Leereenheid 17 – De tijd van de Amerikaanse revolutie, 1763-1789
1. Historiografische inleiding
Het blijft moeilijk om over revoluties, voortgekomen uit onvergelijkbare idealen en irritaties, algemeen geldende theorieën te ontwerpen. De auteurs van het handboek noemen de Amerikaanse revolutie een echte revolutie in die zin dat er een opstand plaatsvond van de dertien koloniën tegen het wettige gezag, hetgeen een snel veranderingsproces teweegbracht. Zij menen echter met de historicus Brinton, die The atonomy of revolution schreef, dat de revolutie in vergelijking met andere revoluties in sociaal opzicht minder ver ging, en dat een periode waarin radicalen het toneel beheersten ontbrak. De inzet was nationale zelfstandigheid. Brinton doet zijn best om een 'reign of virtue and terror', te construeren, maar van een schrikbewind was geen sprake. Er was wel sprake van een geleidelijke terugkeer naar gestabiliseerde verhoudingen. De bureaucratische reglementering wordt vervangen door het revolutionaire experiment.
Volgens de auteurs wordt aan de these van Palmer ("Atlantische democratische revolutie gedurende de laatste vier decennia van de 18e eeuw") afbreuk gedaan door recent onderzoek waarin de 'aristocratische reactie', en het 'burgerlijk' karakter van de 18e eeuwse revolutie (twee van zijn uitgangspunten), in twijfel worden getrokken. Zij sluiten echter niet uit dat de diverse verschijnselen in de laatste vier decennia van de 18e eeuw met elkaar in verband staan, zodat de kern van Palmers these, dat de Amerikaanse en Franse revolutie kunnen onder één noemer gebracht kunnen worden, overeind blijft. Als er protesten zijn tegen een monarchaal staatsbestel, vaak als de belastingdruk wordt verhoogd, protesteren de aristocraten het eerste en het luidste. Zij willen hun geprivilegieerde positie verdedigen, soms sloten ze hiervoor een monsterverbond met de democraten. De aristocratie was echter op segregatie uit, niet op assimilatie. De spanning nam toe, de democratische protesten gingen de traditionele overstemmen, en uiteindelijk was het woord aan de burgerij. De burgers wilden de politieke elite niet langen rekruteren uit groepen die door geboorte een bevoorrechte positie hadden. Dit was een revolutionaire en democratische stroming. De bewegingen aan weerszijden van de oceaan hebben elkaar wel beïnvloedt, er waren mensen (Lafayette, Paine) die aan beide zijden een rol speelden. Volgens Palmer waren er tegenstellingen, en hadden de bewegingen een autochtoon karakter, maar ze waren voortgekomen uit hetzelfde sociaal-politieke tijdsklimaat.
Volgens Palmer was er in Amerika sprake van een revolutie omdat:
Volgens Palmer was bij de Franse revolutie het klassenconflict heftiger, en de regering en maatschappij werden radicaler gereorganiseerd. Dit komt doordat Amerika geen feodale adel, afhankelijke boerenstand, geprivilegieerde kerk had, en slechts een monarchie op afstand. Verschillen tussen arm en rijk waren minder groot. De revoluties in Europa en Amerika hadden wel allemaal een ideologische grondslag: vrijheid, gelijkheid en volkssoevereiniteit. De revolutie in Amerika had een voorbeeldfunctie, ten eerste omdat de eerder genoemde ideeën door de Amerikanen als eerste als leus werden aangenomen (onafhankelijkheidsverklaring), en ten tweede door de manier waarop zij een nieuwe regering instelden: eerst werd een vergadering bijeengeroepen die de rechten van het volk vastlegden (Bill of Rights), vervolgens wordt de macht van de regering begrensd, en daarna wordt een geschreven grondwet opgesteld.
