Leereenheid 18 – De Franse revolutie
De politieke crisis
Frankrijk verkeerde in een crisis. Lodewijk XVI had bij zijn troonbestijging de oude parlementen in ere hersteld, dus hij kon bijna geen hervormingen doorvoeren. In 1776 liet het parlement van Parijs de minister van financiën, Turgot, aftreden omdat hij herziening van het belastingstelsel wilde. De koning werd niet serieus genomen en vaak bespot in libelles (schotschriften), die het aanzien van het koningschap verder aantastten.
De ideologische factor
2e helft 18e eeuw nam het analfabetisme af en de handel in boeken toe. De ideeën van de philosophes raakten wijdverbreid. De parlementen bewerkten de publieke opinie in de strijd tegen het koninklijk despotisme. Begrippen als 'burger', 'natie', 'sociaal contract', 'rechten van de mens', en 'algemene wil' werden gemeengoed. Dit sprak grote delen van de bevolking aan.
De sociale crisis
De standenindeling (geestelijkheid, adel en derde stand) correspondeerde in 1789 nauwelijks meer met de praktijk. Welstand, invloed en productieve praktijk waren heel anders onder de bevolking verdeeld. Handel en (plattelands)industrie waren 2e helft 18e eeuw sterk gegroeid, veel kooplieden waren welvarend. Zij voelden zich gelijk aan de adel. Het feodale stelsel werd steeds minder geaccepteerd. Door de belastingvrijstelling van de adel drukte de last van belastingen onevenredig zwaar op de rest van de bevolking.
De economische crisis
Na 1787 maakten misoogsten en strenge winters het leven op het platteland moeilijk. Dit verhoogde de ontevredenheid over belastingen, tienden en heerlijke rechten. De broodprijs steeg, in de stad en op het platteland heerste honger en werkloosheid. Met de bestaande onvrede creëerde dit een explosieve situatie.
De financiële crisis
In 1788 was het financiële beleid in een impasse geraakt. De schatkist was leeg door de oorlogen (niet door het dure hofleven), en verdere belastingverzwaring was niet mogelijk. De staatsschuld werd niet door de natie gedragen. De opvolger van Turgot, Calonne, wilde belastinghervormingen: algemene belasting op grondbezit, confiscatie kerkelijke gronden, instelling provinciale lichamen waarin adel, boeren en burgers zitting hadden. Het parlement van Parijs weigerde: alleen de drie standen (Staten Generaal) konden belastingen goedkeuren. De adellijke revolutie brak uit. De regering van Lodewijk XVI kwam tot stilstand, er waren geen inkomsten meer. De koning beloofde de Staten Generaal bijeen te roepen. Alle standen mochten vertegenwoordigers kiezen en lijsten opstellen van hun grieven (cahiers de doléances). Hierin ontbreken klachten over privileges, wellicht omdat de schrijvers deze zelf hadden.
Verlichte intellectuelen waren geen aanstichters in de revolutie, maar toen de oude orde het begaf konden zij het verlichte gedachtengoed benutten. Volgens Rudé begon de revolutie in Frankrijk omdat hier een combinatie van factoren aanwezig was die elders niet voorkwam: een vermogende en eisen stellende burgerij, en een stelsel van in brede kring circulerende radicale politieke ideeën. Verder was Parijs het centrum van bestuur, wetgeving, cultuur en onderwijs, maar ook een sociaal-economisch kruitvat waarin burgers, schrijvers en volksmenners met radicale ideeën dicht bij het lage volk leefden, waardoor de stad, toen het lont ontstoken was, zijn stempel kon drukken op de gebeurtenissen.
Marxistische historici als Jaurès, Lefebvre en Boboul hadden een andere invalshoek dan hun voorgangers. Voor hen zijn de economische verhoudingen bepalend voor de heersende maatschappijvorm, inclusief het politieke systeem en de politieke ideologie, vandaar hun belangstelling voor het economische leven van de lagere klassen. Zij beschreven de revolutie 'van onder af'. Hierdoor is het sociale en sociaal-economische aspect op de voorgrond geplaatst. Zij omschrijven 4 economische maatschappijvormen die elkaar zouden opvolgen:
De Franse revolutie kenmerkt de overgang van feodalisme naar kapitalisme. Ook sommige niet-marxisten, zoals Reinhardt en Ford, zijn het hierin met hen eens. Lefebvre heeft de rol van de boeren tijdens de revolutie beschreven. Zij vormden tijdens de revolutie geen homogene klasse, maar waren verdeeld in een landbezittende 'plattelandsburgerij' die belang hadden bj het verwijderen van de beperkingen op het pirvate bezitsrecht (collectieve dorpsgronden), en de landloze, arme groep die de traditionele rechten en gewoonten wilden handhaven. De revolutie maakte de kloof tussen hen dieper, omdat de landlozen het na de revolutie slechter kregen. De boerenrevolutie van 1789 moet worden onderscheiden van die in de steden: de burgerij streefde naar een vrije markt-economie, de armen in stad en op platteland streefden ernaar hun collectieve rechten te behouden (regulering voedselprijzen).
