Leereenheid 12 – Noord- en Oost-Europa, 1650-1740
1. Historiografische inleiding
In de traditionele westerse historiografie is de aandacht voor de geschiedenis van Oost-Europa en het nabije oosten pas laat op gang gekomen. Het boek van Palmer en Colton over de algemene wereldgeschiedenis is het enige genoemde werk: A history of the modern world. West Europa had gedurende de 2e helft van de 17e eeuw zoveel invloed op het oosten en noorden van het continent dat er gesproken kan worden van absolutisme. Hier werden langdurige oorlogen uitgevochten, de grote Turkenoorlog (1683-1699) en de grote Noordse oorlog (1700-1721). Regeringen ondernamen ondernemersactiviteiten of stimuleerden deze. Er heerste een ander economisch bestel dan in het westen. Scandinavië (Zweden) leek met zijn zelfstandige boerenstand en mijnbouw het meest op het westen. In Duitsland, Polen en Rusland werd op grote schaal graan en hout voor de export verbouwd. Hier hielden de grootgrondbezitters de boeren slaafs afhankelijk. Bohemen en Hongarije kan als uitloper van dit gebied worden beschouwd. Hoewel de doorvoer van handel in het oostelijk bekken van de Middellandse zee achteruitging, konden Engelse, Franse en Nederlandse kooplieden elkaar hier behoorlijk dwars zitten. Tussen 1650-1740 vinden er belangrijke grensverleggingen en machtsverschuivingen plaats. Palmer heeft deze geïnterpreteerd volgens de gangbare opinie. Zijn interpretatie vormt het uitgangspunt van onze beschouwingen:
Rond de Oostzee streefde Zweden naar de hegemonie, maar het Zweedse imperium ging ten onder. Ook hier was een coalitieoorlog nodig om de hegemonie tegen te gaan. In Oost-Europa werd het machtsevenwicht tussen het Duitse Rijk, Polen en het Turks-Ottomaanse rijk vervangen door dat tussen Rusland (Romanovs), Pruisen (Hohenzollern), en de Oostenrijks-Habsburgse monarchie. Er is sprake van een balance of power die gehandhaafd blijft of hersteld wordt. De eerder genoemde staten gingen ten onder omdat zij aan de moderne ontwikkelingen van centralisatie en bestuurlijke efficiency geen deel hadden. De oorzaken voor dit onvermogen verschillen per staat:
Palmer heeft de neiging om de drie staten die in de 17e en 18e eeuw macht verloren te beschouwen als niet meer levensvatbare politieke eenheden. Hij betrekt echter gebeurtenissen van eind 18e, 19e en 20e eeuw in deze beschouwing. Hij heeft zich aan anachronisme bezondigd. Hierdoor komen de overlevingskansen die de rijken wel degelijk hadden onvoldoende aan bod. Alle drie kenden vormen van maatschappelijke organisatie waarvan de invloed zich uitstrekte tot terreinen die ver van het staatkundige verwijderd waren. Ze overleefden de periode van het 17e eeuwse absolutisme met gemak, maar het is wel zo dat twee van de drie de grote crisis eind 18e eeuw niet hebben doorstaan.
