Verwantschap, Familie, Huwelijk en Gezin


Families, Huwelijken en gezinnen: een introductie

Privé-zaken, publieke kwesties en lange-termijnontwikkelingen

Het bereiken van persoonlijk geluk in het leven staat hoog aangeschreven in onze hedendaagse cultuur en in de ogen van zeer velen zijn een ideale partner en, later, een goed huwelijk en een geslaagd gezinsleven daarvoor van doorslaggevend belang.

De verhoudingen tussen de seksen, altijd al gekenmerkt door de tegengestelde krachten van aantrekking en antagonisme (tegenstreven), ondergaan de laatste decennia ingrijpende veranderingen. De geijkte conceptie van de rol van vrouwen als toegewijde echtgenotes, moeders en huisvrouwen is zeker niet verdwenen maar wel blijvend ondermijnd en voor talloze vrouwen niet meer nastrevenswaardig.

Wat in de Europese cultuur lang gold als een bijna heilige viereenheid: liefde, seksualiteit, huwelijk en voortplanting, is uit elkaar gegroeid. Met name de beschikbaarheid van goedkope en betrouwbare anticonceptiemiddelen heeft enorme gevolgen gehad.

Afstamming en verwantschap: natuur en cultuur

Het leven van een individueel mens kunnen we opvatten als een biologisch en een sociaal-cultureel proces. Vergelijken we het biologische proces van het individuele leven met het biologische proces van de voortzetting van de soort, dan is het eerste gekenmerkt door een relatief korte duur en door discontinuïteit, het tweede daarentegen door een zeer lange duur en door continuïteit.

In de periode van baby tot jong volwassene, waarvan de jarenlange duur uitsluitend kenmerkend is voor de menselijke soort, maakt elk menselijk wezen een leer- en vormingsproces door dat in zijn totaliteit wel wordt aangeduid als een proces van socialisatie of enculturatie. Met beide begrippen wordt hetzelfde bedoeld: het gaat om een proces van adaptatie en integratie van nieuwkomers binnen een menselijk verband, waarin cultuuroverdracht van de ene generatie op de volgende een centrale rol speelt.

Er kan een onderscheid worden gemaakt in de familie waarin men opgroeit family of orientation en de familie die men zelf sticht familiy of precreation.

De eerste vier, vijf levensjaren worden wel beschouwd als fundamenteel voor de vorming van de individuele persoonlijkheid.

Begrippen en betekenissen: ‘afstamming’ en ‘verwantschap’

Een aantal begrippen die in het dagelijkse leven als vanzelfsprekend worden beschouwd vragen in het kader van deze cursus een nadere bepaling: afstamming, verwantschap, familie, huwelijk en gezin.

In samenlevingen waarin afstammingsgroepen een voorname rol spelen, zoals in bepaalde niet-westerse samenlevingen, krijgt het individu daardoor dwingend een plaats toegewezen in het verwantschappelijke en maatschappelijke bestel. In dergelijke samenlevingen is de positie en status van individuele mensen in hoge mate bij geboorte toegeschreven (ascribed) en wordt deze slechts in beperkte mate zelf verworven (achieved).

In onze huidige type samenleving ligt die verhouding andersom: achievement is veel belangrijker dan ascription.Volgens de Nederlandse wet zijn bloedverwanten zij die van elkaar afstammen in een rechte lijn - bij voorbeeld: kinderen, ouders, grootouders of één gemeenschappelijke stamvader hebben, dus in zijlinie verwant zijn. Antropologen duiden dit verschil aan als lineaire verwanten en collaterale verwanten.

De twee hoofdtypen van verwanten zijn: de biologisch gerelateerde bloedverwanten (consanquinal kin) en de door huwelijk verworven aanverwanten (affinal kin).

Afstamming kan in principe op twee manieren gerekend worden: unilineair of bilateraal, ook wel cognatisch (cognatic) genoemd. Bij unilineaire afstamming geven hetzij relaties via mannen (patrilineaire afstamming), hetzij relaties via vrouwen (matrilineaire afstamming) de doorslag bij het toewijzen van individuen aan afstammingsgroepen.

Het patrilineaire principe komt veel vaker voor dan het matrilineaire.

Bij bilaterale afstamming wordt aan relaties via mannen in beginsel evenveel gewicht toegekend als aan relaties via vrouwen. In West-Europa is het bilaterale afstammingsprincipe al vanaf de vroege Middeleeuwen gebruikelijk. Mondiaal gezien is het echter slechts in ruim eenderde van alle verwantschapsstelsels dominant.

Overigens zijn er in Europa, vooral onder boeren en adel, wel patrilineaire accenten terug te vinden.

Het bij ons heersende bilaterale afstammingsprincipe duidt op diffusere loyaliteiten en het wijst op flexibiliteit en ook op mobiliteit.

Er kunnen verschillende soorten afstammingsgroepen worden onderscheiden, lineage en clan zijn de voornaamste.

Bij lineage wordt gekeken naar een gezamenlijk aanwijsbare voorouder. Wordt de groep te groot dan vindt er een splitsing plaats in lineagesegmenten, waarvan de stichters na verloop van tijd gaan gelden als voorouders van nieuwe zelfstandige lineages.