2. Koloniën en moederland
In theorie waren de Amerikaanse koloniën sterk afhankelijk van Engeland, maar in de praktijk viel dit reuze mee. Engeland was ver weg, en sturen viel niet mee. De koloniën hadden weinig begrip voor de problemen van Engeland. Het Britse leger had de Fransen uit Noord-Amerika verdreven. De 13 afzonderlijke staten waren niet bereid geweest het door Franklin opgestelde Plan of the Union (het gezamenlijk nemen van de verantwoordelijkheid voor de strijd tegen de Fransen) te accepteren, omdat zij bang waren hun zelfstandigheid te verliezen. Een vestigingskolonie was voor het moederland niet erg winstgevend, ze waren niet afhankelijk van import uit het moederland. Daarom wilde men de uitgaven voor een dergelijke kolonie beperken. De Britten moesten na 1763 toch al meer onkosten maken voor Noord-Amerika: er moesten ambtenaren worden betaald die de belastinginning gingen verzorgen (oorlogsschulden),en er moest een staand leger komen tegen de Fransen en de indianen. De Amerikanen hadden de akten van navigatie, waarin mercantilistische maatregelen zoals het betalen van invoerrechten op import uit het moederland, altijd ontdoken. De kolonisten betaalden alleen lokale belasting. Hieraan wilde Engeland nu een einde maken.
3. Verscherping der tegenstellingen
Engeland had niet in de gaten dat de koloniën er aan toe waren hun eigen weg in te slaan. De groep in Engeland die begrip had voor het standpunt van de Amerikanen, de Whigs, zaten in de oppositie en konden het beleid dus niet beïnvloeden. Edmund Burke is hier een voorbeeld van. De Britse ministers wisten niet beter dan belastingen in te voeren en weer in te trekken, een gebrek aan visie dus.
De eerste belastingmaatregel die het Britse parlement nam was de sugar act in 1764, invoerrechten op suiker. De maatregel wekte protest en werd ontdoken. De tweede maatregel, ingevoerd door Grenville, was de stamp act. Op alle officiële papieren moesten zegelrechten worden betaald. De kolonisten beschouwden dit als tirannie. 'No taxation without representation' was een principeverklaring van de Amerikanen, hiermee gaven zij te kennen dat het Engelse parlement geen recht had op het heffen van belasting zolang zij er niet in vertegenwoordigd waren. Hierop stelde de Britse regering dat zij 'virtually represented' (feitelijk vertegenwoordigd) waren, de Engelse parlementsleden behartigden ook de belangen van de Amerikanen. Het aanvankelijk economische verzet veranderde in politiek ideologisch verzet. Hierin klonken verlichte ideeën door. George III reorganiseerde het kabinet, en de Stamp act werd ingetrokken. Engelse zakenlui waren bang voor represailles van de kolonisten. In 1767 nam het parlement de Townshend duties aan, een nieuwe poging invoerrechten te heffen op papier, verf, lood en thee. Na protest werd alles weer ingetrokken, behalve de invoerrechten op thee. Dit leidde tot de Boston Tea party in 1773. Hierop reageerde Engeland met de Coercive acts van 1774. De situatie was al geëscaleerd, en leidde tot de onafhankelijkheidsoorlog.
4. Oorlog en vrede
De Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog kan in zeker opzicht worden beschouwd als voortzetting van de grote 18e eeuwse oorlogen. Opnieuw stonden de grootmachten Frankrijk en Engeland tegenover elkaar, en wederom werd de strijd op koloniaal terrein uitgevochten. In de periode 1774-1776 vond verregaande polarisatie plaats. De Coercive acts zorgden ervoor dat de havens van Boston gesloten werden, tot economisch nadeel van de stad. De Engelsen meenden Massatucets te kunnen isoleren van de andere koloniën, maar in 1774 bleek tijdens het first national congress dat de andere staten zich achter Massatucets schaarden. Tijdens de daarop volgende militaire strijd (1775) werden de Amerikanen rijp voor het idee van onafhankelijkheid. George Washington leidde het leger, dat amateuristisch was, en slecht gefinancierd, maar wel erg fanatiek. Tom Paine schreef het radicale pamflet Common Sense, mede hierdoor kwam het tot de proclamatie van onafhankelijkheid.