De samenwerking tussen keizer en belangrijke vorsten in het Duitse Rijk was al in 1648 hersteld, en de keizer won, mede door de Turkenoorlogen vanaf 1683 aan prestige. In deze oorlogen stak men veel geld en middelen. Er was geen sprake van dat landen van de Weense Habsburgers in betekenis toenemen ten koste van het Rijk. Het Ottomaanse rijk verloor in 1699 grote delen van Hongarije. Achter de verliezen tot 1740 school een interne structurele crisis, met bestuurlijke en militair-organisatorische aspecten. Schokkende gebeurtenissen, zoals de frequente vervanging van grootviziers en rebelsheid van militairen werden op den duur opgelost. De vredes die de Porte (Turkse regering) sloot, waren nooit puur verlies, hier tegenover stond altijd winst. Ook de hooggeroemde tolerantie wierp zijn vruchten af. De Porte kreeg steun van de Hongaarse adel, die was 'liever turks dan paaps', en van orthodoxe zijde. Deze Griekse onderdanen waren bruikbaar als vazalvorsten in Roemenië. In Polen vormde en droeg de adel (Schlachta) die 8% van de bevolking uitmaakte, de maatschappij. Zij vormden een homogene eenheid in taal en godsdienst, en waren het Poolse karakter. De Poolse adel voerde geen titels vrijheid en gelijkheid stond hoog in het vaandel. Dit had tot gevolg dat er hier een democratie was (waar alleen de adel deel aan had). Beslissen bij meerderheid vond men principieel onjuist. Aan het hoofd stond de koning, maar hij was meer een president dan een ouderwetse monarch: hij regeerde, maar heerste niet. Na 1650 liep de West-Europese vraag naar graan terug. De politieke machine werd stroef en het land weerloos. Het vetorecht, consequentie van de eis van unanimiteit, kon makkelijk worden misbruikt.
2. De Turkenoorlogen
Het geloof in Hongarije was protestants. De Turken vonden dat geen bezwaar, dit had tot gevolg dat de Hongaren aan Turkse zijde bij de strijd tegen de keizer. Er werd een wapenstilstand gesloten voor 20 jaar. In 1683 belegerde de Turken Wenen. Dit was het hoogtepunt van de Turkse expansie in Europa. De Poolse koning kwam de keizer te hulp en verdreef de Turken. De paus kondigde de heilige liga (heilige oorlog) af, het Turkse gevaar bedreigde het christendom. Oostenrijk beschikte over een voortreffelijk generaal: Eugenius van Savoye (1663-1736). Venetië en Rusland traden toe tot de coalitie. De plaatsen waar werd gevochten lagen ver uit elkaar. Transportproblemen, epidemieën en partisanen zorgden voor veel problemen. Hongarije werd veroverd en onderworpen aan de contrareformatorische macht van Habsburg. De Hongaarse adel vocht aan Turkse zijde door. Door toedoen van de generaal sloten de Turken in 1699 de vrede van Karlowitz.
Toen de Spaanse successieoorlog uitbrak, konden de Turken hier niet van profiteren door binnenlandse problemen. In 1710 verklaarden zij Rusland de oorlog, hiertoe aangezet door de Zweedse koning, die na een nederlaag asiel had gevonden in het Ottomaanse rijk. In 1710 werd de vrede getekend: Peter de Grote moest Azov en de Russische vloot afstaan. In 1714 verklaarden de Turken de oorlog aan de republiek Venetië. Zij heroverden de Peloponnesus, die ze bij de vrede van Karlowitz hadden afgestaan. De paus herriep de heilige liga. Oostenrijk was blut, maar de paus betaalde. In de volgende oorlog tegen de Turken boekte de generaal weer klinkende overwinningen. In 1717 kreeg Oostenrijk Belgrado en Noord-Servie bij de vrede van Passarowitz.
Later verloor men dit gebied weer. In 1736 heroverden de Russen Azov, en vroegen zij hulp aan Oostenrijk. De generaal was echter overleden, en Oostenrijk kon niet veel doen, mede door de lange afstanden en slechte verbindingen. Het Turkse leger was gereorganiseerd, en in 1739 moest Oostenrijk vrijwel al het door de generaal veroverde gebied weer afstaan bij de vrede van Belgrado. Ook Rusland sloot vrede, ontmantelde Azov en de vloot in de Zwarte zee. De macht van Rusland nam toe: hierdoor werd het Oostenrijks-Russisch bondgenootschap afgeblazen. De Turken voerden aan de andere kant een felle strijd tegen de Perzen: wie was de enige ware moslim?