Soboul onderwierp de Parijse sans-culottes aan een onderzoek. Hij nam een marxistischer standpunt in dan lefebre. Hij schetst de revolutie in Parijs als tijdelijk samengaan van groepen die eigenlijk andere uitgangspunten hadden. De leiders van de sans-culottes hadden een ander doel dan de massa. Met omverwerping van het regime verdwenen de aloude sociale reguleringen, zoals regels omtrent vaststelling van lonen en prijzen. Ook in de stad profiteerde de burgerij van de revolutie, en niet het volk. Soboul verstaat onder feodalisme het sociaal-economische systeem onder het ancidn regime, dus niet alleen de juridische feodale verhoudingen, maar ook sociaal-economische bijverschijnselen als corveediensten en belastingplicht van de boeren. Omdat de massa geen klassenbewustzijn had profiteerden de burgerlijke 'meesters' van de opstand. De oorzaak hiervan was dat er nog geen fabrieken of industriewijken waren waar dit klassenbewustzijn kon ontstaan.
Cobban uitte in zijn boek 'The social interpretation of het French revolution' scherpe kritiek op de opvatting dat de revolutie een 'burgerlijke revolutie' zou zijn geweest. Op grond van bewijsmateriaal dat was geleverd door de Marxisten Lefebvre en Soboul weerlegt hij hun interpretaties daarvan. Volgens hem is het niet zo dat de revolutie de overgang van feodalisme naar kapitalisme markeert, dit omdat de revolutie niet progressief was, maar conservatief, gericht tegen het doordringen van het kapitalisme in wording. Bewijzen:
Hij had zich gericht op de gezeten bovenlaag van de burgerij, die meer bezitters waren dan kapitalisten. Met de adel liet Cobban zich niet in.
Ook de adel was geen coherente groep. Een deel was al kapitalistisch, zij investeerden in nijverheid en handel. De these van de 'aristocratische reactie', (hieronder werd verstaan dat de adel de heerlijke rechten opnieuw kon gaan uitbuiten, of dat de adel zich opnieuw in exclusieve posities kon verschansen) werd door het tijdschrift Past and Present afgewezen. Er bleef een gemend adellijk-burgerlijke elite van notabelen over.
De revolutie mobiliseerde volkskracht op een eerder onbekende wijze. Redres en reorganisatie in het binnenland, en mobilisatie tegen het buitenland werden doorgezet. In de 'Verklaring van de rechten van de mens en de burger' is de open elite als programmapunt opgenomen. De verwezenlijking hiervan hing samen met modernisering van bestuur en rechtscodificatie.
De oorlogen veranderden van karakter. De socioloog Speier onderscheidt de instrumentele en absolute oorlog:
Deze overgang was begonnen in Amerika, en zette door tijdens de conflicten die op de Franse revolutie volgden. Het was uit met het subtiele spel waarmee men de balance op power in stand gehouden had.
In 1788 had de koning besloten de Staten Generaal bijeen te roepen. In politieke pamfletten werd geeïst dat er niet, zoals gewoonlijk, per stand gestemd moest worden (de derde stand verloor altijd), maar hoofdelijk. Het parlement van Parijs verkondigde dat alles zou gaan zoals de keer ervoor: Elke stand een 300 leden, stemmen per stand en de derde stand zou apart van de andere vergaderen. Men vreesde dat de adel hervormingen in de geest van de Engelse revolutie voorstond: hier was het parlement, waarin adel en geestelijkheid de overhand hadden, het hoogste wetgevende orgaan in een constitutionele monarchie. Dit klopte. De adel wilde zelfs privileges opgeven in ruil voor politiek overwicht. Dit laatste wilden de derde stand en de progressieven (parti patriote) voorkomen. Van de parti patriote werden Lafayette, graaf Mirabeau en abs Sieyès lid. De laatste werkte in zijn pamflet "Wat is de derde stand" de ideeën van Rousseau radicaal uit door te stellen dat deze stand de enige nuttige in de samenleving was, identiek aan de natie, die absolute soevereiniteit bezat. De patriotten eisten dubbele afvaardiging n de Staten (600 leden), gemeenschappelijke vergadering en hoofdelijke stemming. In de cahiers de doléances van de derde stand zijn weinig sporen te vinden van principiële bezwaren tegen de standenmaatschappij, mits hervormingen werden doorgevoerd.
