Leereenheid 16 – Mondialisering van de economie

1. Historiografische inleiding

Omstreeks 1600 gingen de grote handelscompagnieën zich toeleggen op de Aziatische handel. Voor de expansie overzee zijn telkens anders verklaringen naar voren gebracht: ideële (geloofsijver), technische (kennis van scheepsbouw en navigatie), economische (expansiedrang kapitalisme). Welke voor- en nadelen hebben kolonisatie en overzeese handel gebracht? Volgens sommigen was de Europese handel in Azië en Afrika slechts een randverschijnsel, volgens anderen heeft het desastreuze gevolgen gehad. Het wegvoeren van miljoenen afrikanen heeft de ontwikkeling belemmerd, en het invoeren van wapens hebben oorlogen en sociale tegenstellingen aangewakkerd. In Azië zijn de prekoloniale handelscontacten voor India en Indonesië negatief geweest, daarentegen voor Japan positief.

De Amerikaan Wallerstein heeft de meest omvattende interpretatie van de Europese expansie gemaakt. Hij ziet in de lange 16e eeuw (1450-1650) het ontstaan van een samenhangend economisch systeem, met Europa als middelpunt. De periferie kenmerkte zich door lage productiviteit en onvrije arbeid. Deze 'wereldeconomie' was flexibeler, en had dus meer levenskansen dan de wereldrijken dat via tribuutheffing zijn doel probeerde te bereiken. Deze rijken (bv het Iberische) waren gebaseerd op kostbare en kwetsbare militaire macht, niet op economische overheersing, daarom trokken zij aan het kortste eind. Een van de punten van kritiek op Wallerstein is dat hij de Portugese expansie onderschat.

Steengaards opvatting is dat de Oost-Indische compagnieën de strijd om de Aziatische handel wonnen van de Portugezen omdat zij een modernere politiek voerden. Het Portugese handelssysteem is in veel opzichten gelijk aan het Aziatische, ook veel Aziatische handelaren wisten voordeel te behalen. Aziatische kooplieden waren echter niet in staat de volledige markt van vraag en aanbod te overzien. Volgens vele historici hebben de handelscompagnieën hun succes te danken aan het feit dat men zich aanpaste aan de Aziatische economie. Experts op het gebied van Portugese expansie, en kenners van Aziatische geschiedenis hebben hun twijfels geuit over het vernieuwende van de handelscompagnieën.

Over de plantages is iedereen het eens dat dit instrumenten van het West-Europese streven waren om de Derde Wereld uit te buiten. Williams stelt dat de industriële revolutie is gefinancierd met winsten uit de slavenhandel en plantages. Onderzoek toonde echter aan dat de winsten uit slavenhandel erg gering was (minder dan 1 % v/h nationale inkomen in Engeland) en plantages (4%) te gering waren om een echte bijdrage aan de industriële revolutie te leveren. De opportunity costs, verdiensten uit arbeid, schepen en investeringen die men in West-Indië gebruikte dienen te worden verminderd met de inkomens die deze productiefactoren zouden hebben opgeleverd als ze binnen Europa gebuikt zouden zijn, worden buiten beschouwing gelaten. Verder werden de abolitionisten volgens Williams niet gedreven door humane gevoelens, maar door economische motieven: de slavenhandel zou eind 18e eeuw, toen het abolitionisme in opkomst was, al minder zinvol zijn geworden omdat de suikerproductie in West-Indië toen werd voorbijgestreefd door die in Azië. Abolitionisten keurden de slavenhandel af omdat het wegvoeren van de bevolking verhinderde dat Afrika grondstoffen voor de industrie kon leveren, en als afzetgebied voor de producten kon fungeren. Williams these is echter niet meer houdbaar, omdat er te veel kritiek op is gekomen. Het is bewezen dat toen de abolitionistische beweging zich manifesteerde, de slavenhandel op zijn hoogtepunt was. De suikerproductie ging toen inderdaad achteruit, maar voor de katoenproductie was slavenhandel onmisbaar.

