VERZAMELEN, van rariteitenkabinet tot kunstmuseum

Een nieuwe soort encyclopedie

Blok 4

Het gespecialiseerde museum

 

10 De ontwikkeling van het natuurhistorisch museum

sedert 1750

De eerste gespecialiseerde naturaliënverzamelingen waren meestal van artsen of apothekers. Daarna volgen ook andere verzamelaars. De motieven van de nieuwe groepen verzamelaars zijn volgens Van Gelder voornamelijk wetenschappelijk, maar Olmi denkt dat het daar juist in de meeste gevallen niet om draait.

De 'liefhebber' was oorspronkelijk vnl. geïnteresseerd in de rariteiten. Neickel noemde dat een uiting van slechte smaak.

In de tweede helft van de 18e eeuw gingen alle verzamelingen meer en meer uit van het gedachtegoed van Francis Bacon. Ze stonden alleen in het teken van de wetenschap.

De tweede helft van de 18e eeuw werden de diverse collecties anders ingedeeld. Het classificatiesysteem van Linaeus was de leidraad. De naam van een object bestond uit twee delen. De indelingskenmerken waren uitwendig

De Buffon zag geen realiteitswaarde in die classificatie. Dat waren slechts mentale abstracties. Hij gaf de voorkeur aan een beschrijvend programma van de soorten. De kenmerken waren ook inwendig.

Beiden vonden een zo compleet mogelijke natuurhistorische verzameling onmisbaar bij het verkrijgen van kennis op dat gebied.

Dauberton, medewerker van Buffon in het Cabinet du Roi, publiceerde met dit museum voor ogen een schets over de inrichting van het ideale museum. Het moest ordelijk ingericht worden met individuen naar een soort, geslacht en klasse bij elkaar .Het museum was uit pragmatische redenen vnl. volgens Linaeus ingericht.

Volmont de Bomare heeft Daubertons ideeën meer in detail uitgewerkt met een kamer voor elk rijk en een kast voor iedere klasse. De onderzoeksfunctie kwam op de eerste plaats, daarnaast moest de opstelling oogstrelend zijn

Deze inrichting was representatief voor de tweede helft 18e eeuw, men kwam niet verder dan de indeling in klassen (vissen, vogels, zoogdieren). Planten werden niet getoond.

 

Er zijn drie types verzamelaars

 

Ook voor de amateur veranderde aan het eind van de 18e eeuw de verzameling in een werkplaats.

De onderzoekers verkregen objecten ook vaak door ruil. Anders dan de meeste amateurs werd ook vaak anatomische materiaal verzameld.

De collecties van de grote Musea (Parijs, Londen, Leiden) waren het belangrijkst. De educatieve taak van dergelijke musea was nog onontwikkeld. Uitzondering was het museum van Peale. Hij gebruikte al veel didactische hulpmiddelen en wilde volgens Rousseau de kennis verbreiden. Als eerste had hij ook aandacht voor de leefwijze en natuurlijke omgeving van dieren.

De museum in Leiden dankte zijn ontstaan aan Temmick. Het werd "verkocht" als een instelling die bij zou dragen aan het internationale prestige. Eerst en vooral was het een onderzoeksinstelling.

Nieuw bij de verwerving van objecten was het fenomeen 'expeditie'. De landen met kolonieën hadden de rijkste collecties.

Het prepareren ontwikkelde zich als een specialisatie.

De opstelling gebeurde steeds vaker in rijen (Frans, wegens ruimtegebrek).

In de eerste helft van de 19e eeuw kwam er meer belangstelling voor voorlichting aan het publiek.

Owen (British Museum) zei daartoe meer ruimte nodig te hebben want een zo volledig mogelijke uitstalling was daarbij het beste. Voor onderzoek was maar weinig ruimte nodig.

Gray vond dat men een selectie moest maken. Hij pleitte ook voor een splitsing tussen publiek en onderzoekers. Andere aandachtspunten van Gray waren het geven van info over levenswijze en nut van dieren en de nadruk op lokale fauna (daarbij wel weer centrale positie van het object)

Flower (opvolger Owen) kon zich vinden in de ideeën van Gray.

Ook Goode (USA) was een pleitbezorger. Jentink voerde in Leiden de splitsing wel door maar blijft aan het onderzoek de prioriteit geven. Instituten die zich niet richtten op het publiek, profiteerden niet mee van de toegenomen belangstelling terwijl hun eigen belang als onderzoeksinstituut steeds meer werd overgenomen door de laboratoria en voor hen de functie als archief overbleef.

