Arbeiders, burgers en boeren


De dubbele revolutie en het gezin

Inleiding: de dubbele revolutie

De term dubbele revolutie verwijst naar twee grote revoluties:

  1. De Franse Revolutie, begonnen in 1789, die de weg vrij maakte voor de moderne natiestaat en de burgerlijke maatschappij.
  2. De industriële revolutie, die in Engeland vanaf ongeveer 1770, was ontketend

De gecompliceerde gezinseconomie

Een groeiend aantal gezinnen raakte in deze periode voor hun bestaan gedeeltelijk of geheel afhankelijk van werk in de huisindustrie. Er vond een sterke schaalvergroting plaats met bredere, kapitalistisch georganiseerde verbanden. Met het ‘putting-out’-systeem kon de ondernemer de productie snel aanpassen aan de vraag (meer of minder gezinnen in dienst nemen) en hij hoefde slechts weinig kapitaal in het productieproces te investeren.

Voor het arbeidersgezin was dit een welkome aanvulling op de teruglopende inkomsten uit het boerenbedrijf.

De arbeidsinzet werd steeds groter. Kinderen konden vanaf hun 6de of 7de jaar al meehelpen en van de vrouw werd eveneens een maximale inzet gevergd. Haar beroepsmatige kwaliteiten bepaalden goeddeels haar huwelijkskansen. Het gaf haar wel een meer gelijkwaardige inbreng in de gezinseconomie waardoor een onafhankelijker opstelling buitenshuis mogelijk was. In de beginfase vond het werk in de fabrieken en mijnen nog in gezinsverband plaats, waarbij de vader als een soort ploegbaas optrad en ook de verdiensten van het gezin als geheel kreeg uitbetaald.

Pas rond 1830 met de invoering van de ‘self-acting machinery’ was het gedaan met de rol van de vader als organisator van de werkploeg. In de jaren 30 en 40 van de 19de eeuw kwamen ook de eerste wetten tegen misstanden op het gebied van kinder- en vrouwenarbeid.

De sterke demografische groei zorgde voor steeds meer werkeloosheid (ook onder de mannen) waardoor de armenzorg te zwaar werd belast.

Verreweg de meeste vrouwen werkten nog in en rond het huis en gaven de voorkeur aan werk dat daarmee was te combineren. Men moest in de veranderende economische omstandigheden echter flexibel zijn om economisch te kunnen overleven.

Zowel op het platteland als in de nieuwe fabriekssteden bleven gezin en familie onmisbare steunpunten in de strijd om het bestaan.

Over een lange termijn gezien is sprake van een overgang van een ‘family economy’ naar een ’family wage economy’, gekoppeld aan de overgang van een agrarisch-ambachtelijke naar een industriële maatschappij, maar voor deze periode (1780-1850) kan beter gesproken worden van een ‘adaptive family economy’.

Een proletarisch demografisch model?

Onderzoek naar de voortgaande proletarisering op het demografisch gedrag in Engeland leidde tot een aantal conclusies:

Het gevolg was een ongekende bevolkingsaanwas, vooral in die gebieden in het noorden en westen van Engeland, waar de proto-industrie bloeide.

De oorzaak ligt in de haast onverzadigbare vraag naar vrouwen- en kinderarbeid ten tijde van de proto-industrie en de vroege fabrieksnijverheid.

De volwassen proto-industriële arbeider had om te overleven de arbeid van een heel gezin nodig.

Arbeiderskinderen hadden al op betrekkelijk jonge leeftijd een redelijk inkomen en konden zich daardoor onafhankelijker ten opzichte van hun ouders opstellen. Het werk zelf en het daarmee verdiende geld maakte tevens een vrijere omgang tussen de seksen mogelijk. Er ontstond een vrijgevochten karakter in de Engelse proto-industiële nederzettingen, met veel minder controle van bovenaf dan in de oude boerendorpen. In veel streken was ook slechts een gering onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen.

De materiële basis voor het aangaan van een huwelijk bleef bestaan maar veranderde van het eigen bezit naar de arbeidspotentie.

Bovengenoemd model was buiten Engeland slechts beperkt toepasbaar. In Nederland trad na 1800 zelfs nog een stijging van de huwelijksleeftijd op. In Beieren gold een huwelijksverbod voor onvermogende paren

De demografische transitie

De overgang, of transitie, van een demografisch patroon met hoge sterfte en een hoog geboortecijfer naar het moderne patroon van lage sterfte en een laag geboortecijfer verliep schoksgewijs. Het geboortecijfer bleef nog lange tijd, in de meeste landen tot 1880, op het oude hoge peil van 30 tot 40 per 1000, terwijl het sterftecijfer daalde tot 20 á 30 per 1000.

