Het wereldbeeld vernieuwd Barok, etiket op een tijdperk
Inleiding
16e eeuw is een van de meest roerige in de geschiedenis van Europa:
Reformatie:
hervorming van de christelijke godsdienst.Renaissance: oriëntering op het voorbeeld van de klassieken.
Geografische expansie: de ontdekking en exploitatie van andere werelddelen leidt uiteindelijk tot een relativering van het eigen cultuurbesef.
Wetenschappelijke revolutie: de fundamentele vernieuwing van de natuurwetenschap (1500-1800).
Het geocentrisch wereldbeeld
(aarde in het middelpunt)Gebaseerd op de theorieën van Aristoteles (384-322 v. Chr.) en Ptolemaeus (100-178 n. Chr.) en beïnvloed door twee vooropgezette meningen:
De staat van zijn is gescheiden en verheven boven de staat van worden; alleen een toestand van onveranderlijkheid is volmaakt.
De cirkel is de volmaakte figuur, de bol het volmaakte lichaam. De eenparige cirkelbeweging benadert de volkomenheid van onveranderlijke rust het meest.
Het oude wereldbeeld
De aarde staat onbeweeglijk in het middelpunt van het universum.
De hemellichamen draaien rond de aarde en beschrijven zuivere, cirkelvormige banen.
Het universum wordt begrensd door de sfeer (bol) van vaste sterren die in tegenovergestelde richting van de planeten draaien. De sterren staan allen op dezelfde afstand van de aarde.
In het ondermaanse heersen veranderlijkheid en vergankelijkheid; het bovenmaanse wordt gekenmerkt door onveranderlijkheid en onvergankelijkheid.
In het ondermaanse gaan alle zware lichamen (aarde of water) in een rechtlijnige beweging naar het middelpunt van de aarde. De lichte lichamen (vuur of lucht) bewegen zich in rechte lijn naar de hemel. De hemellichamen in het bovenmaanse zijn samengesteld uit een vijfde element en bewegen zich in een gelijkmatige cirkelvormige beweging.
Van geocentrisch naar heliocentrisch wereldbeeld (zon in het middelpunt)
Nicolaus Copernicus (1473-1543)
De revolutionibus orbium coelestium (over de omloopbewegingen van de hemellichamen, 1543).
Heliocentrisch wereldbeeld:
Thomas Digges (1545-1595)
Sterren niet allen op dezelfde afstand van de aarde, maar verspreid door de buitenste sfeer, die onbeweeglijk is en zich tot het oneindige uitstrekt (universum is onbegrensd).
De buitenste sfeer is identiek met de hemel, zetel van God en verblijfplaats van engelen.
Giordano Bruno (1548-1600)
Door speculatief denken (niet door astronomisch-mathematisch onderzoek):
Bruno stierf na acht jaren gevangenis op de brandstapel op beschuldiging van ketterij.
Tycho Brahe (1546-1601)
Compromis tussen Copernicus en Ptolemaeus:
Brahe is echter vooral belangrijk als observator. Hij ondermijnde door observaties het oude geloof dat de ruimte buiten de sfeer van de maan geen veranderingen kende en maakt komaf met het geloof in materiele (kristallen) sferen. Werkt leter in Praag samen met Kepler.
Johannes Kepler (1571-1630)
Drie wetten:
Galileo Galilei (1564-1642)
Verslag van zijn ontdekkingen met de telescoop:
Galilei nam geen duidelijke stelling tegenover de vraag of het universum eindig dan wel oneindig is. Hij verwerpt de opvatting dat alle sterren zich in dezelfde sfeer bevinden, en stelt verder dat de vorm van het universum niet vaststaat zodat uitspraken over een middelpunt voorbarig zijn.
Argumenten van Galilei en anderen betreffen bewegingsleer
Aristoteles: in het ondermaanse gelden andere wetten dan in het bovenmaanse.
Dit wordt weerlegd door de traagheidsopvatting die in aanzet door Galilei werd geformuleerd, en door Newton verder uitgewerkt.