In de onafhankelijkheidsverklaring (1776) komen de ideeën van John Locke terug. Het idee van een contract tussen vorst en onderdanen, het feit dat de vorst mag worden afgezet als hij de rechten van het volk met voeten treedt, en dat het soevereine volk dan het recht heeft een nieuwe regeringsvorm in te stellen. Men richtte zich niet tot het parlement, dat zij immers niet erkenden, maar tot Koning George III. Deze tekst was in no time in Europa bekend, men wist dat Amerika zelfstandig wilde worden, maar de Engelse vloot beheerste de zee, en de Engelse legers (met Duitse huurtroepen) handhaafden zich nog. In 1777 werd voor het eerst een Engelse legereenheid gedwongen zich over te geven. De Franse regering koos openlijk de kant van de opstandelingen. Franklin wist een Amerikaans-Frans bondgenootschap af te sluiten. Frankrijk had nog een appeltje te schillen met Engeland, het bondgenootschap was meer berekenend dan idealistisch. Voor het eind van de strijd kreeg Engeland ook nog Spanje en de Republiek tegenover zich. In 1781 capituleerde het leger in Yorktown. Na enige vertraging zag Engeland de nederlaag onder ogen. In 1783 werd de vrede gesloten. Frankrijk werd de dupe van een regeling die voor de VS vrij gunstig was.
5. Omwenteling en stabilisering
Met de vrede van Versailles in 1783 werd de Amerikaanse onafhankelijkheid bekrachtigd. Tijdens het verzet waren al hinderlijke elementen van het oude bestel opzijgeschoven. De loyalisten waren verdwenen, men maakte korte metten met de privileges van de Anglicaanse kerk, regelingen die grootgrondbezit intact hielden werden ingetrokken en het kiesrecht werd verruimd. Dit ging snel en zonder verzet. De samenleving was dus ietwat afgeroomd door afdanking van het hinderlijke deel van de elite en ook had men wat instellingen overboord gegooid. Aanvankelijk zouden de staten een los verbond vormen, en de soevereiniteit zou bij de parlementen van de staten liggen. In 1779 en 1780 waren in alle staten grondwetten aangenomen. Tijdens de boerenopstand (Shays' rebellion) bleek echter dat federaal gezag en een nationaal leger onmisbaar was. De unitarissen of anti-federalisten vreesden dat de individuele rechten van de burgers in gevaar zouden komen bij een te sterke federatie. Door de Bill of Rights werd deze vrees grotendeels weggenomen. Hierin werden recht op eigendom, godsdienst, vrijheid van meningsuiting en vergadering, vrije regelmatige verkiezingen en stemrecht vastgelegd. Het gelijkheidsideaal werd in zoverre verwezenlijkt dat meer blanke mannen (bezitters) kiesrecht kregen. Langzamerhand zou dit worden uitgebreid. In 1788 werd de grondwet aanvaard, en in 1799 werd George Washington de eerste president van de VS.
De 'checks and balances' tussen federale macht en de macht van de afzonderlijke staten bestaat eruit dat de verschillende bevoegdheden zijn verdeeld tussen de federatie (buitenlandse politiek, militaire zaken, belastingen, munt, posterijen) en de staten (onderwijs, lage rechtspraak, politie, verkeer). Ook lagen de zwaartepunten in beide kamers van het congres verschillend: in the house of reps woog de stem van elke staat even zwaar, terwijl in de Senaat het aantal burgers per staat de doorslag gaf. De 'checks and balances' tussen de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht (trias politica) bestonden hieruit dat de president (uitvoerend) een vetorecht had op de wetgeving van het Congres, terwijl de Senaat (onderdeel Congres) benoemingen van de president moest bekrachtigen. De rechters, door de president voor het leven benoemd, kregen het recht om wetten te toetsen aan de grondwet, en konden zo het congres controleren.