    Groeipercentages van de bevolking van enkele West-Europese landen

    1700

    1750

    1750

    1800

    1800

    1850

    1850

    1900

    1900

    1950

    Engeland

    8

    60

    75

    50

    29

    Frankrijk

    9

    21

    24

    14

    2

    Duitsland

    15

    20

    50

    59

    63

    Nederland

    0

    0

    50

    75

    91

Vooral een verbetering van de voedselsituatie als gevolg van de introductie van de aardappel als volksvoedsel in de loop van de 18de eeuw zorgde voor een daling van het sterftecijfer.

Aardappels bevatten meer vitaminen dan granen en de opbrengst per hectare is veel groter.

De bijdrage van de medische zorg aan de daling van het sterftecijfers was gering.

Het gevolg was dat de gemiddelde gezinsgrootte weer toenam. Ook de duur van het huwelijk nam door de hogere levensverwachting toe. Omdat men, behalve in Frankrijk, nog niet aan geboortebeperking deed kon alleen al daardoor het kindertal stijgen.

De spanning tussen de beschikbare mankracht en de beschikbare bestaansmiddelen kon zelfs in Engeland nog onvoldoende worden opgevangen door het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in de stedelijke fabrieksnijverheid.

Verdere specialisatie en mechanisatie in de land- en tuinbouw tezamen met de introductie van de aardappel maakte hogere opbrengsten mogelijk en betekende meer inzet van landarbeiders. De druk op de beschikbare grond nam echter toe en de grondprijzen stegen fors.

Toen in de jaren 1845-1850 een aantal aardappeloogsten mislukte steeg overal in West-Europa het sterftecijfer. Ook kwam hiermee de emigratiegolf naar de ‘nieuwe wereld’ op gang. In Vlaanderen werd ten tijde van de aardappelcrisis een huwelijksverbod afgekondigd.

In Frankrijk propageerde men de geboortebeperking middels coïtus interruptus en onthouding hetgeen buitengewoon veel effect heeft gehad. De druk hiertoe was groot omdat in Frankrijk de agrarische productie achterbleef bij die in Engeland en het plafond van de bestaansmogelijkheden dan ook eerder was bereikt. Ook ging de uitbreiding van de werkgelegenheid buiten de landbouw in Frankrijk veel trager.

Met het verarmingsproces van de late 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw werd het gezinsideaal steeds sterker gepropageerd. Hiermede en met streng repressieve middelen probeerde de overheden het armoedevraagstuk binnen de perken te houden om zodoende revolutie en opstanden te voorkomen.

Een seksuele revolutie?

Aan het eind van de 18de eeuw begon men zich in burgerlijke kringen in toenemende mate zorgen te maken over het seksuele gedrag van het volk. De school zou voortaan moeten opleiden ‘tot christelijke en maatschappelijke deugden’ (Nederlandse schoolwet van 1806).

Na de napoleontische oorlogen greep men terug op krachtige middelen (tuchthuizen, werkhuizen etc.) ter disciplinering voor diegene die zich niet kon gedragen volgens de geldig geachte normen.

In de 18de eeuw zien we vrijwel overal een stijging van het aantal onwettige kinderen en het aantal voorhuwelijkse zwangerschappen. Ze kwamen meer voor onder arbeiders dan onder boeren en ze waren ronduit zeldzaam onder de burgerij en de adel.

Op het platteland kregen jongens veelal het recht om met oogluikende toestemming van de ouders de nacht bij hun geliefde door te brengen. Veelal gingen ze niet alleen op vrijersvoeten, maar in het gezelschap van leeftijdgenoten. Het ging echter meestal om seksuele contacten bij een reeds voorgenomen huwelijk en er was een sociale controle. De kans op ongelukjes was groter wanneer er veel mobiliteit was onder de werkende bevolking (aanleg van kanalen etc.). Onder druk van de proletarisering waren er meer gefrustreerde huwelijken hetgeen een stijging van het aantal onwettige geboorten opleverde.

Veruit de meest kwetsbare groepen waren dienstboden en meisjes werkzaam in de vooral in steden talrijke ateliers. Verkrachting en verleiding door hun patrons waren aan de orde van de dag.

Het vrouwenoverschot in de steden was groot. Mannen moesten in tijden van crisis hun huwelijksbelofte vaak verbreken om elders werk te gaan zoeken. Zowel in Engeland als op het continent werd het praktisch onmogelijk om de verwekker aansprakelijk te stellen voor het onderhoud van het kind.

Over het algemeen lijken de argumenten voor een ‘seksuele revolutie’ in de 2de helft van de 18de eeuw niet erg overtuigend. Het was meer de verslechterde positie van de vrouw op zowel de arbeidsmarkt als de huwelijksmarkt dan de grotere mate van zelfstandigheid die leidde tot een stijging van het aantal onwettige geboorten.