Tijdens de vergadering bleek dat derde stand en geprivilegieerden, die weigerden mee te werken, elkaar wantrouwden. Op 17 juni 1789 riep de derde stand hun vergadering uit tot Assemblée Nationale, dus tot vertegenwoordiger van de natie. Zij negeerden hiermee de koninklijke soevereiniteit, en achtten zichzelf soeverein. De koning liet de vergaderzaal sluiten, waarop men uitweek naar de naastgelegen kaatsbaan. Ze legden de eed van de kaatsbaan af: zij zwoeren niet uiteen te gaan voordat zij een grondwete hadden opgesteld. Zij noemden zich Constituante. In de volgende dagen voegden meer edelen en geestelijken zich bij hen, tot de koning leek toe te geven. Hij riep de overgeblevenen op zich bij de Constituante te voegen, maar liet wel zijn troepen rond Versailles bijeenkomen. Dit leek erop dat de koning de kant van de geprivilegieerden koos. Het volk was verontwaardigd, omdat zij er tot op dat punt van overtuigd waren dat de koning hun altijd had verdedigd. Het volk kwam in beweging.
De volksopstand van 1789 kan worden onderscheiden in twee bewegingen: die van de sans-culottes in Parijs, en die van de boeren. Op geruchten van troepenbeweging en een contrarevolutie van het hof ging men op zoek naar wapens. Op 14 juli bestormden het volk de Bastille. Lodewijk kondigde aan zijn troepen terug te zullen trekken. Het volk was trots op zichzelf, maar de leiders waren bang de menigte niet meer in de hand te kunnen houden. Lafayette richtte een burgerwacht op. Zij gingen de driekleur dragen die het symbool van de revolutie zou worden. In Parijs en vele andere steden werd het stadsbestuur vervangen door comités vn patriottische burgers. Op het platteland kwamen de boeren in beweging. Door de misere van de afgelopen jaren hadden zij het betalen van belasting alvast opgeschort. Het gerucht ging dat samenzwerende edelen door ingehuurde bandieten de oogst wilden laten vernietigen. Groepen boeren bestormden landhuizen en kastelen, en vernietigden documenten waarin feodale rechten waren vastgelegd. Dit wilde de vergadering niet: veel leden van de derde stand waren bezitters. In de nuit des sacrifices (4 augustus) deden progressieve edelen afstand van hun feodale rechten. Hierop volgde afschaffing van tienden, plaatselijke privileges en koopbaarheid van ambten. Deze nacht veranderde de Franse samenleving grondig. Op 26 augustus vaardigde de Assemblée de Declaration des droits de l'homme et du citoyen uit:
Préambule
Natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens. Klachten van burgers zouden moeten leiden tot handhaving van de grondwet. Men verklaart de volgende rechten van mens en burger:
Eerste artikel:
Mensen worden vrij geboren en blijven dat.
Tweede artikel:
Het doel van elke politieke vereniging is handhaving van de rechten van de mens: vrijheid, eigendom, veiligheid en verdediging tegen onderdrukking.
Derde artikel:
De oorsprong van soevereiniteit berust bij het volk.
Zesde artikel:
De wet is de uitdrukking van de algemene wil, en is voor allen gelijk. Burgers kunnen persoonlijk of door vertegenwoordiging aan de opstelling ervan meewerken. Ambten en worden verkregen door deugden en talenten.
Zevende artikel:
Als men wordt beschuldigd, aangehouden of vastgehouden is dat op grond van de wet.
Achtste artikel
De wet mag alleen strikt noodzakelijke straffen voorschrijven, niemand mag worden gestraft dan op grond van de wet.
Tiende artikel
Vrijheid van meningsuiting en godsdienst, mits men de openbare orde niet verstoort.
Dertiende artikel
Iedereen moet naar draagkracht betalen voor leger en kosten van bestuur.