De clan is een afstammingsgroep die meer generaties dan een lineage omvat het is een samenstel van verwante lineages en waarvan de leden zich verwant voelen omdat zij menen dat zij van één gemeenschappelijke voorouder afstammen, zonder dat zij al hun onderlinge relaties kunnen traceren.

Ook hier kan weer sprake zijn van het patrilineaire of matrilineaire principe.

Zowel lineages als clans hebben in de West-Europese geschiedenis vanaf de Middeleeuwen nauwelijks of geen rol gespeeld. Wel bestonden zij bij de Germanen en de Romeinen.

Begrippen en betekenissen: ‘familie’, ‘gezin’ en ‘huwelijk’

In West-Europese landen heeft het woord familie twee betekenissen:

een gehuwde man en vrouw met hun kinderen (in het Nederlands gezin)

een ruimere kring van bloed- en aanverwanten

In het Engels spreekt men van ‘nuclear family’ en van ‘conjugal family’.

In de praktijk zijn de grenzen van de ‘ruimere’ familie vaak onduidelijk.

Gezien vanuit een kind als ego worden tegenwoordig veelal, behalve het eigen gezin, de grootouders, de broers en zusters van vader en moeder met hun huwelijkspartners, ooms en tantes en hun kinderen, neven en nichten, tot ‘de familie’ van ego gerekend.

Deze groep wordt de kindred van ego genoemd.

In de laatste eeuwen is er een steeds scherpere lijn tussen gezin en familie ontstaan. Het gezin is t.o.v. de familie steeds belangrijker geworden.

Het woord familie is afgeleid van het Latijnse woord familia en is in zwang gekomen in de periode van de 14de tot de 16de eeuw. Daarvoor was de Latijnse betekenis ‘huis’ in de zin van ‘geslacht’ en van ‘allen die tot een huis(houding) behoren’ meer van belang.

Het burgerlijk huwelijk is pas in de 19de eeuw regel geworden. Het kerkelijk huwelijk stamt uit de late Middeleeuwen.

Er wordt onderscheid gemaakt in monogamie en polygamie. Polygamie wordt onderverdeeld in polygynie (één man met meerdere vrouwen) en polyandrie (één vrouw met meerdere mannen). Monogamie is een kenmerkende trek van het Europese systeem.

Eveneens kenmerkend, en vrij uitzonderlijk, is ook dat pasgehuwden in Europa doorgaans geacht worden zich apart en zelfstandig te vestigen. Dit met uitzondering van delen van de adel en de boerenstand.

Dit wordt een neolokaal vestigingspatroon genoemd. Universeel gezien was het vaker de norm dat pasgehuwden introkken bij verwanten van één van beiden. Dit kan patrilokaal (bij familie van de man; ook wel virilokaal genoemd) of matrilokaal (bij familie van de vrouw; ook uxorilokaal genoemd). Het eerste (patrilokaal) kwam vijf maal zo vaak voor.

Seksuele betrekkingen en huwelijken tussen bijv. oom en nicht, tussen neef en nicht, of tussen neef en tante worden in de westerse cultuur zo niet als incest dan toch veelal wel als minder wenselijk beschouwd. In andere culturen worden echter bij voorbeeld huwelijken tussen bepaalde neven en nichten als het meest wenselijk gezien. Wat de meeromvattende verwantenkring betreft kunnen dus heel uiteenlopende regels gelden: of men huwt er juist niet mee (exogamie) of juist bij voorkeur wel (endogamie). Voor West Europa geldt in het algemeen dat men geacht wordt buiten de eigen familie te huwen.

Aan het huwelijk worden vier belangrijke functies toegeschreven:

  1. de seksuele functie
  2. een economische functie
  3. een procreatieve of reproductieve functie
  4. een socialiserende of oriënterende functie.

Naast deze basisfuncties wordt ook gesproken over: rechtsprekende functies, protectie- of beschermingsfuncties, religieuze, recreatieve en affectieve functies.

Probleemstelling, benadering en opzet

De Britse antropoloog Robin Fox stelde in 1967 dat er slechts vier principes aan relatievorming ten grondslag liggen:

  1. vrouwen krijgen de kinderen
  2. mannen bevruchten de vrouwen
  3. mannen zijn gewoonlijk dominant
  4. primaire verwanten paren niet met elkaar

Andere visies wijzen juist op de verscheidenheid, verandering en ontwikkeling in familie en gezin. Als leidraad voor deze studie gelden twee vragen:

Wat zijn de voornaamste veranderingen en ontwikkelingen geweest op het terrein van familie, huwelijk en gezin vanaf de Middeleeuwen.

Hoe en waarom hebben die ontwikkelingen plaatsgevonden.