2. Na de ontdekkingen: Europa overzee

Het Europese handelskapitalisme kwam in de 18e eeuw tot volle bloei. De huisindustrie op het platteland, de interne Europese handel (graanhandel) en de overzeese handel kenden alle een enorme groei. Bank-en kredietverschaffingsmogelijkheden groeiden, evenals wetenschappelijke en technische kennis. Deze kennis resulteerde in verbetering van schepen, havens en opslagtechnieken, betere methoden van landbouw, mijnbouw, wegenbouw en industrie. Frankrijk en Engeland waren economisch gezien de belangrijkste landen. De Republiek werd voorbijgestreefd, maar de handelaren en kapitaalverschaffers bleven een grote rol spelen. Landen die hun kolonisten een sterke diplomatieke, militaire en maritieme steun gaven konden een omvangrijk koloniaal rijk handhaven.

Elke werelddeel speelde zijn eigen rol in de groeiende wereldeconomie. Amerika leverde bulkgoederen, voornamelijk suiker, die in Europa werden bewerkt. Suiker- en koffieplantages werden door slaven bewerkt. Deze slaven kwamen uit Afrika. Europa verscheepte artikelen als textiel, alcoholica, buskruit en gebruiksvoorwerpen naar Afrika, in ruil voor goud en slaven. Azië was als afzetmarkt voor Europese producten ongeschikt, men wilde de producten niet hebben. Europeanen konden het Aziatische textiel, koffie, thee, aardewerk en de specerijen goed gebruiken, maar ze konden ze alleen ruilen tegen edelmetalen. Via de belastingen kwamen de voor inlandse goederen betaalde edelmetalen bij de vorsten terecht, niet bij de producenten. De grondstoffen uit Amerika en de producten uit Azië werden in alle Europese landen verkocht. De winst van de wereldomvattende economie ging voornamelijk naar West-Europese ondernemers.

Het proces van Europese expansie heeft zich op drie manieren gemanifesteerd:

  1. Het vestigen van handelsposten: als men ergens op interessante producten stuitte, stichtte men er een handelspost: op de westkust van Afrika, de kusten van India en Indonesië, in Japan en China. De grootte varieerde van een huis tot een onneembaar fort. Vaak gaven plaatselijke machtshebbers toestemming, soms werd vestiging afgedwongen. Soms nam men grotere gebieden in, om greep te krijgen op de streek waar geproduceerd werd, of omdat men zich in een enkele post onveilig voelde. Handelsfirma's hadden vaak geen invloed op de aard en omvang van de productie. Ook was er nauwelijks inzicht in de afzetmogelijkheden in het gebied.
  2. Het veroveren van vestigingskolonies: als men op interessante landbouwgrond stuitte, ging men over tot het opzetten van een volksplanting. Spanjaarden begonnen hiermee in Zuid-Amerika. De Indiaanse bevolking werd door oorlogen en Europese virussen tot 40% gereduceerd. Engelsen en Fransen vestigden zich in het Caraïbisch gebied (dit viel door hoge sterfte snel af), Noord- en Zuid Amerika, en eind 18e eeuw in Australië en Nieuw-Zeeland. Men legde zich toe op verbouw van Europees voedsel, cacao en tabak. Vestigingkolonies bedropen zichzelf, en hadden een zwakke economische band met het moederland. Er bleven immigranten komen, dus de vooruitzichten waren goed. Kleine groepen emigreerden uit religieuze overwegingen: puriteinen, hugenoten, en Iberische joden. In Spaans-Amerika werd de oorspronkelijke bevolking geïntegreerd, elders niet. De kosten van verdediging en bestuur van zo'n kolonie waren hoog, en de opbrengsten laag.
  3. De stichting van plantagekolonies: als de omstandigheden geschikt waren, stichtte men een plantagekolonie voor de verbouw van tropische landbouwgewassen. Portugal begon hiermee op de eilanden van de westkust van Afrika en in het Noordoosten van Brazilië. Westeuropeanen vestigden zich in het Caraïbisch gebied en het zuidoosten van Noord-Amerika. De gewassen, suiker, koffie en katoen, waren voor de export. Indianen en Europeanen voldeden niet als arbeidskracht (hoge sterfte, onwil), en werden vervangen door Afrikaanse slaven. Portugezen begonnen met de slavenhandel in de16e eeuw. Rond 1650 gingen Nederlanders, Engelsen en Fransen er ook toe over. Europeanen werden kapitaalverschaffer en manager. Handel en scheepvaart was voor plantagekolonies een noodzaak. Hun goederen werden geëxporteerd, voedsel, bouwmaterialen, mensen en nijverheidsproducten geïmporteerd. Er werd nauwelijks voortgeplant. Plantages waren een gewild beleggingsobject.

