Leereenheid 13 – Het karakter van het tijdvak 1740-1815
1. Historiografische inleiding
Het genoemde tijdvak zou men als twee perioden kunnen zien: de jaren van de twee grote oorlogen, en the age of the democratic revolution. Dit komt neer op een indeling met oorlog als belangrijkste karaktertrek. Dit is niet juist, daarom zien wij het tijdvak 1740-1815 als één periode. De periode zit tussen twee cesuren in: midden 18e eeuw vond een omslag plaats van sociaal-economische stagnatie naar groei en vooruitgang, eind van de eeuw vond een nieuwe omslag plaats, de Amerikaanse en Franse revolutie en hun nasleep.
De vrede van Utrecht betekende het herstel van het politieke machtsevenwicht in West-Europa. Na de dood van Lodewijk XIV nam de hoop op internationale stabiliteit verder toe. Hetzelfde gold voor Oost-Europa, zij het dat Rusland en Pruisen het machtsevenwicht bedreigden door zich ten koste van zwakke buurlanden uit te breiden. Eind 18e eeuw leidde dit tot de tijdelijke verdwijning van Polen. Centraal-Europa, de Habsburgse gebieden, bestond uit zo'n 300 soevereine staten die op basis van de Westfaalse vrede van 1648 de keizer van het Heilige Roomse rijk erkenden als feitelijk soeverein. De Pragmatische sanctie van 1713, een grondwettelijke overeenkomst, werd beschouwd als onderbouwing van het consolidatiestreven van Karel VI. Tegen deze stabiele achtergrond tekenden zich de demografische, agrarische en industriële revolutie af.
Tussen 1740-1815 vond een moderniseringsproces plaats dat het karakter van de West-Europese samenleving ingrijpend veranderde. Er waren veranderingen op economisch, sociaal, politiek, cultureel en religieus gebied. De veranderingen vonden niet gelijktijdig, en ook niet overal even snel plaats. Kenmerken van het oude bestel, zoals heerlijkheidsrechten of landbouwmethoden gingen hand in hand met nieuwe regels en methoden. Demografische en agrarische revolutie waren de belangrijkste krachten achter het veranderingsproces:
Demografische revolutie: De bevolking van Europa steeg van 140 mln in 1740 tot 187 mln in 1800. De groei verliep niet overal even snel. Na 1800 versnelde de groei, en werd niet meer geremd door epidemieën of mislukte oogsten. Door de toenemende mobiliteit is het moeilijk een juist beeld te schetsen.
Agrarische revolutie: Dit is de na 1740 voortdurende stijgende agrarische productie. De voortdurende stijging van productie had tot gevolg dat meer mensen konden worden gevoed. Agrarische en demografische revolutie stonden met elkaar in verband. Het warme klimaat van de 18e eeuw, en efficiëntere productiewijzen waren oorzaak van de stijgende productie (in de Republiek en Frankrijk veranderden de methoden niet). Elders bestonden de veranderingen uit:
Gevolgen voor sociale groeperingen:
Boeren: Door toenemende vraag naar producten stegen de prijzen. Kleine boeren, wier land door vererving te klein was om zelfvoorzienend te zijn, werden afhankelijk van de markt, terwijl zij zelf geen surplus hadden om af te zetten. Voor boeren met surplus, marktgerichte boeren en eigenaren van grote landerijen waren de prijsstijgingen gunstig. Kleine, zelfvoorzienende boeren verdwenen. Het traditionele dorpssysteem met gemeenschappelijk verbouwde gronden veranderde in een systeem van landeigenaren die de grond door landarbeiders lieten bewerken. In Engeland werd dit ondersteund door de staat. Er ontstond een scheiding tussen bezitters en bezitslozen. De laatsten vormden arbeidspotentieel als dagloner of thuiswerker in het putting-out systeem. Een deel trok naar de steden.
Handwerkslieden: Er ontstond grotere vraag, dus de prijzen stegen. Sommigen investeerden kapitaal om productiemethoden te verbeteren. Zij trachtten te breken met het gildesysteem. Anderen bleven op de traditionele wijze produceren. Buiten het oude Engeland was er sprake van expansie van de textielnijverheid, o.a. linnennijverheid in Ulster en de Schotse laaglanden.