 


Verwantschap, huwelijk en gezin in de vroege Middeleeuwen, 500-1000


Inleiding: de huwelijksperikelen van een graaf

Uit de correspondentie van bisschop Hincmar van Reims (gest. 884) komt het volgende verhaal. Stefanus, graaf van Auvergne verloofde (desponsatio) zich met de dochter van zijn machtige collega Regimund. Stefanus kwam echter tot de ontdekking dat hij eerder een verhouding had gehad met een bloedverwante van zijn toekomstige bruid. Het geplande huwelijk was volgens de regels van die tijd daarmee een vorm van incest.

Omdat een verloving (desponsatio) een contract tussen k een bruidsgift (dos) bij hoorde moest het contract worden verbroken hetgeen een conflict tussen de twee families zou opleveren. De kwestie werd een publiek schandaal en een synode kwam er in 860 ook niet uit.

Het huwelijk: een zaak van familie, kerk en koningschap

Het eigenlijke zwaartepunt van een huwelijk was de verloving, de overeenkomst tussen de ouders van de bruid enerzijds, en de bruidegom en/of dienst ouders anderzijds. Deze overeenkomst was bindend. Hierop hoorde overdracht van de dos te volgen, een gift van land en goederen door de bruidegom aan de bruid, en ten slotte de huwelijksceremonie. Deze bestond uit een feestelijke bijeenkomst, uitmondend in een feestmaal. Aan het eind van dit feest begeleidden de gasten het echtpaar ceremonieel naar het huwelijksbed. Daar volgde de bezegeling van het huwelijk: de bijslaap, ofwel consummatio, zoals de kerkelijke bronnen het noemen.

Van een kerkelijke huwelijksinzegening was nog geen sprake. Toch had de geestelijkheid veel gezag. Regimund nam immers niet de wapens op tegen Stefanus maar maakte de zaak aanhangig bij de kerkelijke rechtbank, ofwel de ‘seend’ (synode).

De politieke context: het Karolingische rijk

De grondlegger van het Frankische koninkrijk was Clovis (gest. 511), lid van de zogenaamde Merovingische dynastie. Clovis werd bekeerd tot het orthodoxe christendom. Andere Germaanse vorsten hingen nog een onorthodoxe vorm van het christendom aan, het Arianisme genaamd. In de loop van de 7de eeuw werden ook zij bekeerd tot het orthodoxe christendom.

De alliantie tussen koning en kerk werd steeds sterker. Een echte sacralisering van het koningschap kwam pas met de dynastie van de Karolingen. Pippijn III (751-768) was de eerste regerende vorst met instemming van de paus. Hij werd tot koning gezalfd. Karel de Grote (768-814) werd in 800 in Rome tot keizer gekroond. Dat betekende echter niet dat ook het Romeinse gedachtegoed ten aanzien van de staat werd gedeeld.

Het bindende element in de Germaanse koninkrijken was de loyaliteit van krijgers ten opzichte van hun heer, en de loyaliteit van deze heren ten opzichte van de vorst. Dit monde uiteindelijk uit in de feodaliteit (leenstelsel).

Veel van het Frankische strafrecht is in feite niet meer dan een alternatief voor de steeds dreigende vetes tussen families: men kon deze afkopen door een wergeld te betalen aan de benadeelde partij of - in geval van moord - aan zijn familie. Een gedeelte hiervan, de fredus, ging naar de overheid. Dat wil zeggen de graaf, die zorg droeg voor de rechtspraak.

Zowel onder de Merovingen als onder de Karolingen vormde het koninkrijk het patrimonium, het vaderlijk erfdeel, van de vorst, dat bij zijn overlijden onder zijn zoons werd verdeeld.

Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome (814-840) waren alleenheersers omdat zij de enige opvolgers waren. Na de dood van Lodewijk werd het rijk in drieën gedeeld: het Westfrankische rijk (het latere Frankrijk), het Oostfrankische rijk (Duitse keizerrijk) en het middenrijk (van de Nederlanden tot Italië) dat zo uitgestrekt was dat het in feite niet beheersbaar was en later geleidelijk aan weer werd ingelijfd door de beide andere rijken.

Het rijk was een soort familiebedrijf, waarin de verwanten van de koning allen een aandeel hadden. Wie aan het hof verbleef, vormde een deel van de familia van de vorst. Er werd een direct verband gelegd tussen de vrede en eensgezindheid in het koninklijk paleis en het welzijn van de onderdanen. Immoreel handelen in het koningshuis kon Gods straf over zijn volk teweeg brengen, naar oudtestamentisch voorbeeld.

De kerkelijke context: de geestelijkheid

Bisschoppen zagen zichzelf als opvolgers van de apostelen en hadden uit dien hoofde, evenals de paus, de sleutelmacht. Zij konden publieke boetedoening opleggen en zondaars na een plechtige verzoening weer in de gemeenschap der gelovigen opnemen.

In theorie werd van alle wereldlijke geestelijken het celibaat geëist. Maar in de praktijk was het zo dat de eenvoudige lokale priester bijna leefde als een boer en zich eenvoudig niet in leven kon houden zonder hulp van een vrouw en kinderen. En aan de top van de hiërarchie voerden sommige bisschoppen een aristocratische staat, waartoe niet alleen jacht en honden (eigenlijk streng verboden voor geestelijken) maar ook concubines (buitenechtelijke samenleving) behoorden. De communaal levende, celibataire geestelijkheid in de kloosters vormde een ascetische (streng-vroom) elite, aan wie leken hun zielenheil gaarne toevertrouwden.

