Leereenheid 11 – Oorlog en vrede in West-Europa, 1650-1740
1. Historiografische inleiding
De pamfletten die Lisola en Valkenier schreven, zij riepen Europa op zich te verdedigen tegen Frankrijk, kan men zien als de eerste vormen van historiografie inzake het machtsevenwicht in Europa. De pamfletten waren bedoeld als politieke kritiek, het was propaganda tegen de universele monarchie van Lodewijk. Petrus Valkenier had rechten gestudeerd, en de Republiek meermalen vertegenwoordigd. Hij maakte reizen door Zuid-Duitsland om hulp te bieden aan uitgeweken Fransen. Het pamflet van De Lisola richtte zich tegen de universele monarchie. Sinds de vrede van Westfalen een einde maakte aan de godsdienstoorlogen was er geen allesoverheersende overtuiging meer die het internationale krachtenspel bijeen hield. De 'vrijheid' was niet iets waar de volkeren naar streefden, maar de politiek die kleine staten in hun voortbestaan wilden beschermen. Bij het najagen van hun eigen belangen legden zij Frankrijk soms maar weinig in de weg.
2e helft 17e eeuw verschoof het machtsevenwicht van Spanje naar Frankrijk. Lodewijk streefde naar gebiedsuitbreiding, tot de 'natuurlijke grenzen' bereikt zouden zijn. In het Zuiden en Westen de Pyreneeën en de zee, de expansiedrift zou zich richten op Noorden en Oosten. Hiertegen was coalitievorming noodzakelijk. Na 1688 begon Engeland mee te doen, dit was het doorslaggevende gewicht tegen Frankrijk. De oorlogen die men in de tweede helft van de 17e eeuw voerde, werden ingegeven door het raison d'etat. Met de term raison d'etat wordt aangeduid dat men politieke beslissingen neemt in overeenstemming met het belang van de staat. In Frankrijk onder Lodewijk XIV was er sprake van absolute ondeelbare macht voor de soeverein, gebaseerd op het droit divin. Bousseut heeft deze doctrine uitgewerkt, het lijkt op Leviathan van Hobbes. Er kwamen drie langdurige oorlogen. Toen Lodewijk Utrecht had veroverd, werd de Dom opnieuw ingewijd, ten behoeve van de katholieke eredienst. In 1690 werd Jacobus II in 1690 door Willem III verslagen toen hij een inval in Ierland deed om zijn verloren kroon te heroveren. Hij wilde dit doen met hulp van de katholieken. Het mislukte, dit wordt nog jaarlijks herdacht in de oranjemarsen. De grote oorlogen zijn geen godsdienstoorlogen meer, al spelen godsdienstige motieven wel een rol.
Er moet nog veel onderzoek worden verricht naar oorlogshandelingen en de organisatie van de logistiek, dit was zo omslachtig dat het vaak de oorlogshandeling beperkte. Aanvankelijk waren oorlogsschepen schepen die waren geleend van handelaren en die men had uitgerust met kanonnen, pas door de oorlogen met Engeland ging men over tot het bouwen van echte oorlogsschepen.
De legers waren anders dan in de Middeleeuwen: gedisciplineerd en getraind, waarin vooral de infanterie en gebruik van vuurhandwapens de doorslag gaf. De soldaten waren gerekruteerd uit het uitschot van de samenleving, en niet gedreven door idealen. De veldslagen waren 'zeurderig', er werd weinig terreinwinst geboekt. In dit beeld schuilt een kern van waarheid, maar een factor bleef tot 1970 buiten beschouwing: het snel groeien van leger en vloot. Voor 1650 was 40.000 man veel, nu waren er legers van 100.000. Het is opmerkelijk dat men toen zoveel man bijeen kon brengen en kon voeden. De bevoorrading was vooral in gebieden met slechte wegen een crime, dit verontschuldigd de geringe resultaten. Er werden soms gewaagde plannen gemaakt en uitgevoerd, met strijdkrachten die weinig bezield waren. Door aanwerving in het buitenland werd het soms een allegaartje van nationaliteiten. In de officiersrangen zaten veel adellijken, die gemakkelijk van vaandel wisselden, waardoor naaste verwanten soms tegenover elkaar kwamen te staan.
Historici hebben, door hun focalisatie op het verloop van de strijd en de rol van de officieren, pas laat belangstelling gekregen voor de organisatie van de militaire bedrijvigheid. Warnsinck beschreef de vloot als grote werkverschaffer. De overheid deed niet alles zelf, maar besteedde ook werk uit. Dit was goed voor het bedrijfsleven. Soms raakten regeringen in betalingsmoeilijkheden, en de afbetaling van oorlogsschuld duurde jaren. De Republiek kon door de zware schuldenlast na 1715 niet meer als grote mogendheid meekomen, ook elders was het geld op en West-Europa genoot van een kwart eeuw vrede.