Adel: De bevolkingsgroei zette de adel aan tot de aristocratische of feodale reactie. Dit betekent dat de adel streeft naar hernieuwde monopolisering van functies in kerken en staat. In de 16e en 17e eeuw waren zij deze posities door 'new monarchs' en absolute vorsten verloren, als onderdeel van het centraliserende beleid. Toen de adel groeide, doordat meer edelen in leven bleven, had men deze posities hard nodig. Hierom voerden zij ook de druk op boeren, door hernieuwd gebruik te maken van heerlijke rechten, op. Sommige edelen vonden nieuwe methoden om aan geld te komen: deelname aan handelscompagnieën of introductie van nieuwe methoden op hun landerijen. De adel in Engeland deed mee aan de enclosure-beweging.
Burgerij: De ambtelijke burgerij raakte in de knel door de bevolkingsgroei. Het aantal ambten steeg niet zo snel als het aantal gegadigden. Ook werden de ambten opgeëist door de adel. Deze groep stond dus open voor de ideeën van de Verlichting: vrijheid, gelijkheid en opheffing van privileges. Een deel van de handeldrijvende burgerij profiteerde van de nieuwe mogelijkheden. Het handelskapitalisme ontstond, dit was de basis van het industriële kapitalisme van de 19e eeuw. Een groot deel van de koopmansstand bleef echter in de oude patronen leven.
Binnen elke stand werden de gevolgen van het moderniseringsproces gevoeld. Economie werd opener en commerciëler, minder huishoudens bleven zelfvoorzienend. Zowel producent als consument werden marktgericht. Stedelijke invloed werd op het platteland merkbaar. Er ontstond een scheiding tussen bezitters en bezitslozen, die daar heen gingen waar werk was. Mobiliteit en emigratie overzee kwamen meer voor. Ook de sociale mobiliteit nam toe. Bij sommigen ontstond een nieuw individualisme: zij lieten traditionele banden los en grepen nieuwe kansen. De sociale spanningen en onzekerheden namen door het wegvallen van vertrouwde patronen toe.
De staat speelde een rol in het moderniseringsproces: de centralistische 18e eeuwse vorsten streefden naar uitbreiding van militaire en economische macht. Zij stimuleerden nieuwe takken van nijverheid, en nieuwe technieken in de landbouw. Soms lieten zij de infrastructuur verbeteren, maar al met al veranderde de structuur van de samenleving niet spectaculair, geprivilegieerde groepen behielden hun rechten. Eind van de eeuw zouden de Amerikaanse en industriële revolutie de aanzet vormen tot een politiek-sociale omwenteling in heel West-Europa. De maatschappij veranderde in een samenleving waarin rationeel bestuur en gelijkheid van alle burgers voorop stond.
Slichter van Bath signaleerde twee historiografische opvattingen over de sociale gevolgen van de enclosures:
Palmer zag beide revoluties, de Amerikaanse van 1776 en de Franse van 1789, als één grote 'Atlantische' revolutie. Aanvankelijk protesteerden de Fransen, maar toen Palmer aangaf dat hij de Franse revolutie als hoogtepunt van de Atlantische revolutie zag, veranderde dit. Men was het op hoofdlijnen eens: een aristocratische of feodale reactie had op verschillende plaatsen in de wereld democratische, burgerlijke revolutionaire bewegingen geprovoceerd. In Frankrijk was de tegenstelling aristoctatie-burgerij het scherpst, daarom was de revolutie daar het hevigst. Dit standpunt levert echter een probleem op. Was er wel zo'n aristocratische reactie? Waren die revoluties wel zo burgerlijk? Waren de sociale tegenstellingen in Frankrijk wel zo scherp? Dit maakt dat de schets van Palmer niet zo bruikbaar is voor het schetsen van de karaktertrekken van dit tijdvak. Argumentaties gebaseerd op de economisch-demografische achtergrond zijn wellicht beter bruikbaar.