3. Het Atlantische gebied: de regio's

De Europese expansie in het Atlantische gebied beperkte zich voornamelijk tot de penetratie van Noord- en Zuid Amerika. De vermindering van de bevolking, het onvermogen van de Indianen om de indringers tegen te houden en het gezonde klimaat zijn hier debet aan. De landbouwstructuur kan in drie types worden onderscheiden:

Het grootste deel van Amerika bleef tot 1800 in handen van de Indianen, alhoewel frontier opschoof. Met de indianen ruilde men voor pelzen, tbv kleding, verder had men geen invloed op de indiaanse economie.

Deze ruileconomie kwam ook in Afrika voor. Voor de uitvinding van kinine en het snelvuurgeweer lukte het niet het binnenland te veroveren. Men probeerde bondgenoten te maken onder de Afrikanen door het uitdelen van geschenken of geweren. Soms lukte het de Afrikanen daardoor om forten te veroveren. Alleen in Zuid-Afrika kon men zich niet verweren. Naast zelfvoorzienende landbouw was daar sprake van voedselgewassen voor export, voornamelijk bevoorrading van schepen.

 

4. Het Atlantische gebied: de goederen

Vanuit Amerika werd koffie, suiker, indigo, tabak en katoen naar Europa vervoerd, vanuit Afrika goud, gom, peper en ivoor. In West-Europa werden koffiebranderijen en suikerraffinage belangrijke takken van nijverheid. In de loop van de 18e eeuw werd in de Europese textielnijverheid Indiase katoen verwerkt, deze producten, gemaakt op onbeholpen machines, waren van mindere kwaliteit en werden in Afrika afgezet. Verder werden op de Afrikaanse kust alcoholica, buskruit, geweren, huishoudelijke artikelen en spiegels en kraaltjes geruild. Ook hier werd de nijverheid niet gestimuleerd, eerder benadeeld door de goedkope import. Europese exportartikelen naar Amerika waren kant en klaar, ze voegden niets toe aan de plaatselijke nijverheid en mechanisatie: voedsel, gebruiksvoorwerpen, machines, wapens, kruit en munitie.

Volgens Rice kwam het zwaartepunt van de economie in West-Afrika door de slavenhandel op de kust te liggen, in plaats van aan de zuidrand van de Sahara. Staten die toegang hadden tot de zee kregen politiek overwicht. De slavenhandel bracht een klasse van Afrikaanse tussenhandelaren, die zich verrijkten door de handel.

5. Het Atlantisch gebied: de mensen

Volgens Rice had onvrije arbeid in Opper-Guinea nooit bestaan. Door de Europese vraag naar slaven gingen Guineeërs ook slaven houden. In Kongo en Angola bestond slavernij al voor de komst van de Europeanen.

In Azië en het Atlantisch gebied was er grote vraag naar Europese handelsagenten en zeelui. In het Atlantisch gebied waren er groepen die hun woonplaats voorgoed hadden verlaten, Europese landverhuizers en slaven. Tussen 1450-1800 zijn er 8.000.000 Afrikanen uit West-Afrika weggevoerd. Onder slaven was nauwelijks natuurlijke toename:

Blanke immigranten konden zich in de gematigde regio's uitstekend voortplanten. Rond 1800 woonden er 12.000.000 blanken in Amerika, hiervan was 1% in Europa geboren. Ook in Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland ging het goed met de kolonisten. De natuurlijke groei wordt toegeschreven aan:

De demografische cijfers waren nog beter dan in Europa. Er werd eerder getrouwd, kindersterfte lag lager, levensduur langer. Aanvankelijk kampten immigranten met grote sterfte, vooral onder contractarbeiders die hun overtocht niet zelf konden betalen en die in het Caraïbisch gebied te werk gesteld werden. Ook onder hen (vooral mannen) was nauwelijks natuurlijke aanwas. Tussen 1650-1700 schakelde men over op goedkopere slaven. Na 1700 trokken alleen de middle colonies, New York, Conneticut en Pennsylvania nog Europese contractarbeiders.

6. Het Atlantische gebied: de structuren

De vaartijden naar de nieuwe wereld waren zelden langer dan twee maanden. Ook kleine rederijen konden deelnemen, behalve aan slavenhandel omdat dit veel investering kostte (slaven werden op afbetaling verkocht). Alle Europese landen probeerden in het Atlantische gebied, net als ze in Azië hadden gedaan, monopoliecompagnieën te krijgen. De Nederlandse WIC is een mooi voorbeeld van zo'n poging. Deze compagnieën konden de moordende concurrentie met de illegale kleine rederijen niet aan, en werden opgeheven of hun monopolie werd ontnomen.