De Amerikaanse revolutie had directe en indirecte internationale gevolgen. Het Britse imperium raakte grondgebied kwijt. De Franse schatkist was uitgeput, een van de oorzaken van de Franse revolutie. De indirecte gevolgen lagen op het ideologische vlak. Alden noemt als ideologische gevolgen van de Amerikaanse revolutie:
6. De jaren 1763-1789: een revolutietijdvak?
Na 1789 begon ook in de Zuid-Amerikaanse Spaanse koloniën de strijd om onafhankelijkheid. In Geneve begon al in de jaren 60 een beweging onder de burgerij, die zich keerde tegen de heerschappij van het patriciaat. De anti-aristocratische beweging haalde enkele successen, maar deze waren niet blijvend van aard omdat de inwoners die geen burgerrechten hadden beseften nog buitenspel te staan. In Polen was men al sinds de jaren 30 op zoek naar hervormingen. Het land werd een speelbal van de buurlanden, die hun invloedssferen in Polen afbakenden. Toen de adel het bestuur open stelde voor burgers, en tegelijk het koninklijk gezag versterkte, hoopte men verdere deling te voorkomen. De buurlanden zagen de Poolse adel als gevaarlijke revolutiemakers, vier jaar later was Polen geheel opgedeeld. Het zou pas na WO I herrijzen.
In Zweden kwam een einde aan de vrijheidsstrijd. De adelsfacties, hoeden en petten, die hun cliëntèle steeds buiten eigen kring hadden gevonden in geestelijkheid, steden en onder boeren, werden buitenspel geplaatst. Er kwam een alliantie tussen kroon en niet-adellijke standen. Dit leidde tot een nieuwe grondwet. Toch waren relaties met de adel nog onmisbaar.
In Engeland kwamen buiten- en binnenparlementaire oppositie naar voren toen bleek dat Engeland in het conflict Amerika aan het kortste eind ging trekken. Deze opposities bleven echter verdeeld. Binnenlandse verhoudingen en sociale problemen eisten de aandacht op. Er werd nadrukkelijk gevraagd om parliamentary reform. Deze hervormingen kwamen er echter pas in 1832. Een deel van de Whig-oppositie meende dat regeringsmanipulaties een ernstiger euvel waren dan de traditionele rekrutering van MP's, al was dit systeem verouderd. Burke behoorde tot deze groep.
In Ierland kwam een oppositionele beweging op gang. Men klaagde over de afhankelijkheid van Engeland. De presbyterianen maar ook leden van de Church of Ireland deden mee, en later ook de katholieken. De Ierse regering moest concessies doen, maar in 1801 werd Ierland in een unie met de rest van Engeland opgenomen. Eigen regering en parlement werden opgeheven, in Westminster kwamen er zetels bij. In de loop van de 19e eeuw bleek dat deze regeling niet te handhaven was.
In de Nederlanden kreeg de anti-stadhouderlijke patriottenbeweging een impuls door de Amerikaanse vrijheidsoorlog. Er was sprake van economisch verval. Ook op het binnenlands bestel hadden patriotten veel aan te merken, maar onder het stadhouderlijke bewind was geen sprake van politieke vernieuwingen. In de Oostenrijkse Nederlanden heeft het verlicht absolutisme wel verandering gebracht. Door de snelle bevolkingsgroei was ook hier de economische situatie niet gunstig. In 1787-1789 brak de Brabantse revolutie uit, tegen het ongeduldige beleid van Jozef II. Dit rumoer werd gedragen door twee groepen, een traditionele en een verlicht-moderne.
Wat was het gezamenlijk effect van alle oppositiebewegingen? De verkondiging van het ideaal van burgerbewapening was het begin, later werden staatslegers vervangen door volkslegers, hierin ging Frankrijk voorop. Er was gedurende vrij lange tijd geen sprake meer van evenwichtspolitiek in Europa.