Leereenheid 15 – De twee grote oorlogen van de achttiende eeuw: 1740-1748 en 1756-1763

1. Historiografische inleiding

Oorlogvoering in het midden van de 18e eeuw

De Oostenrijkse successieoorlog en de zevenjarige oorlog (allereeste wereldoorlog) kunnen als één oorlog worden gezien. De belangrijkste twistpunten waren suprematie over de expanderende wereldeconomie en militair overwicht en bezit van de rijkere steden in midden-Europa. Het ging om macht en prestige, niet meer om godsdienst of nationaliteit. De oorlogen gingen voor een groot deel buiten de burgerbevolking om: het waren instrumentele oorlogen (in tegenstelling tot de eerdere absolute oorlogen). Soldaten waren beroeps, en de werklieden bleven werken en belasting betalen. De geringe betrokkenheid van de bevolking en de hoge belastingen in tijd van oorlog waren reden voor ontevredenheid met het regeringsbeleid. De oorlogvoering was gematigd van karakter. Soldaten vochten om het geld, en dus niet op leven en dood. Generaals waren zuinig op hun legers. De bevoorrading ging moeizaam, dus militaire operaties verliepen langzaam. Men trachtte vaak in het veld een gunstige positie in te nemen, zodat men de vijand onder druk kon zetten. De bondgenoot van vandaag kon de vijand van morgen zijn, en omgekeerd, door het zakelijke, niet-ideologische karakter van de oorlog. Oorlog was de voortzetting van diplomatie.

Dezelfde politiek van balance of power prevaleerde tussen de staten van Europa, net als in de 17e eeuw. Als de vrede wankelde werd deze door bondgenootschappen, oorlog en vredes onderhandelingen hersteld. Vanaf 1740 raakten nagenoeg alle Europese staten in dit spel betrokken. Het machtsevenwicht werd ingewikkelder en radicaler, men werd meer van elkaar afhankelijk. Tussen 1715-1740 was het vrede, mede omdat Engeland en Frankrijk financieel moesten herstellen. Beide landen kenden rond 1720 een economische crisis, en beiden hadden een zwakke koning. Beide machten waren bezig met een grootscheepse handels- en koloniale expansie. Rond 1740 kwamen zij in hun expansiedrift ver van huis met elkaar in botsing. Beiden raakten om een andere reden in het conflict betrokken: Engeland om een koloniaal geschil met Frankrijks bondgenoot Spanje (War of Jenkins ear) en Frankrijk als bondgenoot van Pruisen in 1740. De oorlog had een wereldwijd karakter gekregen. Pruisen verstoorde als eerste het machtsevenwicht door Silezië te bezetten. De Oostenrijkse keizerin reageerde, en de oorlog was een feit.

De geschiedschrijvers hebben veel aandacht aan deze oorlogen geschonken, met name aan de bondgenootschappen, vredes en wijzigingen in het internationale krachtenveld. Toch bestudeerden de meesten nationale bronnen, en plaatste men de uitkomsten in nationaal perspectief. Nationale sentimenten zorgden niet alleen voor kritiek op het buitenland, maar ook op binnenlandse politiek. In Frankrijk stelde men de beredderaars van het Ancien Regime verantwoordelijk voor het staatsbankroet en de neergang van het Franse imperium. In Engeland waren de band met Hannover en de binnenlandse tegenstellingen punten van kritiek. Engeland was de belangrijkste overwinnaar van de 7-jarige oorlog, ook buitenlandse historici konden niet om hen heen. Zij werden bewonderd of verguisd. De historische discussie over het doen en laten van deze adel heeft zich geconcentreerd rond de troonbestijging van koning George III (en de vrede 3 jaar later).

Vooral de politieke erfgenamen van de Whig-staatsman Walople hebben hieraan uitgebreid aandacht besteed. Zij hadden oog voor de baantjesjagerij en corruptie van hun eerdere geestverwanten, maar meenden toch dat George III zich aan de constitutie had vergrepen. George steunde aan het begin van zijn bewind op wat king's friends en een Schotse gunsteling, the Earl of Bute (een Stuart!!). De koning en Bute wilden vrede. Lord Chatham, de ziel van het oorlogsbeleid, mopperde in de oppositiebanken omdat de vrede voor Frankrijk de mogelijkheid open liet om Engelands grootste concurrent te blijven. George's eigenzinnige beleid inzake keuze van gunstelingen, de binnen- en buitenparlementaire oppositie, het verlies van de Amerikaanse kolonieën en de zuivering en vernieuwing van de Whig-idealen waren ook punten van kritiek voor de Whig-geschiedschrijvers.