2. De oorlogen van de jaren vijftig en zestig
In 1648 had de Republiek vrede met Spanje gesloten. Stadhouder Willem II was hier tegen. Hij verzette zich tegen troepenvermindering, en omdat Amsterdam het niet met hem eens was kwam het tot een treffen tijdens de aanslag die de prins op de stad ondernam. Dit mislukte, en toen hij stief wilde men geen stadhouder meer. Johan de Witt werd als raadspensionaris de sterke man in de Republiek. Het raison d'etat speelde ook tussen Engeland en de Republiek. Beide landen hadden overeenkomsten: republiek, protestants en zeevarend. In dit laatste lag de bron van de tweedracht. 1e helft 17e eeuw had de Republiek zich een groot deel van de internationale zeevaart toegeëigend. Dit lukte door afwezigheid van concurrenten: Engeland en Frankrijk hadden binnenlandse problemen. Onder Cromwell lukte het Engeland om de strijd weer aan te gaan, ze eisten een groter deel van de internationale zeehandel. Cromwell vaardigde de Akte van Navigatie uit: hierin stond dat de Republiek alleen nog producten van eigen bodem naar Engeland mocht exporteren. Gedurende de eerste Engelse oorlog (1652-1654) zag de Republiek zich geconfronteerd met een overmacht. Sinds Tromp de Spaanse Armada versloeg was er geen slag op zee meer geweest. De nadelige vrede van Westminster werd getekend. De Witt tekende het vredesverdrag met daarin de Akte van Seclutie: hij zou nooit meewerken aan de verheffing van een Oranje tot stadhouder of kapitein generaal. De Witt verdedigde zich voor het tekenen met het argument dat de vrede anders niet tot stand zou zijn gekomen. Hiermee tekende de Witt zijn doodvonnis.
Ook aan de tweede Engelse oorlog (1665-1667) lagen economische redenen ten grondslag (hierom noemt men dit moderne oorlogen). De Republiek had nu een sterke oorlogsvloot onder leiding van Michiel de Ruyter, en men hield de overhand op zee. In 1664 had Engeland Nieuw-Nederland veroverd, en in 1665 had de Republiek Suriname veroverd. In de vrede van Breda bevestigde beide landen hun koloniale veroveringen, het leek een goede ruil. Om haar maritieme belangen te behartigen zag de Republiek zich genoodzaakt tot een maritieme interventie in de Sont. De Zweden hadden de kusten heroverd op Denemarken, dit was een verstoring in het machtsevenwicht. Voor de graanhandel was de Republiek afhankelijk van de Sont, men had liever te maken met zwakke Denen dan met sterke Zweden. Men stuurde een vloot, en de macht van de Deense koning werd hersteld. In 1660 werd in Kopenhagen de vrede tussen Zweden en Denemarken hersteld.
Na de westfaalse vrede ging de strijd tussen Frankrijk en Spanje door. De Franse oorlogsinspanningen gingen haperen door binnenlandse problemen als de Fronde, en het protest tegen Mazarin. Elders in Europa waren er andere conflicten. De vrede van de Pyreneeën was een compromis waar Spanje blij mee was. Het werd bezegeld door het huwelijk van Lodewijk met Maria Theresia. De bruidsschat werd niet betaald, mocht Lodewijk dan toch aanspraak maken op erfenissen? Na Mazarins dood nam hij zelf het heft in handen. Johan de Witt kon de volgende dreigingen met diplomatieke middelen het hoofd bieden. Voor gebiedsuitbreiding wilde Lodewijk gebruik maken van het devolutierecht. Dit hield in dat na een sterfgeval de kinderen uit een eerder huwelijk erven wat tijdens dat huwelijk verkregen is. Lodewijk's vrouw, Maria Theresia, was geboren uit het eerste huwelijk van Filips IV. Op grond hiervan meende Lodewijk aanspraak te kunnen maken op de Zuidelijke Nederlanden. Het recht was echter niet overerfbaar en ook niet toepasbaar op het staatsrecht. Het leidde al snel tot de devolutieoorlog tussen Frankrijk en Spanje, met als inzet de Zuidelijke Nederlanden. Engeland en de Republiek zaten nog in de tweede handelsoorlog. De Witt vormde, om een oorlog te voorkomen, de Triple Alliantie met Zweden en Engeland. Bij de vrede van Aken nam Frankrijk genoegen met flinke terreinwinst.