De bronnen: mogelijkheden en beperkingen

De Germaanse volkeren hadden geen traditie van schrift. Pas tussen 500 en 800 ontstonden de Germaanse leges (wetten, volksrecht) en begonnen koningen schriftelijke oorkonden en decreten (captularia) uit te vaardigen. Modellen voor juridische stukken werden in een formulierenboek ‘Formulae’ bijgehouden. Het zwaartepunt van de schriftproductie lag bij de geestelijkheid. Dit vooral ook omdat de Romeinse stadsscholen in de 6de eeuw verdwenen.

Uit de boeteboeken bleek welke gedragsregels men aan de leken t.a.v. seksualiteit trachtte op te leggen. Het gaat grotendeels om bronnen die voorschriften geven en niet om de praktijk van de gewone man.

Grote lacunes zijn er op het gebied van de demografie. Er zijn wel wat 9de-eeuwse polyptieken beschikbaar die een overzicht geven van (groot)grondbezit met een specificatie van de diensten en betalingen die de daarop wonende boeren aan de grondbezitter schuldig waren; deze waren gebaseerd op de mansus, de boerderij bewerkt door één familie.

De familie: omvang en structuur

De vroegmiddeleeuwse betekenis van familia vertoont overeenkomst met de betekenis die dit begrip in de Romeinse republiek had: een grote huishouding met bloed- en aanverwanten en dienstpersoneel die gezamenlijk onder het gezag van de pater familias stonden.

Vanaf de 2de eeuw krijgen beide echtelieden een meer gelijkwaardige positie en ontstaat er een bilateraal verwachtschap. De Germaanse volkeren kenden ook een bilaterale (cognatisch) verwantschapscultuur.

De meeste Germaanse wetten stonden alleen zoons het erven van land toe; de dochters moesten zich tevreden stellen met roerend goed. Er was evenwel in de 6de en 7de eeuw steeds meer sprake van een gelijke berechtiging van meisjes.

Het gezin was de gangbare samenlevingsvorm in de vroege Middeleeuwen. Dit blijkt onder meer uit de heiligenlevens van de 6de en 7de eeuw waarin een beeld verrijst van een gezin dat bestaat uit ouders en kinderen. Ook uit schaars oorkonde materiaal blijkt de duidelijke identiteit van gezinnen, die als collectief handelden als het ging om vrome giften.

Het waren ook de vader en de moeder die gezamenlijk een besluit namen om een kind voor te bestemmen voor het geestelijk leven, zoals in het geval van de pueri oblati, de aan kloosters afgestane kinderen.

In de formulierenboeken kwamen zelfs al voorbeelden voor van wat wij nu testamenten voor langstlevenden noemen.

Uit de schaarse polyptieken van de 9de eeuw kunnen we concluderen dat de huishoudens een beperkte omvang hadden met een grote mobiliteit voor de zoons die nieuwe huishoudens begonnen, en van dochters die zich bij hun echtgenoot vestigden.

Alles wijst erop dat het kerngezin onder de Karolingische onvrije boeren een gangbaar samenlevingsverband was. Het bestond echter naast andere samenlevingsvormen, en indien de omstandigheden dit vereisten, zochten gezinnen veiligheid en economische steun bij elkaar.

De gedachte dat het kerngezin in de Karolingische tijd een soort hoeksteen van de samenleving was, is zeker waar het de aristocraten betreft onjuist. De taaie strijd van de bisschoppen tegen het concubinaat en de willekeurige verstoting van vrouwen spreekt in dit opzicht boekdelen.

In het aristocratische huishouden vormde de echtelieden met hun kinderen weliswaar het middelpunt, maar zij boden verder onderdak aan een grote groep afhankelijken: inwonende familieleden, kinderen van elders die daar werden grootgebracht, en natuurlijk het dienstpersoneel.

Erfopvolging aan de oudste zoon werd pas in de 11de eeuw gangbaar. Voor die tijd hadden alle kinderen erfrechten waardoor het bezit snel kon versnipperen.

Aan ambten was doorgaans ook het vruchtgebruik van grond verbonden. Men moest derhalve ambten zien te verwerven of een huwelijk sluiten met een vrouw uit een gegoede familie om desintegratie van familiebezit door erfdeling tegen te gaan. Wie hiertoe niet in staat was kon binnen een generatie zijn status verliezen.

Onderzoek naar de boeken des levens laat zien hoe weinig stabiel deze geslachten waren en hoe ze voortdurend van aanzien veranderden door nieuwe allianties, en door nieuwe machtsdragers die een ambt hadden weten te verwerven.

De Merovingische en Karolingische aristocratie was dus allerminst een gesloten geheel. Er was volop ruimte voor sociale klimmers, zowel via ambt als via huwelijk.