Vondelingen, verlaten kinderen en moederliefde

Aan het eind van de 18de eeuw kwam er een actie op gang voor een grotere bescherming van het pasgeboren leven. Er werden opvangtehuizen voor vondelingen en kraamklinieken voor behoeftige vrouwen gesticht. Vaak ging men ook de anonimiteit van de moeder beschermen. Het probleem was fors. In Amsterdam ging het aan het eind van de 18de eeuw jaarlijks om 500 kinderen, In Londen 3000 en in Parijs telde men 6000 vondelingen. Gezien de grote aantallen kon men de opvang alleen met hulp van de overheid regelen.

Er was een groot tekort aan voedsters en betrouwbare pleeggezinnen. Dit wreekte zich vooral bij de zuigelingen. De toegewezen voedster had na het zogen van haar eigen kind vaak te weinig melk. De sterfte onder vondelingen in de eerste 18 maanden varieerde van 650 tot 900 per 1000.

Veel van de vondelingen kwamen van dienstboden en vrouwen werkzaam in ateliers. Zij konden zich gewoonweg geen kind veroorloven en van steun van de vader was meestal geen sprake. Ze waren vaak alleen in de stad en konden dus ook niet terugvallen op hun familie.

Abortus was streng verboden en toen ook nog niet effectief (kruiden, aderlating, het slikken van terpentijn of soms een zeer gevaarlijke operatie).

In een deel van de gevallen (een derde tot een vijfde) ging het ook om wettige kinderen. Van de motieven die hierbij speelden is minder bekent.

Overigens was het uitbesteden van kinderen met name in Frankrijk heel gewoon. Het ‘huurzogen’ gebeurde in Parijs rond 1800 bij 90% van de kinderen. Één van de redenen was dat in Frankrijk de overgang van een pre-industriële naar een industriële maatschappij een lange periode in beslag nam. Daarom wist ook de kleinschalige stedelijke nijverheid zich langer te handhaven en die was bij uitstek afhankelijk van de arbeid van gehuwde vrouwen in winkels en werkplaatsen. Het waren derhalve meer sociaal-economische omstandigheden dan een gebrek aan moederliefde die een verklaring geven voor het verschijnsel van kinderverlating en huurzogen.

Pas na 1880 toen veilige flesvoeding op de markt kwam en hanteerbare spenen brak een ander, meer kindvriendelijk tijdperk aan.

Huwelijk en gezin bij de burgerij

De bourgeoisie accentueerde in deze periode haar gezinsideologie als tegenwicht tegen de dreiging van sociale desintegratie en politieke crisis. De nadruk lag op ‘huiselijkheid’ en fatsoen. Er waren moralistische campagnes ten gunste van het moederschap, de borstvoeding en een natuurlijke ontplooiing van het kind.

In de woningen kwamen aparte vertrekken voor de kinderen, het huiselijk verkeer en eigen slaapkamers voor de gezinsleden. De bedienden werden meer gescheiden van de familie. Zij hadden vaak een eigen ingang en hun vertrekken waren op een afzonderlijke etage (zolder). De vrouw werd vrijgemaakt van beroepsmatige arbeid om zich geheel te wijden aan de zorg voor de kinderen, het huishouden en de echtgenoot die overigens zijn werkplaats elders had. Zodoende raakte het huiselijke leven en het beroepsleven meer gescheiden.

De vrouw moest niet alleen met zorg, maar ook met door onderwijs en goede voorlichting verkregen inzicht en deskundigheid proberen een goede moeder te zijn. De opvoeding werd niet meer aan personeel overgelaten en de kinderen werden zelf gevoed.

Ten tijde van de Franse Revolutie dreigde er gevaar voor de ‘natuurlijke orde’. Niet langer waren de patriarchale voorrechten vanzelfsprekend, omdat nu ook vrouwen hun rechten kwamen opeisen.

De Engelse Mary Wollstonecraft was de meest prominente vertegenwoordigster van deze ‘eerste feministische golf’. Er was echter niet veel steun voor deze beweging. In tegendeel, de klok werd al snel weer teruggedraaid. In Frankrijk werden de verruimde mogelijkheden tot echtscheiding in 1803 weer ingetrokken. In Engeland bleef het huwelijk tot 1853 praktisch onontbindbaar. Ouderlijke toestemming voor het huwelijk was in Engeland tot 21 jaar en op het vasteland tot 25 jaar noodzakelijk.

De gehuwde vrouw was voortaan niet alleen handelingsonbekwaam, maar ook verstoken van de voogdijrechten over haar eigen kinderen.

De Franse Revolutie eindigde met een hernieuwde en nu stevig in de wet verankerde vastlegging van het patriarchale gezag.

Het zedelijkheids- en beschavingsoffensief, in deze periode begonnen en gericht op de verbreiding van de burgerlijke gezinswaarden onder de arbeidersklassen en de aristocratie, zou na 1850 aan kracht winnen. Eerst toen kon met het doorzetten van de industrialisatie de ‘dubbele revolutie’ in geheel West-Europa haar invloed doen gelden.