Op 3 september 1791 werd de nieuwe grondwet afgekondigd. Frankrijk was nu een constitutionele monarchie. Kiesrecht werd ingesteld voor mannelijke burgers met bezit of inkomen (60%). De wetgevende macht kwam in handen van de Assemblee Legislative, die dmv getrapte verkiezingen werd gekozen. De koning had het vetorecht op alle beslissingen, maar hij werd gewantrouwd. Hij was de gevangene van het bewind. De rechterlijke macht werd hervormd: de adel verloor haar bevoegdheden en de parlementen werden opgeheven. Er kwamen nieuwe rechtbanken met aan het hoofd een centraal hooggerechtshof, dat toezicht hield op Assemblee en ministers. Rechters en ambtenaren werden gekozen. Het land werd verdeeld in departementen, met dezelfde instellingen en dezelfde rechten. Binnenlandse tolgrenzen werden opgeheven, en er kwam eenheid van munt, maten en gewichten. Gilden en compagnonnages werden opgeheven. De revolutie leek voltooid. In de loop van 1791 en 1792 vond polarisatie tussen revolutionairen en contarevolutionairen plaats, dit leidde tot het begin van de tweede revolutie.
Het regime had vele katholieken in en buiten Frankrijk tegen zich in het harnas gejaagd. Op voorstel van bisschop Talleyrand was kerkelijk bezit in beslag genomen, deze grond zou verkocht worden en als onderpand dienen voor assignaten (papiergeld). De Staat moest nu de verzorging van de geestelijkheid op zich nemen. Dit werd vastgelegd in de Constitution civile du clergé. De clerus zou, gekozen door kiesmannen, onder het soevereine volk komen te staan. Dit ging de paus en veel katholieken veel te ver. Veel geestelijken weigerden een eed op deze nieuwe wet te zweren. De katholieke kerk verloor haar gallicaanse karakter, en werd pauselijker dan ooit tevoren. Kerk en staat kwamen lijnrecht tegenove elkaar te staan, de scheiding van kerk en staat was nabij. De revolutie dreigde te stagneren, maar dit gebeurde niet door de internationale verwikkelingen.
Ook adellijke emigrées vormden een constante contrarevolutionaire bedreiging. Aan de andere kant wilden radicale jacobijnen verergaande veranderingen, zoals afschaffing van de monarchie, en wilden girondijnen een militaire kruistocht tegen de contrarevolutionairen in het buitenland. In de Assemblée bestonden drie partijen:
Voorjaar 1792 kregen de girondijnen de overhand, men verklaarde de oorlog aan Oostenrijk. Zij hoopten de massa bijeen te krijgen onder het nationale vaandel, maar de oorlog vergrootte de onrust alleen maar. Boeren en sans-culottes wantrouwden het revolutionaire regime, want voor hen was nog niet veel gedaan. Het vrijgekomen land was in grote stukken verkocht, dus daar hadden zij niets aan gehad. Het financiële beleid zorgde voor inflatie en hoge voedselprijzen. De oorlog verliep slecht, en de sand-culottes zochten een zondebok. Die vonden zij in de koning. De girondijnen waren geschrokken van de gevolgen van de volksopstand die zij hadden aangewakkerd. Zij waren bang voor een heerschappij van de sans-culottes, en schaarden zich achter de koning. Het volk bezette onder leiding van de Jabobijnen het paleis. De koning vluchtte, en in Parijs werd een jabobijns bestuur ingesteld, de Commune. Zij dwongen intrekking van de grondwet af en nieuwe algemene verkiezingen. Doel was de samenstelling van een andere Constitutionele Conventie, die een nieuwe, radicaal-revolutionaire democratische grondwet zou ontwerpen. De tweede revolutie was begonnen.
3. De radicale fase van de Franse revolutie
Op 20 september 1792 kwam de nieuw gekozen Nationale Conventie bijeen. Zij riepen de Republiek uit en voerden een nieuwe kalender in. Er trad meteen fractievorming op: tegenover de gematigde girondijnen stonden de radicale jacobijnen (montagnards). De laatste waren meestal Parijzenaars, en hadden de steun van het Parijse volk. Zij waren voorstander van een gecentraliseerde staat. Zij wonnen vaak de steun van de ongebonden conventieleden (le Marais). De girondijnen wilden een volksreferendum om over het lot van de koning te beschikken, de jacobijnen wilden een doodvonnis. Op 21 januari stierf de koning na stemming in de Conventie onder de guillotine. De voorstemmers werden régicides (koningsmoordenaars) genoemd. In de conventie liep voortaan een scheidslijn tussen voor- en tegenstemmers.