 

 

 

11 Verzamelingen van oudheden van 1750 tot heden

 

De antieke kunst had in de 17e eeuw nog een vooral decoratieve functie. Dat veranderde in meer aandacht voor de kunst zelf. Daarnaast kwam er interesse voor overblijfselen van andere culturen dan de Griekse en Romeinse. Dat bracht ook nieuwe inzichten in de kunsttechnieken die door de Grieken en Romeinen werden toegepast.

De ontdekking van het Herculeum en het verschijnen van de publicaties van Winckelmann zorgden voor een omwenteling in de beschouwing van antieke kunst.

Winckelmann leerde dat antieke objecten als belangrijke bronnen voor de geschiedenis van stijlontwikkeling konden gelden. Een kunstgeschiedenis aan de hand van de kunstwerken, niet de biografieën van kunstenaars. Hij schetste een volledig overzicht van de kunsten in de antieke wereld en introduceerde wetenschappelijk criteria.

Aan de hand van criteria over het antieke schoonheidsideaal ging hij uit van een beperkt aantal "topstukken'. Hij was overtuigd van de invloed van het klimaat. De Griekse kunst komt op de eerste plaats. Hij onderscheidde vier perioden.

Het Museo Pio-Monte is het vroegste voorbeeld van een museum met topstukken. De pauzen wilden hiermee deze stukken in Italië houden. Visconti was leider van het project. De architectonische vormgeving van tentoonstellingsruimten in de Belvedere werd bepaald door de eisen aan de opstelling. Die beoogde een volledig overzicht te geven van de ontwikkeling, d.m.v. een thematische opstelling, maar ging nog niet over naar een chronologische opstelling. Er waren geen erezalen. Er werd gestreefd naar een vloeiende en ononderbroken rondgang.

Toen in 1797 Italië Frankrijk een oorlogsschat moest betalen met daarbij inbegrepen een deel kunst, verhuisde een groot aantal stukken naar het Musée Napoleon. Frankrijk kreeg daarmee een (tijdelijk)uniek bezit aan topstukken. Visconti (in ballingschap) kon hier nog beter zijn ideeën waarmaken.

Na de val van Napoleon werden een groot deel van de werken gerestitueerd.

Door de ontdekking van de "Elgin marbles" (originelen uit Athene), tentoongesteld in het British Museum verloor de Romeinse kunst ( met veel kopiën van Griekse kunst) haar dominerende plaats ten koste van de Griekse. Ook de naïviteit van Winckelmann kwam aan het licht. Het British Museum werd binnen enkele decennia het meest vooraanstaand museum ter wereld.

De Glyptothek in Munchen was het eerste oudheidkundig museum dat chronologisch werd ingericht. De architect Klenze werkte het geheel neoclassicistisch uit met een rijke decoratie. Het interieur prevaleerde soms boven de kwaliteiten van de door Van Wagner geselecteerde oudheden.

Net voor de Glyptothek werd in Berlijn het Altes Museum geopend. De architect Schinkel en de conservator Waagen hadden als uitgangspunt het esthetisch genot en de geestelijke vorming van het algemene publiek genomen. Ook hier werden andere culturen (Etrusken, Egyptenaran) herontdekt.

Doordat er steeds meer materiaal kwam uit bijvoorbeeld opgravingen, moesten er keuzes gemaakt worden. De artistieke waarde kwam op het tweede plan. De waarde van het object als historische bron werd nummer één; de archeologie was geboren.

Er kwamen ook de musea met verzamelingen van vaderlandse oudheden. Hierin was ook aandacht voor bijvoorbeeld de prehistorie en de middeleeuwen. Het voorwerp zelf speelde de hoofdrol.

De grote hoeveelheden materiaal zorgden ook voor musea in het land van de vondsten zelf en om te ontkomen aan de 'serialiteit" (twintig Romeinse pijlpunten in een vitrine) kwam ook het ideaal van een museum van topstukken weer terug. Temeer omdat behalve de kwantiteit van het materiaal , ook de periode groeit waarover een overzicht gegeven moet worden.

In de twintigste eeuw werd in toenemende mate het object uit de oudheid, bij voorkeur in een context, weer als een kunstvoorwerp gepresenteerd met oog voor de "oogstrelende" kwaliteit.

( Ny Calsberg Glyptotheek, Paul Getty).

In Italië pleitte Bandinelli voor een meer zuivere archeologische benadering van een object in zijn omgeving die gericht is op de reconstructie van de geschiedenis

 

Met name in Frankrijk onstaan "Musées des sites" , op het opgravingsterrein zelf waar de materiele bronnen in hun oorspronkelijke context worden bewaard.

Ook veel nieuwere musea gaan uit van het concept waarbij een deel van de antieke beschaving wordt gereconstrueerd


| Index | Kunst | Verzamelen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)