 


Arbeiders, burgers en boeren: gezinsleven in de 19de eeuw

 

Inleiding: industrialisering, klassenvorming, staatsontwikkeling

Na 1850 zette de industrialisering in heel West-Europa zich in een versneld tempo voort. Na de Duitse eenwording in 1871 haalde Duitsland Engeland in enkele decennia in als belangrijkste industriële natie. In Nederland was pas na 1870 sprake van industrialisering op enige schaal. Maar pas na 1890 kon Nederland tot de industriële naties worden gerekend.

Rond 1850 woonden de meeste mensen (behalve in Nederland en Vlaanderen) nog op het platteland, aan het einde van die eeuw waren echter overal meer stedelingen dan plattelanders.

De traditionele standensamenleving, waarin naast rijkdom ook afkomst en prestige iemands plaats in de maatschappelijke hiërarchie bepaalden, ontwikkelde zich tot een klassensamenleving, waarin iemands opleiding en economische positie zwaarder gingen wegen.

Arbeidersgezinnen

In de 2de helft van de 19de eeuw trokken veel gezinnen van landarbeiders en kleine boeren naar de stad op zoek naar werk. Zij kwamen terecht in overbevolkte stedelijke volksbuurten. Een deel kwam ook uit kringen van zelfstandige handwerks- en ambachtslieden die de concurrentie met de industriële productie niet hadden kunnen volhouden.

Taakverdeling tussen gezinsleden

Met de toenemende industrialisatie gingen gehuwde vrouwen op den duur minder betaalde arbeid buitenshuis verrichten en kwam er een steeds duidelijker taakverdeling tussen mannen als kostwinners en vrouwen als huisvrouwen.

In streken waar veel werk voor vrouwen was duurde dit proces langer, zoals in de textiel- en kledingindustrie. Ook de gezinscyclus was hierbij van belang. Als er oudere kinderen waren die geld binnenbrachten dan was werken buitenshuis voor de vrouw minder noodzakelijk.

Wel deden veel vrouwen werk dat niet geregistreerd werd (kleine handel, schoonmaken, het houden van kostgangers etc.).

Het idee dat vrouwen thuis bij het gezin hoorden, paste zowel in de religieuze opvattingen van katholieken als protestanten. Alleen in socialistische kringen was deze opvatting omstreden al was men het vaak niet met elkaar eens.

De lage lonen voor vrouwen wogen vaak niet op tegen de besparingen die zij kon bereiken als zij de tijd hadden goed voor het huishouden te zorgen. Ook gaf het de arbeider meer status als zijn vrouw niet hoefde te werken.

Het loon dat kinderen door arbeid buitenshuis konden verdienen werd vaak een onmisbaar onderdeel van de gezinsinkomsten. Het was gebruikelijk dat kinderen hun hele loon afdroegen.

De schrijnende toestanden die optraden bij kinderarbeid leidde al gauw tot protesten. In de loop van de 19de eeuw kwam dan ook steeds meer wetgeving tot stand die de kinderarbeid moesten reguleren. In Nederland in 1874 de Kinderwet van Van Houten en de Arbeidswet van 1889. Over het algemeen werd kinderarbeid tot 12, 13 of 14 jaar verboden en voor jongeren tot 16 of 18 jaar beperkt. Het terugdringen van kinderarbeid ging gepaard met een toename van de tijd die kinderen op school doorbrachten. Aan het begin van de 20ste eeuw konden kinderen in heel West-Europa verplicht en kosteloos lager onderwijs volgen.

Kinderen bleven daardoor langer kind en er ontstond een duidelijk afgeschermde kindertijd.

Omgangsvormen tussen gezins- en familieleden

Zuigelingensterfte was in de lagere klassen nog steeds erg hoog. Een betere behuizing en de uitbreiding van openbare voorzieningen als riolering en waterleiding zorgden voor een daling in de zuigelingensterfte. Hogere lonen zorgden tegen het eind van de 19de eeuw er voor dat een betere verzorging van jonge kinderen mogelijk werd. In alle West-Europese landen werden toen ook consultatiebureaus voor zuigelingen opgericht. En er ontstond een campagne voor borstvoeding.

Kinderen vonden, door de industrialisering, veel vaker werk in de omgeving van hun ouderlijk huis, waardoor ze daar ook vaak tot aan hun huwelijk bleven wonen.

In de nieuwe arbeidersbuurten die in de 2de helft van de 19de eeuw in vrijwel alle steden werden gevormd, werd de basis gelegd voor wat in Engeland het ‘mum-patroon’ is genoemd: de nauwe verbondenheid en veelvuldige contacten tussen moeders en hun gehuwde dochters die zich in de nabijheid van het ouderlijk huis vestigden en die de spil vormden van een heel netwerk van buren en verwanten die elkaar wederzijds konden helpen.