3. Zwedens positie
In de Zweedse binnenlandse politiek is, tijdens de 17e eeuw, de afwisseling tussen regeringen van koningen en van adelsfacties tijdens regentschappen bevorderlijk geweest voor een evenwicht tussen een naar absolutisme strevende vorst en naar medezeggenschap strevende adellijke families. Tijdens de dertigjarige oorlog had koning Gustaaf Adolf de situatie benut om Zweden vaste voet te geven in Noord-Duitsland. De Oostzee werd gedomineerd door een ring van Zweedse bezittingen, Zweden had controle over de Sont-handel. Deze werd bedreigd door twee nieuwe tegenstanders: Rusland en Brandenburg-Pruisen. In het binnenland was het sociaal-politieke evenwicht tussen de verschillende standen voorwaarde voor de expansiemogelijkheden van de Zweedse koningen, de adel had altijd met de koning samengewerkt. De koning verdeelde veroverde gebieden dan ook eerlijk.
Het Zweedse leger werd het centrum van allerlei bedrijvigheid. Adel, geestelijkheid, burgers en boeren, alle vier met een stem in de rijksdag, erkenden het belang van een krachtig koningschap. Vanwege de geringe bevolking vormde veldtochten een zware belasting, er waren niet voldoende manschappen. Ook de financiering werd moeilijk. Tijdens deze periode werden aan de adel uitgegeven gronden teruggevorderd, en verpacht aan legerkapiteins. Hier was de adel niet blij mee, maar alles was beter dan belasting betalen. Toch namen de spanningen toe, vooral toen koningin Christina in 1654 afstand deed van de troon vanwege haar overstap naar het katholicisme. De koningen uit het nieuwe huis Palts-Tweebruggen zetten de koers van de Wasa's voort, maar met behulp van absolutistische methoden. Van Rijksdagraadpleging was al snel geen sprake meer. .
4. Zwedens oorlogen: de grote Noordse Oorlog (1700-1721)
Tijdens de guerre de hollande was al gebleken hoe kwetsbaar het Zweedse imperium was. In 1658 stond Denemarken zijn kustgebieden af aan Zweden. Maar in Noord-Duitsland leed Zweden grote verliezen tegen de Brandenburgers. Koning Karel XII stortte zich in een reeks conflicten die bekend is geworden onder de naam de Noordse oorlog. Hij viel Rusland aan zonder de rijksdag te raadplegen. Hierdoor kreeg hij controle over de grootste houtvoorraad en graanvoorraad van Europa, hiermee zou het overzeese Zweedse imperium een afronding vinden. Karel versloeg eerst de Denen en daarna Peter de Grote. Traditioneel was Saksen de kampioen van het protestantisme, maar hertog Frederik Augustus van Saksen liet zich bekeren tot het katholicisme om koning van Polen te kunnen worden. Frederik belegerde het Zweedse Riga. Hierop trok Karel het stamland van de Saksen binnen. Dit conflict werd opgelost met de vrede van Altranstädt. Karel viel opnieuw Rusland aan, maar werd overvallen door de winter. En de tsaar had inmiddels het leger gemoderniseerd. De slag bij Poltawa was een vernietigende nederlaag voor de Zweden. Karel dook onder in Turkije, en dook in 1714 in Pommeren weer op. Maar de machtsmiddelen van Zweden waren uitgeput, en Zwedens bondgenoten vielen af. Peter de Grote viel Zweden in het oosten aan en Denemarken viel Zweden in het westen aan. Na de dood van Karel in 1718 kwam de vrede van Nystad tot stand. Zweden behield Finland, maar stond aan Rusland Estland, Lijfland, Ingermanland en de langengte van Karelië af. Oostelijk Pommeren kwam aan Pruisen. De droom van het Zweeds imperium was ten einde, en de macht verschoof van koning naar Rijksdag.
Er zijn enkele merkwaardige overeenkomsten tussen de Spaanse successieoorlog en de noordse oorlog:
Het zou voor de hand liggen dat beide vorsten de handen ineen zouden slaan. Karel was echter overtuigd protestant, en Lodewijk katholiek, dus dat gebeurde niet. Beide oorlogen kostten veel geld en levens, en maakten voorgoed een eind aan het absolutische streven naar alleenheerschappij.