Deze interpretatie heeft nogal wat kritiek veroorzaakt. Namier schreef 'The structure of politics at the acession of George III'. Hij paste de prosopografische methode toe, en zette zich af tegen de Whig-historiografie. Hij meende dat de 'politieke partijen' met 19e eeuwse ideologische tegenstellingen in het 18e eeuwse Britse parlement, de Whigs en de Tories, (erfgenamen van de om godsdienst strijdende partijen uit de middeleeuwen) in werkelijkheid facties waren. De Whig-historici maakten zich schuldig aan anachronisme. Dit zijn belangengroepen rond één of meerdere personen die eigen lokale of regionale belangen behartigden. Ze werden bijeengehouden door banden van patronage, niet door ideologie. Rond George III vormde zich de grootste factie. Namier deelt de parlementsleden in in drie groepen:

De facties wisselden in kracht en omvang. Men was dus niet echt trouw aan ideologische beginselen, er bestonden dus geen echte Whigs en Tories. Op den duur bestonden de Tories uit de onafhankelijke landedellieden. De oude partijnamen werden nog wel gebruikt.

De prosopografische methode houdt in dat men gegevens verzamelt van een groep personen: geboorte, huwelijk, opleiding, relaties, en aan de hand hiervan correlaties op het spoor komt, zodat conclusies kunnen worden getrokken over het functioneren van die groep in de samenleving. Roorda heeft de volgende kritiek op deze methode:

Roorda acht de aanvulling met andere, meer traditionele onderzoeksmethoden onmisbaar. In Engeland was er vanaf 1740 wel degelijk een publieke opninie. De provincie had belang bij de beslissingen die in Westminstwer werden genomen. Belangengroepen hadden invloed op het lagerhuis.

2. De Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748)

De Oostenrijkse successieoorlog ging om twee zaken: de hegemonie van Engeland of Frankrijk in de wereldeconomie, en de strijd tussen Pruissen en Oostenrijk om de macht in Midden-Europa (Silezië). Deze conflicten mondden uit in één oorlog omdat elk van het paar strijdenden zich verbond met een partij van een ander paar: Engeland met Oostenrijk en Frankrijk met Pruisen. Engeland wilde Hannover veilig stellen, Frankrijk wilde geen sterk Habsburgs rijk naast zich. Ook hoopten de koning van Frankrijk en hun bondgenoot Spanje te kunnen profiteren van de zwakte van Oostenrijk door delen van Italië te kunnen annexeren. Engeland was al sinds 1739 in oorlog met Spanje. Ook hadden zij met de Franse Bourbons nog een appeltje te schillen, in beide gevallen ging het om conflicten overzee. Vandaar dat zij tegenstander waren van Maria Theresia's vijanden. In de Britse geschiedschrijving wordt deze oorlog de French and Indian wars, of de war of Jenkins' ear genoemd, en niet de Oosternrijkse successieoorlog. Hier blijkt al wel uit waar in Engelands ogen de belangrijkste oorlogsgebieden lagen. .

Silezië was dichtbevolkt en economisch sterk. Door deze verovering verdubbelde Pruisen zijn inwonertal en inkomsten, en werd het een grootmacht. Er waren in Duitsland nu twee grootmachten (Duits dualisme). Het Oostenrijks-Habsburgs rijk werd economisch armer. Maria Theresia was vastbesloten het rijk te herwinnen. Ze had steun van Engeland en de (arme) Republiek. Zij had de Pragmatieke Sanctie aan haar zijde: in 1713 waren alle grote Europese staten overeen gekomen dat zij o.a. Silezië zou erven. Maria kreeg het al snel moeilijk, en moest er voorlopig in berusten dat Frederik de Grote Silezië behield. De Franse deelname aan de kant van de Pruisen was doorslaggevend voor hun succes. Frankrijk had ambities op Europees vasteland en overzee. De Franse adel was echter minder dan de Engelsen geïnteresseerd in handelsbelangen. De traditionele Franse vijand waren de Habsburgers, en het traditionele Franse doel waren de Zuidelijke Nederlanden. Omdat de Fransen zich concentreerden op het land, wonnen de Engelsen op zee. Uiteindelijk konden de Fransen de gebiedswinst (de zuidelijke Nederlanden) niet vasthouden door hun zwakke positie op zee. In 1748 bleef de situatie in de kolonieën nog onbeslist.

In Noord-Amerika lagen 13 Engelse kolonieën. De kolonisten waren landbouwers en hadden plantages. Het gebied dreigde door de Fransen omsloten te worden. De Franse kolonisten waren pelsjagers en vissers, de gebieden waren dunbevolkt. Zij stonden, in tegenstelling tot de gebiedsverslindenden Engelsen, op redelijk goede voet met de Indianen. De Engelse kolonisten gingen op zoek naar nieuwe landbouwgrond, en bezetten Cap Breton. Engeland wilde dit behouden, en ging niet in op Franse vredesvoorstellen. Engelse staatslieden meenden dat de Republiek onder stadhouderlijk toezicht een positieve bijdrage aan de oorlog zou leveren, dus werd Prins Willem IV algemeen erfstadhouder. De ommekeer in de oorlog bleef uit, na de val van Bergen op Zoom werd de vrede van Aken al snel getekend (1748). Frankrijk kreeg cap Breton terug. Maria Theresia moest Parma en Piacenza afstaan. Dat ze de zuidelijke Nederlanden terugkreeg woog niet op tegen deze teleurstelling. Ondanks dat haar land niet werd verdeeld was ze niet tevreden.