Beschavingsoffensief

Een goede opvoeding werd gezien als de belangrijkste manier om arbeiders uit hun armoede op te heffen. In eerste instantie gebeurde dit door de gegoede burgerij die vaak voor woningen, scholen, armenzorg, ziekenzorg etc. zorgden. Dit werd ook wel het ‘burgerlijk beschavingsoffensief’ genoemd. Later gingen ook de nationale overheden zich hier op grotere schaal mee bemoeien.

Gezinnen die de richtlijnen van de weldoeners opvolgden (hygiëne, verzorging en scholing van de kinderen etc.) werden beloond, anderen werden uitgesloten van hulp.

Er werden door de weldoeners ook bouwverenigingen opgericht die complete arbeiderswijken bouwden en waar ze dan ook vaak een opzichter aanstelden om te controleren of de woning netjes bleef en om de orde in de wijk te handhaven. Rond 1900 werden overal wetten aangenomen die het mogelijk maakten om ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten als kinderen met lichamelijke of zedelijke ondergang werden bedreigd.

Burgerlijke gezinnen

Samen met kooplieden en andere zakenmensen vormden de industriëlen de nieuwe burgerij die in alle industrialiserende landen de dominerende klasse werd. In het laatste deel van de 19de eeuw zien we ook een groei van de middenklassen, bestaande uit zelfstandige professionelen, zoals artsen en juristen, en uit overheidsambtenaren, leerkrachten en employés werkzaam in de industriële sector en de dienstverlening.

Het gezinsleven werd meer en meer de kern van de burgerlijke levensstijl waarbij de vrouw een hoofdrol speelde.

Taakverdeling tussen de seksen

Voor vrouwen uit de burgerij werden het moederschap en het bestieren van het huishouden binnen het privé-domein van de woning de voornaamste taken. Elk middenklassen-huishouden had minstens één dienstmeisje en naarmate het inkomen hoger was, was ook de huishoudelijke staf groter. Vrouwen hadden de leiding over dit personeel, hetgeen hen nogal eens voor problemen stelde.

Omgangsvormen tussen mannen en vrouwen

Ondanks de nadruk op liefde en kameraadschap tussen partners, zagen ouders er nog altijd op toe dat hun kinderen een partner kozen overeenkomstig de eigen maatschappelijke positie. Gevoelshuwelijken die geen rekening met economische overwegingen hielden, konden op weinig bijval rekenen.

Mannen wachtten met een huwelijk tot zij een gezin konden onderhouden volgens de maatstaven van hun stand. Hierdoor lag de huwelijkse leeftijd vrij hoog (28-35 jaar). Mannen waren het hoofd van het gezin, vrouwen waren ondergeschikt aan hun wensen en opvattingen. Dit was ook vastgelegd in het huwelijks- en familierecht.

Na de verlichte opvattingen van de 2de helft van de 18de eeuw was in de 19de eeuw sprake van een verpreutsing van de seksuele moraal in het bijzonder, een taboe op alle uitingen van lichamelijkheid en een repressie van seksuele gevoelens. Kinderen en jonge volwassenen werden zoveel mogelijk onwetend gelaten over, en weggehouden van, alles was met seksualiteit te maken had. Vrouwen werden gezien als moreel hogerstaande wezens die geen of weinig seksuele behoeften kenden. Mannen werden opgevoed met deze geïdealiseerde opvattingen over de vrouw met wie ze zouden trouwen en wisten hun seksuele lusten minder in verband te brengen met hun huwelijkspartner dan met vrouwen uit andere milieus, zoals prostituees, die hun diensten in grote getale aanboden.

Geboortebeperking werd vanaf de 2de helft van de 19de eeuw steeds vaker toegepast. Niet duidelijk is of traditionele methoden als onthouding en coïtus interruptus meer werden gebruikt dan nieuwere methoden als het gebruik van sponsjes, de eerste pessaria en irrigatie.

De zorg voor kinderen

Zuigelingen werden nog vaak gezoogd door een min die aan huis kwam (Engeland) of waar het kind tijdelijk werd ondergebracht (Frankrijk). Daarna kwam vaak een kinderjuffrouw de verzorging van de kinderen regelen. Het voortgezet onderwijs werd voor jongens steeds gewoner, meisjes bleven doorgaans thuis om in de huishouding te helpen. In Engeland gingen jongens doorgaans vanaf hun 9de naar kostscholen.

De verlenging van de schoolse periode leidde tot het ontstaan van een levensfase die adolescentie (puberteit) wordt genoemd.

Het vrouwenvraagstuk

Niet alleen in het huiselijke leven maar ook in het openbare leven hadden vrouwen minder rechten. Vrouwen die niet trouwden bleven hun hele leven afhankelijk van ouders, broers of andere verwanten.