Isaac Newton (1642-1727)
Synthese van de ontwikkelingen in astronomie en mechanica. Newton biedt in de principia één verklaring voor zowel de bewegingen op aarde als daarbuiten; dezelfde natuurwetten gelden in het boven- én ondermaanse:
Het wereldbeeld vernieuwd
Mechanisering van het wereldbeeld
vindt haar voltooiing met de publicatie van Newtons Principia.Deze vaststelling behoeft echter enige nuancering omdat:
Edmund Halley (1656-1742):
de sterren hebben geen vaste positie aan de hemel, maar verplaatsen zich langzaam. Verder stelde men vast dat de afstand tot de sterren veel groter was dan gedacht.Bernard le Bovier de Fontenelle (1657-1757):
schreef over de mogelijke veelheid van werelden; de uniciteit van de aarde werd niet langer zonder meer erkend.Christiaan Huygens (1629-1695):
speculeerde reeds over mogelijk leven op andere planeten.Laplace (1749-1827)
toonde aan dat de storingen in bewegingen van planeten feitelijk geen storingen zijn, en zich periodiek voordoen. Zij zijn te verklaren met de wetten van de mechanica en hebben geen correctie van een God nodig.
Barok, etiket op een tijdperk
Inleiding
Uitgangspunt van dit hoofdstuk is de vraag of de term barok als kunsthistorisch periodebegrip bruikbaar is. In de film wordt de stijl van de barok gedefinieerd door hem af te zetten tegen voorafgaande (kunst)stromingen. Terwille van de helderheid wordt de barok beperkt tot de Italiaanse schilder- en beeldhouwkunst. In die zin fungeert de Italiaanse barok als toetssteen bij de behandeling van de Franse en Nederlandse kunst in de zeventiende eeuw.
Bij het beschouwen van de barokperiode (17e eeuw) komt men tot de vaststelling dat er vaak meer verschillen zijn dan overeenkomsten; in de behandelde landen waren er verschillen in de functie van de kunst. In de film worden de kunsten vooral beschouwd in het licht van de veranderende religieuze opvattingen en staatkundige ontwikkelingen.
Het voorspel van de barok in Italië
Kunst van de renaissance
Kennis en toepassing van het lineair perspectief.
Kennis van de anatomie van het menselijk lichaam en toepassing daarvan.
De kunstenaar gebruikt deze kennis om de historia (tafereel, Leon Battista Alberti) weer te geven in een harmonische compositie.
Maniërisme
Anatomie van de menselijke figuren is verwrongen; houding is gekunsteld en onnatuurlijk.
De figuren bevinden zich niet in een duidelijk gedefinieerde ruimte, maar lijken te zweven.
Stereotype gelaatsuitdrukkingen; de variatie van het werk wordt uitgedrukt in de houding van de figuren en de plooival van hun kleding.
Kleurgebruik is niet natuurlijk.
De maniëristen willen vooral blijk geven van virtuositeit om het virtuoze (hoe kunstiger, hoe beter).
Contra-Maniera
Reactie op het maniërisme (medio 16e eeuw) van zowel kunstenaars als de katholieke kerk; Contra-Maniera en beeldbesluiten van het concilie van Trente (1563).
In feite een vereenvoudigd vorm van het maniërisme (zonder de gekunsteldheid van het maniërisme).
De stijl sluit aan bij de Contrareformatie waarmee de kerk zich wil profileren tegenover de protestantse kerken. Deze nieuwe koers wordt vastgelegd in beeldbesluiten.
Omstreeks 1600 loopt deze stroming op haar einde en ontstaat in Rome de barok.