De horizontale verwantschap was duidelijk sterker aanwezig dan de verticale. Dit blijkt ook uit de libri memoriales. Het besef van saamhorigheid dat in de gebedsgedachtenis tot uitdrukking komt, gaat niet verder terug dan tot de grootouders. En er is al evenmin sprake van een omvangrijke en coherente groep verwanten.

Het huwelijk en de kerk

Het Romeinse recht kende een wettige huwelijkssluiting, al was die dan niet kerkelijk. Volgens het geldende Germaanse recht werd er geen wezenlijk verschil gemaakt tussen wettige en onwettige kinderen.

Terwijl in de Merovingische tijd de positie van bastaarden nog gunstig was, werd deze gedurende de 9de eeuw onder kerkelijke invloed geleidelijk slechter. De situatie waarin alle huwelijken in de kerk worden ingezegend zou echter nog eeuwen op zich laten wachten.

Pas in de 13de eeuw leidde de conceptie van het huwelijk tot een van de zeven sacramenten.

In de vroege Middeleeuwen werd het huwelijk gezien als een noodzakelijk kwaad. Het was het kader waarbinnen mensen nageslacht produceerden, en dit was dan ook het enige legitieme doel van seksualiteit.

Er waren drie kwesties die veel hoger op de klerikale prioriteitenlijst stonden:

het gevaar van incest

Het incesttaboe reikte tot de 7de generatio en tot spirituele verwanten, dat wil zeggen peters, meters en hun nageslacht. De explosieve uitbreiding van de kring van verboden verwanten vond plaats in de loop van de 8ste en 9de eeuw. Ze ging gepaard met een overstap van de Romeinse naar de Germaanse telling. In de praktijk werd tot aan de 4de generatio strak de hand gehouden aan de regels. Daarboven was men flexibeler.

de beteugeling van seksualiteit, in de eerste plaats buiten, maar ook binnen het huwelijk

De geestelijkheid was erop uit om de menselijke seksualiteit aan banden te leggen. Wie zich met ongeoorloofde seksualiteit bezig hield, liep het gevaar van verontreiniging (pollutio). Er was een grote reeks van bepalingen omtrent wanneer en op welke wijze men seksuele gemeenschap mocht hebben.

de onontbindbaarheid van het monogame huwelijk

Aan de polygamie van de Merovingische koningen werd een eind gemaakt. De wetgeving stond niet meer toe dat een echtgenote ingeruild werd voor een betere. Zelfs de echtscheidingsgrond van het overspel werd in de 9de eeuw door de bisschoppen van de baan geveegd, evenals kinderloosheid.

Het feit dat de regels betrekkelijk streng werden nageleefd getuigd van de macht van de geestelijkheid in die periode.

Het lot van adellijke kinderen

Vanaf rond hun 12de jaar gingen kinderen tot de wereld van de volwassen mannen behoren. Zij leerden jagen en vechten en wie dat weigerde, werd als gedegenereerd beschouwd. Dat de vaders langdurig van huis waren voor militaire campagnes, en hun zoons meenamen, was zeker niet ongebruikelijk.

En wie van echt hoge geboorte was, zorgde ervoor dat zijn zoon werd opgevoed aan het hof. Zo’n opname in de hofhouding werd dikwijls voorafgegaan door een commendatio, waarbij de zoon werd ‘opgedragen’ aan de vorst of een ander machtig persoon. Hofmeiers hebben een deel van hun macht te danken gehad aan de vele adellijke kinderen die aan hen werden gecommendeerd. De machthebber schiep zo een netwerk van loyaliteit, en de familie van een zoon die aan het hof werd opgevoed kreeg de patronage van een machtig persoon.

Veel kinderen werden vaak al op zeer jeugdige leeftijd, veelal met 7 jaar, voor het kloosterleven bestemd (pueri oblati). Door de jonge leeftijd konden waren zij nog rein en konden zij helemaal voor het kloosterleven worden opgevoed. Uittreden uit het kloosterleven kwam daardoor ook zeer weinig voor. De kloosterlingen waren immers substituut ouders geworden.

Soms waren het kinderen met gebreken die in de kloosters terechtkwamen maar dat was slechts een kleine minderheid.

 


Familie, huwelijk en liefde in de late Middeleeuwen, 1000-1500

De ‘lange twaalfde eeuw’: een bloeiperiode

De tweeënhalve eeuw na het jaar 1000 zijn in West-Europa een tijd van tot dan toe ongekende economische bloei geweest. De bevolking verviervoudigde. Er zijn een aantal oorzaken aan te geven:

  1. technologische innovatie met de toepassing van het drieslagstelsel in de landbouw
  2. 3 eeuwen met een iets warmer klimaat hetgeen gunstig was voor West-Europa
  3. privatisering van de publieke macht na het uiteenvallen van het grote Karolingische rijk; graven, hertogen en leenmannen gingen als quasi-vorsten over hun eigen gebied regeren
  4. Het beëindigen van de strooptochten van de Vikingen

Omdat er vele veranderingen waren die in verschillend tempo in de verschillende regio’s plaatsvonden gedurende de periode 1000 tot 1250 spreekt met van de ‘lange 12de eeuw’.