In de 2de helft van de 19de eeuw mochten vrouwen in steeds meer landen middelbaar en later ook universitair onderwijs volgen. Alleen in Duitsland duurde dat tot na 1900. Vrouwen kregen langzamerhand ook meer juridische rechten. Al bleef de ongelijkheid nog groot (bijv. geen stemrecht). In Nederland is de handelingsonbekwaamheid van vrouwen pas in 1956 afschaft.

Boerengezinnen

Taakverdeling tussen gezinsleden

Op de kleinere veeteeltbedrijven en op de zelfvoorzienende gemengde bedrijven was nauwelijks sprake van een onderscheid tussen gezinshuishouden en bedrijfshuishouden. Op de grotere akkerbouwbedrijven was in de 19de eeuw al een veel scherpere scheiding van gezin en bedrijf. De ‘hereboer’ werkte zelf niet meer mee, maar hield toezicht op zijn personeel dat nog wel vaak inwonend was maar gescheiden leefde van het boerengezin. Het leefpatroon van de vrouw kwam steeds sterker overeen met dat van huisvrouwen uit de stedelijke burgerij.

Samenstelling van huishouden

Boerenhuishoudens konden sterk verschillen van samenstelling. In de 19de eeuw komt echter het patroon waarbij een van de kinderen, meestal de oudste zoon, zijn vader als hoofd van het bedrijf opvolgde steeds sterker naar voren. De zoon moest daarbij zorgen voor zijn bejaarde ouders en de nog inwonende ongetrouwde broers en zusters.

Door de modernisering van de landbouw waren steeds minder landarbeiders nodig. Inwonend personeel werd steeds meer vervangen voor uitwonende knechts en dienstboden.

Door de opkomst van de zuivelfabrieken verdwenen een aantal specifieke vrouwen- en kindertaken waardoor de vrouwen zich meer gingen toeleggen op het huishouden en kinderen hun heil buiten het familiebedrijf gingen zoeken.

Omgangsvormen tussen gezinsleden

Bedrijfsbelangen speelden een overwegende factor in de partnerkeuze. Hoe groter het bezit, hoe sterker een huwelijk een contract tussen families bleef. Veel huwelijken werden gesloten binnen de dorpsgemeenschap tussen partners van ongeveer gelijke status. Door de betere infrastructuur en betere communicatiemogelijkheden namen de mogelijkheden om buiten de dorpsgemeenschap te huwen aan het eind van de 19de eeuw toe.

Kleine kinderen kregen in het boerengezin weinig aandacht. De zuigelingensterfte was hoog. Tezamen met de traditioneel hoge huwelijksleeftijd en het relatief grote aantal ongehuwden zorgde dit voor relatief kleine boerengezinnen.

Alleen de grotere ‘hereboeren’ die veel minder afhankelijk waren van de arbeid van hun kinderen, lieten hun kinderen naar school gaan. Door het seizoensgebonden werk bleef tot ver in de 20ste eeuw het schoolverzuim van boerenkinderen in de oogstmaanden hoog.

Een wezenlijk kenmerk van boerengezinnen bleef de eenheid van gezin en bedrijf.

Conclusies

Er waren in de 19de eeuw een aantal ontwikkelingen waar te nemen:

  1. een toenemende taakverdeling tussen gezinsleden, een scheiding tussen beroepsarbeid en huishoudelijk werk, tussen kostwinner en huisvrouw.
  2. De toenemende emotionalisering van het gezinsleven, een intensivering van de emotionele relaties tussen de seksen en tussen ouders en kinderen.
  3. Een grotere bemoeienis van nationale overheden met het gezinsleven van hun burgers.

In de 20ste eeuw werd de bemoeienis van de overheid verder uitgebreid. De verwevenheid van gezin en staat zal nog sterker worden.

 


Het ontstaan van het ‘moderne’ gezin, 1900-1950

Inleiding: convergentie van gezinsvormen

In de eerste helft van de 20ste eeuw zijn de diverse gezinsvormen geleidelijk wat meer naar elkaar toegegroeid; rond 1950 was in alle West-Europese samenlevingen het ‘moderne gezin’ of ‘standaardgezin’ het dominante gezinstype geworden. Huishoudens bestonden meer en meer uitsluitend uit ouders en hun ongehuwde kinderen.

De industrialisering en urbanisering zette zich verder voort hetgeen gepaard ging met een toenemende welvaart waarvan vooral de industriële arbeiders profiteerden. Daarnaast nam ook de middenklasse snel in omvang toe.

Verburgerlijking van arbeidersgezinnen

Niet alleen door verhoging van de lonen maar ook door de invoering van sociale verzekeringswetten nam de welvaart van arbeidersgezinnen toe.

Functiescheiding tussen echtgenoten

In Nederland was het percentage buitenshuis werkende gehuwde vrouwen in 1930 nog maar 6%. In de ons omringende landen was dit percentage veel hoger. Er zijn een aantal oorzaken aan te wijzen: de in Nederland hogere lonen, de huiselijkheidideologie die al vanuit de 17de eeuw stamt, de verzuiling met een sterke confessioneel invloed en het niet betrokken zijn bij de eerste wereldoorlog.

