfers en ook wat betreft de veel moeilijker te duiden uitwerking van de ontkoppeling van liefde, seksualiteit, huwelijk en voortplanting.

Noch voor het huwelijk, ruim opgevat als duurzame paarvorming, noch voor het gezin zijn werkelijk alternatieven beschikbaar, daarom kan verwacht worden dat beide voor de meesten van grote betekenis zullen blijven, al hebben ze hun heiligheid van voorheen goeddeels verloren.


| Index | Geschiedenis | Inhoud | Deel II | Deel III | Deel IV |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)