5. Peter de Grote en Rusland
In 1703 stichtte tsaar Peter de Grote Petersburg (nu Leningrad). De stad werd naar moderne stedenbouwkundige inzichten gebouwd. De tsaar voerde hervormingen door, deze werden onderbroken en gestimuleerd door zijn reizen naar het Westen, twee oorlogen en binnenlandse onrust. De slechte gang van zaken tijdens de oorlog tegen de Turken leidde tot militaire hervormingen. Er kwamen deskundigen naar Rusland die technologische vernieuwingen doorvoerden. Boeren en oude militaire elite vonden steun bij de orthodoxe clerus in de hofkringen, dit was gevaarlijk voor de tsaar. Al eerder hadden de oudgelovigen, die veel invloed hadden op het platteland, zich afgescheiden van de kerk. De tsaar hervormde de kerk, er kwam geen nieuwe patriarch aan het hoofd maar de Russische kerk werd voortaan bestuurd door een bisschoppensynode, met de tsaar aan het hoofd als procurator. Peters zoon Alexis liet zich door ontevredenheid tegen zijn vader gebruiken. Hierop werd Alexis vermoord, en vaardigde Peter het decreet uit dat de Tsaar zijn eigen opvolger zou aanwijzen. Gedurende de 30 jaar van zijn regering kende Rusland slechts 25 maanden vrede. 80% van het belastinggeld ging naar het leger. Er werd zelfs belasting geheven op het dragen van een baard. Boeren werden gedwongen wegen en bruggen te bouwen, opstanden werden bloedig onderdrukt. Verder werden een aantal staatsbedrijven opgericht
Hoe kunnen de hervormingen geïnterpreteerd worden? Er wordt beweerd dat deze, door de onderbrekingen, niet meer was dan een reeks geïmproviseerde noodmaatregelen. Deze redenering houdt te weinig rekening met de persoonlijkheid van de Tsaar, die alle hervormingen bedacht en uitvoerde in staatsbelang. Zijn beleid wordt wel aangeduid als een vroeg verlicht absolutisme. Hij was echter te pragmatisch om de diepzinnige overwegingen van een moderne filosofie aan alles ten grondslag te leggen. Ook de oude filosofie speelde een rol: er was sprake van een (niet overerfbaar) droit divin. Hij ontleende veel aan het westen. Technologische vernieuwingen stonden voorop, vooral voor het waarmaken van zijn maritieme dromen. Hij wilde, hardhandig, een beschavend stempel drukken op zijn land. Dit kwam tot uiting in de bestuursorganisatie, de relaties tussen seksen, kleding en baarddracht van mannen. Alles moest veranderd worden.
Rusland was nooit geheel geïsoleerd geweest van het westen. Na de kerstening was het land lang onder invloed van de patriarchanen in Constantinopel geweest, en de langdurige mongolendynastie hielp niet mee de banden met het westen te versterken. Wel waren er banden met Polen en Scandinavië. Die contacten waren door de Romanovs vernieuwd. Toch was Peters resolute oriëntatie op het westen een zelfbewuste, persoonlijke beslissing. Hij bracht op een revolutionaire en gewelddadige wijze hervormingen aan. Dit leidde tot een nieuwe elite, die zich later mengde met de oude. Verder hebben zijn hervormingen de onderste lagen van de bevolking nauwelijks bereikt. Er ontstond een sociale scheidslijn, de groepen boven deze lijn leefden in een totaal andere cultuur dan de groepen eronder. Dit is tot 1917 zo gebleven.
6. Brandenburg-Pruisen
De 'grote keurvorst' Frederik Willem (1640-1688), Hohenzoller, markgraaf van Brandenburg en hertog van Pruisen, heeft geprobeerd te profiteren van de problemen van Zweden. Hij bracht enkele jaren in de Republiek door en huwde de dochter van Frederik Hendrik. Het leger van de Republiek was zijn voorbeeld. Na de Westfaalse vrede had hij met zijn bezit, land ten oosten van de Elbe en ten westen hiervan Kleef en Mark, genoeg te stellen. Zijn land had verschillende sociale klimaten. Hij breidde het leger en de bestuursadministratie sterk uit. De bureaucratie moest de middelen regelen om het leger in stand te houden. Het leger, dat goed, compact en snel verplaatsbaar was, en de bureaucratie waren de enige realiteiten die de verspreide en heterogene gebieden (streubesitzrijk) bijeen hielden. Inkomsten haalde hij uit vaste belastingen. Medezeggenschap in het landsbestuur werd niet geduld. Hij nam 20.000 uit Frankrijk verdreven hugenoten op, die zorgden voor bloei van cultuur en economie. Bij zijn dood was Brandenburg-Pruisen de grootste mogendheid van Noord-Duitsland.