Vrouwen konden zich daardoor meer toeleggen op het huishouden en een ‘gezellig’ gezinsleven bieden. Mannen bleven daardoor liever thuis dan dat ze naar de kroeg gingen. Tussen 1900 en 1930 verminderde het alcoholgebruik dan ook en wel met 50%.

Door een vermindering van de arbeidstijd die zich na de 1ste wereldoorlog inzette konden mannen meer tijd aan hun kinderen besteden.

Omgang tussen de seksen

Woningen werden uitgebreider (eigen slaapkamers voor ouders en kinderen, badkamer, wc) waardoor er meer mogelijkheden tot privacy kwamen. Ondanks de publieke afkeuring van geboorteregeling was de verkleining van het kindertal overal een feit ondanks dat arbeiders veel minder informatie over en toegang tot geboortebeperkende middelen hadden. In arbeiderskringen werd een voorechtelijke zwangerschap en ongehuwd moederschap steeds vaker als een schande gezien. De daling van het onwettigheidpercentage zette zich dan ook voort.

Ouders en kinderen

Door hygiënische maatregelen en door de opgezette ‘zuigelingenzorg’ (zowel door de overheid als door particuliere organisaties) daalde de zuigelingensterfte aanzienlijk.

Na de 1ste wereldoorlog werd het steeds gebruikelijker dat arbeiderskinderen (uit de bovenste lagen) middelbaar onderwijs gingen volgen. Voor hen ontstonden ook diverse jeugdbewegingen. Vaak gebeurde dit vanuit de zuilen (de socialisten en de diverse confessionele partijen) maar ook de padvinderij telden arbeiderskinderen tot hun leden.

Verburgerlijking, of toch niet?

In een aantal opzichten ging het leven van arbeidersgezinnen meer lijken op dat van burgerlijke gezinnen:

Toch moet de verburgerlijking niet worden overschat. In tijden van crisis waren de financiële middelen beperkt en dat drukte duidelijk een stempel op de gezinsverhoudingen. De voedingstoestand van arbeiders was nog altijd veel minder dan die van de burgerij en de krappe woningen lieten niet al te veel ruimte voor privacy. De scholing was ook nog steeds veel minder. De veranderingen deden zich voornamelijk voor bij de geschoolde goed verdienende arbeider. Voor losse arbeiders, sjouwers en werklozen bleven de vroegere omgangsvormen en gedragswijzen veelal gehandhaafd. Zij woonden vaak in oude volksbuurten, de ‘slums’.

Er werden in verschillende steden in Nederland speciale complexen woningen gebouwd voor gezinnen waarvan men vond dat zij door hun woongedrag niet tussen nette arbeidersgezinnen konden wonen. Hiervoor was vanuit het buitenland veel belangstelling, men had daar immers dezelfde problemen.

Kinderen uit deze gezinnen bleven buiten de jeugdorganisaties. Er was dan ook veel bezorgdheid over hun vrijetijdsgedrag, over de veronderstelde seksuele losbandigheid, de passieve en consumptieve instelling van deze jongeren.

Er kan dan ook worden gesteld dat de ontwikkeling van verburgerlijking van arbeidersgezinnen vooral bij de hogere lagen van de arbeidersbevolking was waar te nemen, maar bij ongeschoolden in veel mindere mate.

Van burgerij naar middenklasse

De ‘nieuwe middenklasse’ onderscheidde zich van de oudere burgerij door het ontbreken van bezit, door haar loonafhankelijke positie en door het belang van opleiding en kennis als toegangsvoorwaarden voor posities in het beroepsleven.

Functiescheiding

Er ontstond een tekort aan dienstboden waardoor de huisvrouw zelf een groter aandeel in het huishoudelijk werk kreeg. Bovendien ontstond steeds meer de gedachte dat de zorg voor de kinderen niet aan slecht opgeleid en onbeschaafd huishoudelijk personeel moest worden overgelaten. Ook deed de mechanisering zijn intrede in het huishouden (stofzuiger en wasmachine). De oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Huisvrouwen en andere soortgelijke organisaties in West-Europa gaf uitdrukking aan de toegenomen status die middenklassenvrouwen aan het beroep van ‘huisvrouw’ toekenden.

Omgang tussen de seksen

Bij de partnerkeuze werd liefde, kameraadschap en geestelijke en intellectuele overeenstemming belangrijker dan bezitsoverwegingen. Gelijkheid tussen de seksen was echter vaker een ideaal dan werkelijkheid.