In 1713 had Spanje bij de vrede van Utrecht het Asiento aan Engeland moeten afstaan. Omdat dit Asiento Engeland de gelegenheid had gegeven tot smokkelhandel op Zuid-Amerika, en de Britten hiermee het Spaanse imperium konden openbreken, wilden de Spanjaarden het privilege terughebben. De handel op Zuid-Amerika was erg lucratief. Hierom vocht men in de War om Jenkins' ear. Ondanks papieren barrières was het Atlantische gebied een vrijhandelsgebied avant la lettre. Beleggers staken geld in elkaars koloniën, de internationale concurrentie zorgde ervoor dat telkens een ander gebied goede afzet had. Alleen de planters uit West-Indië konden rekenen op een vaste afzet in Engeland, hierdoor betaalde men hier 25% meer voor de suiker dan buiten Engeland.

Volgens Adam Smith was vrije arbeid efficiënter en daardoor goedkoper dan onvrije arbeid. Volgens Davis kwam de abolitionistische beweging voort uit een mengeling van religieuze, intellectuele en literaire stromingen die samenhingen met een algemene mentaliteitsverandering. Het principe van slavernij werd aangevochten, het was niet zo dat men alleen de omstandigheden voor slaven wilde verbeteren. Het succes van de beweging bij het grote publiek kwam wel door economische motieven. De afschaffing van slavenhandel zou vooral de nieuwe Brits West-Indische suikergebieden treffen, omdat de plantages nog in opbouw waren en alle arbeidskracht welkom was. In de oudere gebieden verwachtte men dat het aantal 'slaven' natuurlijk zou toenemen als de slavernij werd afgeschaft.

7. Azië: de regio's

Op het Aziatische continent lagen enkele uitgestrekte, krachtige politiek en economisch hoog ontwikkelde rijken. Er bestond een uitgebreid allochtoon handels- en scheepvaartnet. Het lukte de kolonisten niet het overwicht te krijgen dat zij in Amerika en Afrika hadden, ook vestigings- en plantagekoloniën behoorden niet tot de mogelijkheden. Het enige alternatief was handelsposten en compagnieën. China kende in die tijd interne problemen (overgang Ming-dynastie naar Ching-dynastie), maar dit hielp de kolonisten niet om vaste voet aan de grond te krijgen. In deze grote rijken lag de machtsbasis bij de landbouw. Hierdoor kregen inheemse kooplieden niet veel steun bij het weren van concurrentie. In India en Perzië lukte het al snel om handelsfactorijen op te richten. In Zuid-India werden hele dorpen gepacht, en tekenden inheemse vorsten monopoliecontracten voor levering van peper.

In China en Japan had men een krachtige regering. Buitenlandse handel werd zo veel mogelijk geweerd. In China werd uiteindelijk één haven voor buitenlandse handel geopend: Kanton. In Japan kregen Nederlanders en Chinezen een klein kunstmatig eilandje bij Nagasaki toegewezen om handel te drijven. In beide landen was men overgeleverd aan de voorwaarden van de inheemse overheid. In Malakka en op de Indonesische eilanden bestonden vele kleine sultanaten, die uit eigenbelang handelaren tegen elkaar probeerden uit te spelen. Door hier op in te spelen kregen de Europeanen meer voet aan de grond dan in China en Japan.

8. Azië: de goederen

In Europa werd men langzamerhand meer marktgericht, zowel in productie als consumptie. De welvaart nam toe, men stond open voor een meer verstedelijkte manier van leven, met belangstelling voor andere culturen. De vraag naar uitheemse producten nam toe. Doel van de Oostindische compagnieën was om de Europese markt van goederen te voorzien. In de 17e eeuw was peper het voor Europa belangrijkste Aziatische product. Na 1600 was peper de inzet van de felle concurrentie tussen Engeland en Nederland. Dit leidde tot prijsdaling en verhoging van de afzet in Europa. Ook fijne specerijen als nootmuskaat en foelie van de Banda-eilanden, kruidnagelen van de Molukken (later alleen Ambon), en de kaneel van Ceylon waren gewild. In de loop van de 17e eeuw verwierf de Republiek een monopolie op deze producten.