Geldcirculatie was van essentieel belang voor de centralisatie van politieke macht. Een vorst of landheer die zijn dienaren niet langer hoefde te belonen met land in leen, maar die hen in geld uit kon betalen evenals de legers waarmee hij ten strijde trok was veel machtiger dan de traditionele feodale machthebber.

Het tijdperk van ongebreidelde groei, waarvan de Europese kathedralen nog steeds op trotse wijze getuigen, liep rond 1300 ten einde. Ontginningsgrond werd schaarser, inflatie deed zijn intrede, de Honderdjarige Oorlog hield zowel het continent als Engeland in zijn greep, en de Zwarte Dood maakte vele slachtoffers rond en na het midden van de 14de eeuw. Boerenopstanden, verzet van het groeiend proletariaat en een ware explosie van ketterse bewegingen waren het gevolg.

Toch was inmiddels de basis gelegd voor het economisch en politiek leiderschap van West-Europa in de Nieuwe tijd.

De aristocratische familierevolutie

Na het eerste millennium voltrok zich in de Franse aristocratie een ware revolutie in de familiestructuur. Families begonnen in te zien hoe hun bezittingen door erfdeling en schenkingen aan de kerk waren weggeslonken en begonnen tegenmaatregelen te nemen.

Onder de lagere aristocratie (beginnend in de Mâconnais) komt de frérèche op, waarbij broers het beheer van het nu ongedeelde familiegoed overdroegen aan een van hen; niet noodzakelijk aan de oudste. Aan de top van de maatschappelijke ladder deed het feodale principe van de primogenituur zijn intrede. Dat wil zeggen dat de oudste zoon het gehele familiebezit van zijn vader erfde. Dit drong ook langzaamaan door tot de lagere sectoren van de samenleving. Nu raakte ook de familienaam in zwang i.p.v. enkel de voornaam zoals tot dan toe gebruikelijk.

Ook de positie van de vrouw veranderde. De Morgengabe (geschenk van de man na de huwelijksnacht) raakte in onbruik; de dos (gift van echtgenoot aan bruid) werd steeds meer aan beperkingen onderhevig en geleidelijk aan vervangen door een bruidschat (gift van familie van de bruid aan de bruidegom).

In de 11de eeuw zien we dat ook verder verwijderde familieleden zich steeds meer gingen bemoeien met transacties van bezit van de diverse familieleden. Dit echter wel vanuit de mannelijke lijn. Een vorm van ‘extended familiy’ met patrilineaire trekken tekende zich af, een omvangrijke groep die elkaar economische, militaire en religieuze bijstand verleende.

Naast vrouwen waren de jongere zoons het kind van de rekening. Ze konden of in de kerkelijkheid gaan of hun geluk beproeven in de wijde wereld (oorlogen, toernooien kruistochten) om ergens een erfdochter te huwen.

Toen in de 10de eeuw de koninklijke rechtbank vervangen werd door een directe machtsuitoefening door feodale heren, stonden de boeren machteloos en werden allen onvrijen (servi). In Duitsland gebeurde dat later dan in Frankrijk. Er waren slechts enkele streken (o.a. de Friese landen) die nooit een feodale adel of onvrije boeren kenden.

Boeren hadden daardoor ook geen vrije huwelijkskeuze. Als zij wilden trouwen met iemand van een andere machtsheer dan moest er een uitruil komen om verlies van mensen tegen te gaan (formariage). Bij overlijden had de heer een eerste keus uit de roerende goederen van de onvrije (mainmorte).

de kerk en het huwelijk: toenemende bemoeienis

De spanning tussen het kerkelijke huwelijk en het wereldlijke huwelijk bleef bestaan. Overspel door mannen werd door de kerk veroordeeld maar had in de wereldse praktijk geen gevolgen. Bij vrouwen lag dat anders. Overspel kon immers ongemerkt vreemd bloed in de familie brengen. De maagdelijkheid van vrouwen voor de huwelijkssluiting en de huwelijkstrouw van vrouwen daarna waren daarom absolute vereisten.

Ivo van Chartres blies de Romeinsrechtelijke conceptie van de consensus tussen de echtelieden nieuw leven in: actieve instemming van beide partijen leidde tot een wettig huwelijk. Dit diende mede om mensen die zich op zeer verre bloedverwantschap als echtscheidingsgrond beriepen de pas af te snijden.

De eis van consensus gaf heel wat mogelijkheden voor jonge mensen die zonder ouderlijke instemming een huwelijk wilden sluiten. Of voor hen die tot een huwelijk gedwongen werden.

Men kon nog steeds clandestien huwen, dat was niet wettig maar werd wel door de kerk erkend. Tot het einde van de middeleeuwen waren de clandestiene huwelijken nog in de meerderheid t.o.v. de kerkelijke huwelijken.

De visie van het jodendom op de echtelijke seksualiteit was anders. Daar kampte men niet met een lange erfenis die terugging op Paulus en Augustinus. Liefde binnen het huwelijk was op zichzelf heilig en interfereerde daarom niet met de sabbat. In feite verliep het proces van sacralisering en ritualisering van het huwelijk bij de middeleeuwse joden makkelijker dan bij de christenen omdat er geen theologische obstakels bestonden.