Vanaf de jaren 20 verschenen voorlichtingsboekjes voor huwelijkspartners waarin ook de seksuele gevoelens en verlangens van de vrouw aan bod kwamen. Er kwamen ook meer pleidooien voor een grotere gelijkheid en een vrijere seksuele moraal. Al vonden deze pleidooien nog weinig gehoor zij zijn wel van belang voor het op gang komen van een publieke discussie. De gemiddelde leeftijd waarop jongeren geslachtsgemeenschap hadden daalde van 24 jaar tot ongeveer 21 jaar in 1940.

Het aantal echtscheidingen steeg wel maar bleef nog zeer laag (zeker in vergelijking met de Verenigde Staten waar het in 1940 al 0,7% was).

De kleding werd minder verhullend en jongeren gingen vrijer met elkaar om. Na de 1ste wereldoorlog gingen steeds meer meisjes middelbaar onderwijs volgen. Er werden ook steeds meer beroepen geschikt bevonden (verpleegster, sociaal werkster, apothekersassistente etc.).

Ouders en kinderen

Moeders besteedden veel tijd aan de opvoeding van hun kinderen en kregen daarbij adviezen van artsen en pedagogen. Jeugdbewegingen werden als een gewenste organisatievorm gezien voor de vorming van de jongeren. In de middenklassen hadden zij dan ook veel leden. De padvinderij was conformistisch en militaristisch en er werd nadruk gelegd op discipline en gehoorzaamheid.

Ook de van oorsprong Duitse beweging de Wandervogel, die non-conformistisch, romantisch en veel minder gereguleerd was had veel aanhang.

Toenemende verstrengeling van staat en gezin

Rond 1900 werden in alle West-Europese landen wetten aangenomen die vrouwen- en kinderarbeid moesten reguleren. In de loop van de 20ste eeuw werd ook voor mannen de arbeidstijd gereguleerd. Na de 1ste wereldoorlog lag de arbeidstijd op 8 á 9 uur per dag. Overal kwamen ook langzamerhand kinderbijslagregelingen tot stand (in Nederland in 1939).

Er kwamen wetten tegen ongevallen, invaliditeit, ziekte, ouderdom en werkloosheid tot stand. In eerste instantie golden de regelingen alleen voor vaste werknemers die bij een vakbond waren aangesloten maar geleidelijk aan gingen ze voor een ieder gelden.

Wettelijk bestond er overal een zorgplicht voor familieleden. Uitkeringen middels de sociale verzekeringswetten vormden een alternatief voor deze ondersteuning.

In Nederland werd het in 1921 mogelijk voor de ontzegging uit de ouderlijke macht eerst een gezinsvoogd aan te stellen.

In het begin van de 20ste eeuw werden overal schoolartsen aangesteld om de lichamelijke conditie en de verzorging van de kinderen door de ouders te controleren. Er kwamen ook organisaties van kinderherstellingsoorden en kindervakantiekolonies van de grond. De schoolmelk zijn intrede, waarvan een groot aantal kinderen profiteerde. Een beperkt aantal scholen gingen ook maaltijden aan kinderen verstrekken.

Zedelijksheidskwestie

In de 2de helft van de 19de eeuw ontstond in verschillende landen een beweging ter bevordering van geboortebeperking ‘neo-malthusianisme’. Dit was in strijd met de kerkelijke huwelijks- en gezinsmoraal. Daarnaast waren er bedreigingen van de kerkelijke moraal vanuit het feminisme en het socialisme. Zij vonden elkaar echter wel op het gebied van bestrijding van prostitutie.

In Nederland speelde de verzuiling een belangrijke rol. Eerst vormden de confessionele groeperingen (katholieken en protestanten) politieke partijen, later kwamen daar liberalen en socialisten bij. Elke zuil had zijn eigen vakbond, liefdadigheidsvereniging, sportverenigingen, kranten, omroeporganisaties etc.

Voor Nederland was uniek dat er naast een sterke katholieke en even sterke protestantse zuil bestond. Via de zuilenstructuur konden de organisaties veel invloed uitoefenen op het persoonlijk leven van mensen. Kenmerken is bijvoorbeeld het in Nederland blijvend hoge geboortecijfer (minder snel dalend) t.o.v. andere West-Europese landen. Dit was vooral het geval onder de katholieken en gereformeerden.

De liberalen die tot het eind van de 19de eeuw politiek hadden gedomineerd verloren hun macht aan de christelijke partijen. Dit leidde tot een zedelijkheidsoffensief met als hoogtepunt de Zedelijkheidswetten van 1911 waarin o.a. een bordeelverbod zat. Ook was hierin opgenomen dat geboortebeperkende middelen niet openlijk mochten worden tentoongespreid of aangeprijsd.

Toch daalde het geboortecijfer. De protestanten reageerden hierop in 1930 met een verzachting van de afwijzing van anticonceptie. Door R.K.-artsen was ondertussen de methode van periodieke onthouding verbeterd en vanaf de jaren dertig werd deze methode door de katholieken toegestaan.


| Index | Geschiedenis | Inhoud | Deel I | Deel II | Deel IV | Deel V |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)