2e helft 17e eeuw werden Indiase zijde en katoen erg populair in Europa. Rond 1680 was er sprake van een Indian Craze. Rond 1700 deed de koffie zijn intrede, kort daarop barstte de theehandel los. Thee kwam in de 18e eeuw uitsluitend uit Kanton. Minder belangrijke producten waren indigo, salpeter, porselein, koper, suiker en houtsoorten. De handel op Azië nam sterk toe. De nieuwe producten kwamen uit nieuwe gebieden, hier had de Republiek geen voorsprong. De Engelsen en kleine compagnieën profiteerden van de nieuwe trends. De stroom zilver naar Azië nam toe, deze kwam echter ten goede aan de vorsten (belasting) niet aan producenten. Op de specerijeneilanden en Ceylon heeft de handel voor de inheemse bevolking zeker niet goed uitgepakt.

9. Azië: de mensen

De VOC bracht op de Indonesische archipel interne politieke rust en sloot leverantiecontacten af met inheemse vorsten (regenten), die bescherming kregen zolang zij leverden. De vorsten kregen grote macht. In de loop van de 18e eeuw werden de boeren meer uitgebuit, zij moesten de producten voor de VOC leveren, en de toegenomen welvaart van de vorsten bekostigen. De VOC vermeed territoriale bezittingen omdat dit te veel zou kosten (bestuur, defensie). Beheersing van de vaarroutes leek gunstiger. Toch bleek gebiedsbeheersing op den duur onvermijdelijk, vorsten riepen de hulp van de Nederlanders in, zodat zij betrokken raakten bij de inlandse politiek. In sommige gebieden gingen ze zelf als vorst fungeren.

Op sommige plaatsen, zoals Batavia, ontstond een Europese gemeenschap. De hoge sterftecijfers, de weigering om zich blijvend te vestigen en het tekort aan vrouwen maakten dat voortdurende toevoer van mensen nodig was. Op de Nederlandse Oost-Indiëvaarders vertrokken ongeveer 1 miljoen mensen (Nederlanders en Duitsers, waarvan er 300.000 terugkeerden. De meesten kwamen uit de onderste lagen van de maatschappij, maar er bestond een kleine toplaag die carrière en fortuin maakte. Dit vooral met handel voor eigen rekening. De beperkende regels van de compagnie werden regelmatig overtreden.

10. Azië: de structuren

In 1600 werd de EIC opgericht, en in 1602 de VOC. In de loop van de tijd streefde de EIC de VOC voorbij. Ook in andere landen richtte men compagnieën op. Tot eind 18e eeuw bleef de Republiek een van de belangrijkste koloniale mogendheden. De VOC consolideerde haar positie in Azië en concentreerde zich hierbij op de Indonesische archipel. De compagnieën bezaten een octrooi, uigegeven door de regering, dit zorgde ervoor dat zij een monopolie hadden op handel met Azië. De concurrentie tussen de compagnieën onderling was natuurlijk wel moordend. Dit nam in de 18e eeuw nog toe. De compagnieën bezaten soevereine rechten: zij mochten verdragen sluiten met vorsten, forten oprichten en legers in dienst nemen.

In Voor-Indië werd de VOC voorbijgestreefd door de Engelsen en Fransen. Franse steun verhinderde dat tijdens de 4e Engelse oorlog alle VOC bezittingen daar verloren gingen. Veel VOC schepen vielen in Engelse handen. De Compagnie kreeg wel een aandeel in de theehandel op Kanton, de handelsrelatie met Japan bleef intact, en de positie op de Indonesische eilanden werd versterkt. Territoriale uitbreidingen vonden in India pas midden 18e eeuw plaats. De Franse Dupleix was de eerste die Indiase vorsten onderwierp, maar zijn Franse bazen riepen hem terug om oorlog met Engeland te vermijden. Bij de slag om Plassey wist Robert Clive de plaatselijk heerser te verslaan en werd de grondslag voor het Britse rijk in India gelegd. De Engelsen konden nu belasting gaan heffen. In 1773 was er door het Engelse parlement een wet aangenomen die Engelse onderdanen in India onder Westminster plaatste. Men was niet meer overgeleverd aan de eigenaardigheden van de compagniesdienaren. De Engelse politiek ging zich bemoeien met de koloniën, er was sprake van imperiumbeleid.

Welke factoren leidden tot de ondergang van de VOC:

De VOC ging in 1799 failliet.