Hoofse liefde

De absolute plicht van de ‘heer van stand’ om de zwakkeren in het bijzonder vrouwen en kinderen te beschermen is een aspect van het ideaalbeeld dat ridderlijkheid heet.

In de sfeer van het hof die we ons moeten voorstellen als een microkosmos waarin mensen boven op elkaar leefden, in een hecht groepsverband ontstond de conceptie van de hoofse liefde.

Via heldendaden, voor haar verricht, bewezen iuvenes (jongeren) hun mannelijke loyaliteit aan hun leenheer. Uiteindelijk ging het om gedragscodes uit de mannenwereld, waarin vrouwen ogenschijnlijk een hoofdrol, maar in feite een bijrol vervulden.

Aanvankelijk ging de hoofse liefde om geïdealiseerd gedrag, dat vooral in de literatuur en de verbeelding leefde, en dan nog voornamelijk aan de koninklijke en aristocratische hoven. En niemand voelde zich verplicht om zich ‘hoofs’ te gedragen tegenover een onvrije boerin. Zij werd zonder pardon verkracht, als het zo uitkwam. Het waren de vrouwen uit de elite die het spel mee mochten spelen. Aanvankelijk ging het vooral om getrouwde vrouwen omdat de ongehuwde meisjes nog veel meer taboe waren dan de kasteelvrouwe: hun maagdelijkheid werd scherp bewaakt door vader en broers, want die maagdelijkheid stond garant voor een huwelijkspartner. In dat opzicht lijkt dit veel op regels voor de huidige Marokkaanse vrouwen.

Na 1250 werden echter ook de ongetrouwde meisjes een vurig nagestreefd liefdesobject en werd het ‘hofmaken’ de gangbare aanloop tot het huwelijk in hogere kringen

Hoofse liefde werd op den duur tot beleefde omgangsvorm, waartoe een heer van stand verplicht was, en dat was op de lange termijn beschouwd wellicht de voornaamste invloed op de samenleving.

Omdat vrouwen vaak in afzonderlijke vrouwenverblijven leefden bestond er bij de huwbare man vaak een aspect van argwaan, angst en vijandigheid t.a.v. vrouwen. Die angst werd omgezet in een gespannen verlangen en in verering. Deze kon leiden tot een ziekelijk liefdesverdriet die in de Middeleeuwen bij uitstek een erkende kwaal was voor mannen van aanzienlijke afkomst.

Celibaat en concubinaat

In de praktijk kwam er van het priesterlijke celibaat niet veel terecht. Om in zijn levensonderhoud te voorzien moest de priester meestal ook gewoon zijn akker bewerken en hij kon derhalve niet overleven zonder vrouw en kinderen. Aan monniken en nonnen en aan de geestelijkheid rondom de bisschoppelijke kathedraal werden hogere eisen t.a.v. het celibaat gesteld.

Vanaf de 11de eeuw werd het concubinaat van de priester pas echt het doelwit van kritiek. Het huwelijk werd scherper gedefinieerd en dat had ook gevolgen voor het concubinaat.

Ook werd nu vastgelegd dat als één van de echtelieden in het klooster trad of priester werd de ander niet mocht hertrouwen alvorens de partner overleed. De huwelijksband was immers te heilig geworden om eenzijdig te verbreken.

Zo kwam het concubinaat van geestelijken dus meer en meer in een kwaad daglicht te staan. Verdween het daarmee? Allerminst. Deze ontwikkeling kreeg pas in de Contrareformatie zijn beslag.

Mannen en vrouwen in de burgerij van de late Middeleeuwen

Vanaf de 13de eeuw spelen burgers in de steden een rol van groeiend belang in Noorwest-Europa. De burgers in de steden kregen met hun hard bevochten stadsrechten een apart juridisch statuut, en al wie de stadspoorten binnenkwam, viel onder een ander rechtsstelsel dan daarbuiten gold.

De voornaamste tegenstellingen in de steden waren niet die tussen man en vrouw maar tussen rijk en arm, vrij en onvrij. Zolang de machtsverhoudingen weinig geïnstitutionaliseerd en geformaliseerd waren, hadden vrouwen een tamelijk grote speelruimte. Met de opkomst van de steden, waarbij bijvoorbeeld vrouwen niet naar de universiteit konden, werd deze ruimte allengs minder.

Jeanne d’Arc is precies om die reden zo’n typische 14de-eeuwse verschijning, uit een tijd waarin de staatsmacht in Frankrijk meer geformaliseerd en gecentraliseerd was geworden. Haar optreden als vrouwelijke legeraanvoerster en redster in nood was een volstrekte anomalie, iets totaal ongehoords.

In de 14de eeuw werd door ‘Menagier de Paris’ (huisman uit Parijs) voor zijn jonge echtgenote een handboek gemaakt, waarin al de regels werden vastgelegd. Zij komt daaruit tevoorschijn als een gedrild huisdier, slaafs en volgzaam.