3. Het intermezzo, 1748-1756

Maria Theresia voelde zich door haar bondgenoten in de steek gelaten. Zij had Silezië verloren. De Pruisische agressie had niet in zijn recht gestaan, maar de legers, toegewijde vorst en geoliede staatsmachine hadden voor de overwinning gezorgd. Maria Theresia trok twee conclusies:

De Keizerlijk kanselier Graaf Kaunitz bereidde voorzichtig het Frans-Oostenrijks bondgenootschap voor. Engeland en Pruisen hadden al afspraken gemaakt (Engeland wilde Hannover veilig stellen tegen een Pruisische aanval). Er voltrok zich een reversement des alliances. Het bondgenootschap Habsburg-Bourbon werd bezegeld door het huwelijk van de dochter van Maria Theresia met de Dauphin. Het lokaas van Kaunitz waren de zuidelijke Nederlanden geweest, Frankrijk zou dit krijgen als Oostenrijk Silezië heroverde. Zouden de Fransen de Oostenrijkers veel hulp kunnen bieden? Frankrijk wilde de handen vrij hebben voor de strijd in de kolonieën. De vorige oorlog op het continent had hen weinig opgeleverd. Engeland hoefde Pruisen niet zo erg te steunen, zij zouden genoeg energie hebben voor de strijd overzee. Hadden de Fransen weer een te zware last op de schouders genomen?

4. De Zevenjarige Oorlog (1756-1763)

Eigenlijk waren dit twee oorlogen, een in Europa en een erbuiten. De traditionele oorlogsvorm van strijd op een open slagveld functioneerde in Europa, maar in Noord-Amerika, waar guerillastrijd en schermutselingen in bosrijke gebieden plaatsvonden, was andere training en organisatie nodig. Frederik de Grote moest al zijn talenten als veldheer en organisator ontplooien. Hij was in een hachelijke positie gekomen. Hij had Oostenrijk en Frankrijk tegen zich, en de legers van Tsarina Elisabeth. Verder waren de Zweden zijn vijanden, en wat Duitse staten die Habsburgse zijde hadden gekozen. Hij wist zich toch staande te houden, en toen de tsarina oveleed, en haar pro-pruisische opvolger zich uit de anti-Pruisische coalitie terugtrok, was voor Pruisen het ergste voorbij.

Engeland had middelen waar de vijand niet tegenop kon. William Pitt, minister, was een man met kennis van zaken en visie: die van de consequente empire-builder. De Fransen, met hun financieringsproblemen (problemen met overheidsfinanciering) raakten in moeilijkheden. Ze verloren in India, de westkust van Afrika, en in de Caraïbische zee. De belangrijkste nederlaag was de val van Quebec. In 1760 besteeg George III de troon. Er verscheen een pamflet, waarin werd betoogd dat, nu de overwinning was behaald, het overbodig was om voor bondgenoten de kastanjes uit het vuur te halen. In 1763 kwamen de vredes tot stand.

5. De vredesregelingen van 1763

Bij de vrede van Hubertsburg behield Pruisen Silezië. Frankrijk verloor bij de vrede van Parijs zijn positie op het vasteland van Noord-Amerika, Canada werd Brits, en het Franse bezit in het zuiden ging naar Spanje. Voor de Britse kolonisten lag de weg naar het Westen open. Frankrijk zag zichzelf toch als overwinnaar van de vrede, want gebied waar men exotische producten kon betrekken was belangrijker dan landbouwgrond. Frankrijk behield de eilanden in de Caraïbische zee, handelsstations in Afrika, en een deel van de rechten in India. De vrede was hersteld, en de hoofdsteden van Europa konden zich weer om de financiën gaan bekommeren. De krachtsverhoudingen zijn verschoven: door de toegenomen macht van Pruisen, en de veranderde situatie in de kolonieën. Op de lange duur was de Engelse hegemonie over de wereldzeeën misschien wel het belangrijkste resultaat. Volgens Ogg had Engeland na de oorlog geen enkele bondgenoot meer in Europa: Oostenrijk voelde zich 2 maal in de steek gelaten, Pruisen was verontwaadigd over het stopzetten van de financiële steun, en Frankrijk was Engelands grootste vijand. De slechte organisatie van de Fransen, de incompetentie van de generaals, de verradellijke diplomatie van Lodewijk XV en zijn onverschilligheid ten opzichte van de nederlagen zorgde ervoor dat de Fransen erg teleurgesteld waren in de monarchie.