Zijn zoon, Frederik (1688-1713) nam als eerste de titel koning in Pruisen aan. Hij nam deel aan de oorlogen om de Spaanse troonopvolging, daarom vond de keizer dit goed. Hij werd geen koning van Pruisen, maar in Pruisen, omdat andere adellijke geslachten ook bezittingen in Pruisen hadden. Men begon met het nummeren van de namen vooraan en haalde Pruisen de winst van de Spaanse successieoorlog en de Noordse oorlog binnen. Hij had geen verdere territoriale ambities, maar hield er wel een groot leger op na. Hij kende zijn plaats tussen de keurvorsten en onder de keizer.
Later, onder zijn zoon koning Frederik Willem I werd dit anders. Onder hem, de soldatenkoning, werd het leger uitgebreid. Bij zijn dood liet hij een leger van 84.000 man en een volle oorlogskas na. De uitbreiding van het leger werd mogelijk door invoering van de dienstplicht en door gebieden aan te wijzen voor levering van manschappen. Hij verklaarde Pruisisch bezit onvervreemdbaar en ondeelbaar. Overheidsinstellingen werden in het leven geroepen om de landen te unificeren en rendabel te maken. De deugden ijver en spaarzaamheid werden door de koning voor het eerst als typisch Pruisisch beschouwd. Hij maakte het voor Frederik II de Grote mogelijk een grote rol te spelen in de internationale politiek.
7. Twee successiekwesties
Na de Spaanse successieoorlog is er nog tweemaal een conflict over opvolging uitgebroken. Het was duidelijk dat als er vragen waren over erfopvolging, en als de balance of power op het spel stond, het onmogelijk was een erfkwestie als binnenlands probleem op te lossen. De Poolse successieoorlog ontstond toen Stanislaw Leszczynski voor de tweede maal met een krappe meerderheid tot koning werd gekozen. Een deel koos, als tegenkoning, de zoon van Frederik Augustus van Saksen. Er volgde een oorlog tussen Frankrijk, Spanje en Savoye (Stanislav) en Oostenrijk en Rusland (Saksen). Er werd kort gevochten, en de Oostenrijkers verloren.
Na dit conflict begreep de Poolse Schlachta dat het tijd werd voor staatkundige hervormingen. Men werd het eens over een ingewikkelde ruil van vorsten en vorstendommen, die vergemakkelijkt werd door het uitsterven van De Medici als groothertogen van Toscane. Stanislav gaf de Poolse troon op, en werd hertog van Lotharingen. De oude hertog hier werd groothertog van Toscane. Oostenrijk kreeg van Spanje Parma en Piacenza, en stond Napels en Sicilië af aan een jonge tak van de Bourbons. De nieuwe groothertog van Toscane (Frans van Lotharingen) was getrouwd met Maria Theresia, dochter van Karel II. Bij de vredesonderhandelingen was met bereid tot een gunst voor dit prille paar. Deze vredesbepaling heeft betrekking op het tweede successievraagstuk: Het was namelijk de vraag of Maria Theresia, als vrouw, in alle erflanden haar vader mocht opvolgen. In het rijk mocht dit niet, maar hoe stond het met Oostenrijk, Bohemen, Hongarije, de Italiaanse bezittingen en de Nederlanden? Haar vader had gelobbyd, en al zijn erflanden hadden de Pragmatieke Sanctie van 1713 erkend. Frankrijk deed dat bij deze vredesonderhandelingen ook. Maria Theresia ging flink in de aanval (Frankrijk, Pruisen) toen ze aan de macht was.