3. De 'Guerre de Hollande' (1672-1678)
Lodewijk was gepikeerd omdat een koopmansrepubliek hem in de wielen gereden had. Hij begon een groot diplomatiek offensief. Hij kreeg Karel II mee in het verdrag van Dover, liep Lotharingen onder de voet, en zijn diplomaten lobbyden in Scandinavië en Duitsland. Voorjaar 1672 (rampjaar) rukten de troepen van Frankrijk en Duitsland via Maastricht en Rijn op naar de Republiek. Aan zeezijde lag een Engels-Franse vloot klaar, maar Michiel de Ruyter wist te beletten dat deze in aktie kwam toen de opmars stagneerde bij Utrecht. Door de lange aanvoerlinies, en de Waterlinie (inundaties) leidde dit niet tot succes. De Witt trad af en werd samen met zijn broer gelyncht, Willem III werd stadhouder, maar er gebeurde weinig. Engeland en Frankrijk dachten de jonge Willem als marionet te kunnen gebruiken, maar dat viel tegen. Wel besloot men op de veiligheid van de landsgrenzen bedacht te zijn: het leger werd vergroot en men zocht coalitiepartners.
In 1673 kwam een coalitie tegen Frankrijk tot stand. Beide takken van het huis Habsburg traden toe, en later ook Brandenburg en Denemarken. De Fransen trokken zich terug, en vonden een nieuwe (zwakke) bondgenoot in Zweden. De Fransen behaalden in de Zuidelijke Nederlanden de ene na de andere overwinning. De Fransen werden arm en oorlogsmoe. Onderhandelingen leidden tot de vrede van Nijmegen. De Fransen maakten goed gebruik van de onderhandelingen tussen de coalitiepartners. Hun winst was speelruimte, de mogelijkheid om zonder al te veel hinder hun wil aan anderen op te leggen.
4. Vredesjaren, 1678-1688
Frankrijk nam verschillende gebieden in. In Zuid Frankrijk lag het prinsdom Orange, in de praktijk een weinig belangrijk gebied, maar vaak inzet bij vredesonderhandelingen (uit prestige). Na de dood van Willem III (1702) erkende Lodewijk het recht van zijn opvolger niet, en het prinsdom werd Frans bezit. In 1685 werd het edict van Nantes herroepen, een staaltje van absolutisme. De stelregel une foi, une loi, un roi (een geloof, een wet, een koning) lag hieraan ten grondslag. Gevolg was dat 300.000 hugenoten het land ontvluchtten. Edelen, geleerden, ondernemers en handwerklieden ontvluchtten het land. Men kan zich afvragen of het raison d'etat hier goed is toegepast.
Toen Frankrijk Luxemburg wilde bezetten, kwam Spanje in verweer, maar zij beschikten niet over voldoende middelen. De Turkse aanval op Wenen maakte het de keizer onmogelijk zijn Spaanse neef bij te staan. Ook Willem legde zich neer bij het feit dat er tegen Frankrijk niets was te beginnen.
5. De Negenjarige oorlog (1688-1697)
Deze strijd beperkte zich tot de zuidelijke Nederlanden. Bij de vrede van Rijswijk in 1697 was bedongen dat de Nederlanden aan de Franse grens enkele garnizoensteden mocht stichten. Deze barrièresteden waren in de praktijk van weinig betekenis. De oorlog was een uitputtingsslag. Engeland en de Republiek, verenigd onder Willem III, streden nu aan dezelfde kant. Er vonden geen belangrijke politieke wijzigingen plaats, alleen de Franse expansiedrift werd weer door een coalitie in toom gehouden.
De Turken hadden Wenen verlaten, en delen van Hongarije prijs gegeven. De keizer was voor voorzetting van de turkenoorlog aangewezen op krachten en middelen uit het rijk. Hij kon zich niet doof houden voor klachten van rijksinstanties en vorsten over de agressieve en nonchalante Franse politiek. De keizer en enkele andere vorsten schaarden zich, mede door directe dreiging van Fankrijk op hun grondgebied, achter Willem III. Hij maakte geheime afspraken met de keizer voor het geval er een oorlog zou uitbreken. De Zonnekoning had door wat Willem III met Engeland van plan was. Hij vond dit prima, dan kon hij in Duitsland zijn gang gaan. September 1688 viel hij de Palts binnen. Twee maanden later waagde hij de overtocht naar Engeland. Maart 1689 verleende hij steun aan de Ierse aanhangers van Jacobus. De Engelsen kregen in de gaten dat ze niet buiten een coalitie konden. Engeland en de Republiek maakten harde afspraken over de samenwerking op zee. De kusten van Frankrijk werden geblokkeerd. In het hongerjaar 1694, toen de oogst mislukte, verslechterde de toestand van Frankrijk.