De cultuur aan het hof en aristocratie was libertijnser dan die van de hogere burgerij. Deze waren immers navolgers die doorgaans meer ijver aan de dag leggen bij het precies navolgen dan de groep waar het oorspronkelijk ontstond.

De laatmiddeleeuwse hoven waren verre van preuts en hofdames konden het via aanzienlijke bedgenoten en slimme intriges een heel eind schoppen.

Bij de lagere burgerij en het proletariaat in de Middeleeuwen lagen de zaken anders. Daar gold de wet van het overleven. Mannen en vrouwen werkten zij aan zij, ook in de gilden.

Bij het huwelijk was geen sprake meer van een dos maar een bruidschat. Dit mede onder invloed van het feit dat er in de 12de eeuw een vrouwenoverschot ontstond. Oorlog was een belangrijke doodsoorzaak bij mannen voor dat zij de huwbare leeftijd hadden bereikt.

Meisjes trouwden vaak zeer jong; vanaf hun 12de jaar werden zij huwbaar geacht. Mannen waren vaak aanzienlijk ouder. Mannen (in ieder geval adel en patriciaat) trouwen vaak pas vanaf 25 jaar.

Publieke ruzies tussen de seksen in laatmiddeleeuws Utrecht

Van de laatste 2 eeuwen van de middeleeuwen zijn meer bronnen bewaard gebleven die inzicht geven in het leven van de gewone mensen. Zo ook het dossier van overtredingen in de stad Utrecht waar door zogenaamde keurmeesters (van het vechtkeur) alle verhoren waren opgetekend naar aanleiding van openbare ruzies, voorzover deze althans niet meer dan licht lichamelijk letsel hadden veroorzaakt. Was het ernstiger dan was er sprake van stadsvredebreuk en kwam de zaak voor de schepenbank.

Er stonden fikse boetes op handgemeen, zelfs als dit niet verder ging dan wat sjorren, trekken of dreigend naar een mes grijpen. De mannen van de vechtkeuren waren doorgaans handswerklieden (bakkers, kleermakers, metselaars etc.). Veel van de overtredingen vonden plaats in de kroeg waar de ‘meecht’ (dienstmaagd) vaak heel wat bijverdiende met prostitutie. Ook openbare ruzies tussen vrouwen onderling op straat kwamen regelmatig voor.

Op het eerste gezicht lijken de vergrijpen waarvoor de mensen naar de keurmeesters gingen vaak futiliteiten. Verbaal geweld en provocaties waren al strafbaar.

Het ging in de eerste plaats om de pacificatie van de publieke, de openbare ruimte. Gewelddadige conflicten binnenshuis, en bovenal tussen echtelieden, waren geen kwestie voor de keurmeesters. De openbare orde begon buiten de beslotenheid van huis en huisgezin.

Adel en patriciaat werden geacht beter te weten en zich buiten ordinaire vechtpartijen te houden. De boetes die hun werden opgelegd waren dan ook aanzienlijk hoger dan die voor de gewone man.

De vechtkeuren zitten vol met sporen van het zogenaamde clandestiene huwelijk: onwettig, want niet voor de kerk gesloten, maar wel degelijk geldig. Waar het mensen met bezit betrof, stelde de stedelijke overheid zich vierkant achter de familieleden en hun belangen. Wie van huis wegliep om te trouwen of zich liet schaken, kon geen aanspraak meer maken op het familiebezit.

De familie en de staat

Daar waar de kerkelijke en vooral de wereldlijke overheid taken overnamen die voordien tot de familie behoorden steeg het belang van het reeds bestaande kerngezin, om de eenvoudige reden dat de bemoeienis van verdere verwanten van minder belang werd.

Vanaf de 14de eeuw was het testament in opkomst; nu werd het mogelijk om de ‘rechte erfgenaam’ terzijde te schuiven. De testamentaire praktijk was rond 1500 nog volop in ontwikkeling. Notarissen, schepenen en parochiegeestelijken kwamen naast elkaar als beoorkonders voor en kenden in de diverse regio’s een uiteenlopend gezag.

Het streven van de overheid was om in geval van een misdrijf een vrede op te leggen tussen de betrokken families en tot een zogeheten zoen te komen. Als niemand een klacht indiende kon het gebeuren dat een moordenaar er met een kleine boete vanaf kwam (het accusatoire principe).

Geleidelijk drong de gedachte door dat de dader niet alleen een vergrijp tegen het slachtoffer en zijn familie had gepleegd, maar ook tegen de gemeenschap, en dat de overheid als vergeldende instantie een vervolging moest inzetten. Een grotere bekendheid met het Romeinse recht heeft hiertoe bijgedragen. Dit kende immers rechtsvervolging van overheidswege en wees bovendien iedere vorm van eigenrichting van de hand.

De individualisering van het recht, zoals hiervoor is geschetst, was tegen het eind van de Middeleeuwen nog in volle gang, vooral door toedoen van een in macht toenemende overheid die zich steeds meer liet leiden door Romeinsrechtelijke noties.


| Index | Geschiedenis | Inhoud | Deel II | Deel III | Deel IV | Deel V |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)