Voorjaar 1793 verliep de oorlog met Oostenrijk slecht, en er waren contrarevolutionaire opstanden op het platteland. De Commune van Parijs eiste maatregelen van de Conventie, de girondijnse fractie was tegen. Op 2 juni 1793 bezetten gewapende sans-culottes de conventie, hierop werden girondijnen gearresteerd. De eerste politieke zuivering La Terreur, was begonnen. De montagnards hadden nu de overhand in de Conventie. In 1793 werd een democratisch voorstel voor een grondwet voorgelegd, dit trad echter nooit in werking. De macht kwam te liggen bij twee comite's, die de conventie spoedig overheersten: het Comité de Salut Public (Robespierre) en het Comité de Sûreté Generale. Zij oefenden een dictatuur uit. Tegenstanders werden onderdrukt en/of vermoord. Door reorganisatie en opzet van een bewapeningsindustrie kon men buitenlandse vijanden verslaan. Eind 1793 was de orde hersteld, de noodtoestand was overwonnen. Toch duurde het nog maanden voor het Terreur-regime zou vallen.
Volgens Ford was de reden voor de val van Robespierre dat de bestaansgrond voor de Terreur was weggevallen. Het duurde nog lang voor de angst voor vijanden was weggeëbt, en niemand durfde tegen het regime in te gaan. De aanleiding voor de val was een door hem zelf ingestelde wet, die het mogelijk maakte iemand als 'vijand van het volk' te bestempelen en de doodstraf te geven zonder vorm van proces. Dit gebeurde met Robespierre toen enkele van zijn tegenstanders uit angst een complot tegen hem smeedden. Volgens Robespierre behoorden alleen diegenen die in ogen van het revolutionaire regime deugdzaam waren tot het volk. Omwille van het welzijn van het volk kon men vijanden van het volk doden. Zijn ideeën waren in strijd met artikel 6, 7, 8, en 10.
4. De reactie na thermidor, 1794-1799
De val van Robespierre betekende het einde van de Terreur. Nieuwe machthebbers, Thermidoriens, gaven het systematische onthoofden op omdat het publiek dit beu was. De tribunalen werden opgeheven. Ondergedokenen kregen gratie. Wel werden jabobijnen en andere radicalen zonder vorm van protest vermoord. Het Franse leger behaalde buitenlandse overwinningen, maar binnenlandse problemen bleven ernstig. Toen de economische maatregelen ongedaan gemaakt werden, stegen de voedselprijzen. De sans-culottes eisten 'brood en de grondwet van 1793'. De girondijnen wonnen het pleit. Na mei 1795 hielden de sans-culottes op te bestaan. De groep die als overwinnaar uit de strijd kwam was de bezittende burgerij. De Conventie bereidde een nieuwe grondwet voor, die 1795 in werking trad. Via getrapt cencuskiesrecht werd een Législative gekozen, een wetgevende vergadering. Zij kozen een uitvoerend comité van 5 directeurs, die de ministers kozen. Het regime werd het Directoire genoemd. Het politieke klimaat bleef instabiel. Het regime was corrupt, dat weinig gezag en probeerde politieke fracties tegen elkaar uit te spelen. Als dit mislukte, moest de macht van het leger worden ingeroepen om de orde te herstellen. Dit was de basis voor de toekomstige macht der generaals. Na de staatsgreep van Napoleon mondde de revolutie uit in een militaire dicatatuur.
Voor welke prijs kon men nu vrede binnen Europa krijgen? Waarschijnlijk zou Frankrijk een deel van het veroverde gebied moeten afstaan. In 1797 sloot Bonaparte vrede met Oostenrijk, dat de Zuidelijke Nederlanden, Noord-Italië en de Rijksgebieden op de linkeroever prijsgaf. Frankrijk won doordat zij voorsprong hadden op het gebied van militaire organisatie.
5. Het Napoleontische tijdvak, 1799-1815
Napoleon had als ambitieuze en intelligente man van Corsica tijdens de revolutie snel carrière binnen het leger gemaakt. Door zijn acteertalent is het moeilijk te weten wie hij was. Door zijn successen heen zag men vaak zijn flaters niet. Wezenlijke elementen van na de revolutie verdwenen. Er bleef een hecht doortimmerde bureaucratie over, met een politie die staatsgevaardlijken snel op het spoor was. Voorlopig verwachtten de Fransen vrede. Napoleon sloot vrede met Oostenrijk en Engeland, en met de Paus, dit stelde vele wegen voor verzoening open. In 1803 waren Engeland en Oostenrijk opnieuw met Frankrijk in oorlog, dit duurde tot Napoleons val. In 1805 beheerste Engeland de zee en Frankrijk het land. Napoleon verkocht de koloniën. In 1906 heerste Napoleon over het grootste deel van Europa. Napoleons broers (3) en zwager werden koning. Tijdens het regime van Napoleon was er weinig verzet, politie-instanties voorkwamen dit. Langzamerhand kwamen de volken elders in Europa tegen de bezetting in opstand. Napoleon werd verbannen.