Een gevolg van de afspraken die Engeland en de Republiek maakten, was dat men zich in Scandinavië afzijdig hield, en niet met de Grote Alliantie wilde samenwerken. De Fransen moedigden het ontstaan van deze derde macht aan. De strijd te land bracht geen spectaculaire veranderingen. De regeringen raakten weer financieel uitgeput. Niemand wist hoe ernstig de situatie in het andere kamp was. De Fransen erkenden het koningschap van Willem, en de onderhandelingen konden worden doorgezet. De belangrijkst afspraken waren al eerder en elders gemaakt, maar deze werden officieel bezegeld met de vrede van Rijswijk in 1697. In 1699 kwam er een einde aan de Turkenoorlogen.
6. De Spaanse successieoorlog (1701-1714)
Men had nu de handen vrij voor de kwestie van de Spaanse troonopvolging. Om hegemonie van de Habsburgers of Bourbons te voorkomen was het zaak dat niet één familie alles erfde. Willem III streefde, samen met Frankrijk, naar een andere oplossing: de zaak verdelen. Het kind Maximiliaan II Emanuel was geschikt, zijn vader was landvoogd in de Zuidelijke Nederlanden geweest. Het kind overleed in 1699 en de onderhandelingen begonnen opnieuw. Spanje wilde niet dat het rijk verdeeld zou worden, en zeker niet door buitenlanders. Na de dood van de kinderloze Karel II in Spanje erfde Filips van Anjou, kleinzoon van Lodewijk, alles. Hierop raakten Lodewijk, die weer streefde naar Franse hegemonie, en Leopold I weer in oorlog. Lodewijk provoceerde door de bepalingen van de vrede van Rijswijk te negeren. De oorlog was weer lang en een uitputtingsslag.
Willem III was opgevolgd door de raadspensionaris Heinsius, die de politiek van Willem voorzichtig voortzette. De goede verstandhouding met Engeland bleef. De Spaanse successieoorlog verliep dramatisch. Marlborough, Engels opperbevelhebber, veroverde de Zuidelijke Nederlanden, waar Maximilliaan II Emanuel nu onderkoning was voor Filips V. Marlborough trok door naar Duitsland, waar hij het Frans-Beierse bondgenootschap een zware slag toebracht. De Fransen werden bijna overal verslagen, terwijl Spanje zich handhaafde tegen keizer Karel III. In 1709, weer een hongerjaar in Frankrijk, was de vijand Lille binnengetrokken. De Franse koning was bereid tot concessies, maar uiteindelijk ketsten de onderhandelingen af op een enkel punt. In 1713 werd de vrede van Utrecht gesloten. In 1714 sloten de keizerlijken zich hierbij aan. De Spaanse erfenis werd verdeeld. De keizer kreeg de Spaanse Nederlanden en het Italiaanse bezit van Spanje. Spanje bleef, met de koloniën, aan Filips V. Engeland behield Gibraltar en Minorca, en verkreeg Newfoundland en Nova Scotia, en voorrechten in de slavenhandel op Zuid-Amerika. Deze buiteneuropese bezittingen bleken uiteindelijk erg belangrijk. Bij de vrede van Utrecht kreeg de Republiek een nieuwe buur: de zuidelijke Nederlanden werden de Oostenrijkse Nederlanden. De rol van de Republiek als grote mogendheid was uitgespeeld.
7. Vredesjaren, 1715-1740
In 1715 stierf de Zonnekoning. Philippe d'Orleans werd regent. Er veranderde veel: de adel maakte zich breed en de parlementen hernamen hun oude rechten. In 1714 was queen Anne gestorven, en de aanhang van de Stuarts roerde zich de eerste jaren. Hierop zocht de nieuwe Engelse dynastie steun bij de Whigs, die zich weldra in alle belangrijke machtsposities nestelden. In Frankrijk en Engeland brak door de oorlogsschuld een financiële crisis uit. De South Sea Company, geldschieter in Engeland, had de regering in ruil voor een octrooi grote sommen geld geleend. In Frankrijk gold hetzelfde voor de Compagnie d'Occident. Het ging mis met beide maatschappijen, en in beide landen brak een schandaal uit.
In Engeland vaardigde men de Bubble-act uit. Dit hield in dat de stichting van een compagnie op aandelen door de overheid werd gecontroleerd. Het bezittende deel van de natie bleef zich voor de schuld verantwoordelijk voelen, en de overheid bleef gebruik maken van moderne financieringsmethoden. In Frankrijk werden de welgestelden terughoudend. Overheidsschulden waren een zaak van de koning, en deze moest gebruik blijven maken van particuliere geldschieters. Rond 1720 kwam in beide landen een nieuwe eerste minister naar voren, de Whig Walpole en Kardinaal Fleury. Beiden waren lang aan de macht en beducht voor kostbare avonturen. De vrede bleef lange tijd bewaard in West-Europa.