De Italiaanse barok
Caravaggio (1573-1610) & Annibale Carracci (1560-1609) – schilderkunst
Een vergelijking van de Graflegging van Caravaggio met de Kruisafneming van Pontormo brengt het volgende aan het licht:
Gianlorenzo Bernini (1598-1680) – beeldhouwkust
Als opperbouwmeester van de Sint-Pieter bepaalde hij het gezicht van de rooms-katholieke kerk na de Contrareformatie, waarbij zijn belangrijkste taak erin beston de Sint-Pieter tot een symbool te maken van de triomferende katholieke kerk. Dit weerspiegelt zich in:
Waar in Italië de rooms-katholieke kerk meestal optrad als opdrachtgever, was dat in Frankrijk de staat (Lodewijk XIV). Hier moest de kunst de absolute macht van de zonnekoning weerspiegelen en daartoe werd een nationale kunststijl ontwikkeld. De koning werd daarbij geadviseerd door zijn eerste minister Colbert.
De Académie Royale de Peinture et de Sculpture zocht naar een ware stijl die een zorgvuldig gekozen onderwerp verenigde met een perfecte stilistische uitvoering. Deze stijl was voor ieder talent aan te leren aan de hand van vaste regels waarvoor werd gesteund op de kunst van de antieken.
De Manufacture Royale des Meubles de la Couronne diende een nevendoel van de centralistische cultuurpolitiek; de stimulering van de nationale economie. Om de invoer van goederen (meubels en gebruiksvoorwerpen) die ook in Frankrijk konden worden gemaakt te stoppen, werden werkplaatsen opgericht (oa in de werkplaats van de familie Gobelin). Om te komen tot een nationale stijl werd de productie onder de hoede van Charles le Brun gebracht die alle producten ontwierp of minstens de voorgelegde ontwerpen goedkeurde.
Om ook bouwwerken te kunnen inpassen in deze nationale stijl werd de Académie Royale d’Architecture opgericht die streefde naar vaste regels, gebaseerd op de bouwkunst van de klassieke oudheid.
De barok in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden
De republiek verschilde in religieus en staatkundig opzicht van Italië en Frankrijk.
De invloed van het calvinisme, dat de nadruk legt op de verkondiging van het geloof door het woord, betekende dat de kerk als opdrachtgever wegviel. Het ontbreken van een centrale staatsmacht betekende tevens dat ook van deze kant weinig opdrachten verwacht konden worden.
In tegenstelling tot de rest van Europa kon een kunstenaar hier ook uit eigen beweging werken uitvoeren. Daardoor vertoonde een ander karakter dan de kerkelijke Italiaanse of de classicistische Franse kunst:
Expansie en einde van de barok
De barok had invloed op andere kunstvormen en werd buiten Europa verbreid. Zo is de barokstijl terug te vinden in de kerkbouw van overzeese koloniën. In de 18e eeuw gaat de barok dan over in het rococo, een stijl waarbij de theatrale effecten een doel op zichzelf worden.
De bruikbaarheid van de term barok als kunsthistorisch periodebegrip
Het is moeilijk om voor de barok algemene, stilistische en thematische kenmerken aan te geven.
Algemeen wordt de barok wel gekenmerkt door een groot naturalisme, maar de stijl waarin dit vorm krijgt is tegelijk in elk land zeer verschillend. De kerkelijke Italiaanse kunst, de classicistische Franse hofkunst en het Hollands realisme hebben stilistisch weinig met elkaar gemeen.
Het gebruik van de term als periodebegrip wordt vooral gerechtvaardigd door het feit dat overal in Europa omstreeks dezelfde tijd (begin 17e eeuw) een nieuwe beeldtaal opgang maakt, om tenslotte omstreeks dezelfde tijd (eind 17e eeuw) plaats te maken voor een nieuwe beeldtaal.
De Poolse kunsthistoricus Jan Bialostocki tracht te beschrijven wat de kunst in de zeventiende eeuw met elkaar verbindt om de legitimiteit van de term barok als periodebegrip te bevestigen.
De kunst tussen 1600 en 1700 verschilt duidelijk van de kunst voor 1600 en die na 1700.
Ondanks de stijlverschillen in de verschillende Europese landen bestaat er een belangrijk punt van overeenkomst; de Europese kunst van de 17e eeuw is symbolisch (verwijst naar een idee) en retorisch (probeert emotie op te wekken).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Ira van Montfoort (2002)