2. Het omstreden karakter van een tijdvak
Het ancien regime wordt soms beschreven als een tijd van hooghartige standsvooroordelen, corruptie en onderdrukking. Anderen zien het als tijd van de zwierige rococo, gekenmerkt door een tolerante geest en zorg om de humaniteit. Wij zien het als periode van diverse vormen, met mogelijkheden tot verdere ontwikkeling. Tijdens het ancien regime was de staat een staat met geprivilegieerde groepen en instellingen die vaak rechtsmacht hadden over onderdanen. Er was dus geen sprake van absolute macht in de huidige zin van het woord. De Adel was de belangrijkste geprivilegieerde groep. Zij bezaten grond, of hadden er landsheerlijke rechten, ze waren (deels) vrijgesteld van belasting, en werden door standgenoten berecht (en niet door de centrale rechtbank). Tijdens het ancien regime veranderde hun positie. Traditioneel was de rechtvaardiging voor deze privileges het feit dat de adel zorgde voor militaire hulp aan de vorst. Met de nieuwe, staande legers was dit niet meer het geval. Ook de groei van de bureaucratie, die rechtstreeks aan het centrale gezag rapporteerden, en niet meer aan de lokale adel, ondermijnde hun positie. Verder begon de boerenstand te protesteren tegen de heerlijke rechten. Een derde bedreiging vormde de intellectuele aanval van Verlichtingsdenkers op het privilegesysteem.
Ook de kerk had grote en veelomvattende privileges: landerijen, heerlijke rechten, tienden, (deels) belastingvrijstelling. Provincies en steden en hun bestuursorganen hadden vrijheden, die in de praktijk neerkwamen op verregaande mate van autonomie. De privileges bleven lang staan omdat de vorst er inkomsten uit had. Ook om principiële redenen kon hij aantasting van de privileges niet aanvaarden: hij was zelf de grootste geprivilegieerde. De adelsprivileges rustten op een stilzwijgende overeenkomst tussen vorst en adel: in ruil voor privileges stond de adel de vorst toe over de bevolking te heersen. Ook minder vooraanstaande personen profiteerden van het systeem via het patronagesysteem.
De groei van een professioneler bestuursapparaat van de centrale macht was een belangrijke verandering. De staat werd een zich gestadig uitbreidende onpersoonlijke, ver van de bevolking staande machinerie. Uitgaven werden groter, er was meer geld (belasting) nodig. De geprivilegieerden wilden dit niet, dus boeren en burgers betaalden, wat resulteerde in groeiende ontevredenheid. In Frankrijk en Zweden dweepten velen met de Engelse vrijheden en politieke verhoudingen. Tijdens de Franse revolutie werd een hervormingsprogramma doorgevoerd, er zou een einde komen aan de privileges, aanvankelijk alleen in Frankrijk, en later in heel West-Europa.
De ambtenarenapparaten waren er niet alleen voor het bijeen brengen van geld, ook Civil Service werd belangrijk, en soms zelfs geëist door het publiek. Boeren en burgers werden mondiger. Verder emancipeerden verschillende groepen zich. Zij beseften dat ook de overheid zich aan de wet moest houden (Rule of Law), hiervan was de consequentie dat de burger tegen de overheid moest kunnen procederen. Hierin komt al verlichtingsdenken om de hoek kijken. De vorst had zijn ambtenarenapparaat niet altijd even goed in de hand, de arbeidsomstandigheden voor ambtenaren waren niet zo goed, dit werkte corruptie in de hand. Liet het sociale verkeer niet te veel mensen buitenspel staan, bijvoorbeeld de emanciperende groepen (dissenters, specialisten)?
Zowel in de provincie als in de stad was er behoefte aan leesvoer en serieuze conversatie. Hoofdsteden waren al in de 17e eeuw zetel van geleerdengenootschappen geworden, nu doken deze ook op in de provinciesteden. Ook ontstond er lokale pers (Engeland). Op regionaal en lokaal niveau ontstond een infrastructuur op verschillende terreinen. De provincie nam aan levenskracht toe door toename van de bevolking, herstel van het agrarische en hier en daar opbloei van een industriële economie. Men kon centraliseren, maar moest rekening houden met de wensen van de provincie. De provincie kreeg haar notabelen. Op zowel het oude als het nieuwe continent waren tijdens de revolutiejaren conflicten tussen unitarissen en federalisten een bekend verschijnsel: men was op zoek naar een nieuw bestel.