Leereenheid 6 – De godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw

1. Historiografische inleiding

In de geschiedschrijving is aan de godsdienstoorlogen veel aandacht geschonken. Wij denken nu dat men indertijd aan het vechten sloeg om de vraag of de openbare eredienst van mensgemeenschappen in grote gebieden al dan niet in overeenstemming met de leer van de oude kerk ingericht mochten blijven. De nieuwe leer bood een alternatief, maar bond de leden van de gemeenschap aan een andere leer en een andere vorm. Als men de zaken zo bekijkt, is het niet zo dat in de Calvinistische beweging een vrijheidsstrijd begint die zich op den duur ook buiten de kerk zal manifesteren, zoals de Franse historicus Michelet (1798-1874) betoogde. Was het Edict van Nantes een vroeg tolerantiebeginsel of een ouderwetse oplossing omdat de toepassing van de godsdienstvrede van Augsburg in Frankrijk onmogelijk was?

In geschiedschrijving komen nationalistische visies naar voren. In Nederland lijkt het erop dat men soms wil betogen dat de krachtmeting in de 16e eeuw onvermijdelijk moest uitlopen op de staat die grenzen bood aan de Noord-Nederlandse natie. Grootnederlandse nationalisten, zoals Geyl, betogen echter dat de scheuring van de Nederlanden betreurenswaardig is, en dat de Noord-Nederlandse staat met zijn grenzen een product van toevalsfactoren is. Langzamerhand kreeg de historicus meer aandacht voor het feit dat veel 16e eeuwers loyaal waren naar hun directe omgeving, maar zichzelf niet zagen als lid van een groter geheel.

De Nederlanden veranderden in een republiek, en het monarchaal-centraliserende katholieke bewind maakte plaats voor een gedecentraliseerde republiek van min of meer calvinistische signatuur. In Frankrijk was dit niet zo: daar raakte de monarchie in verval, waarna deze weer opkwam. Enno van Gelder zag toch veel overeenkomsten tussen beide landen, bij allebei heeft een groep 'politieken' tussen de calvinisten en katholieken een grote rol gespeeld. Pas laat kregen de historici de communicatieproblemen van de Spaanse kroon met de Nederlanden in de gaten. Dit verliep zo slecht en traag dat het Spaanse beleid nooit slagvaardig kon zijn. Op militair vlak was het moeilijk mankracht, soldij en benodigdheden in Nederland te krijgen. Hierin is inzicht gekomen door het werk van Geoffrey Parker, Spanish Road.

Verder ligt de vraag hoe zwaar men dient te tillen aan de religieuze factoren naast de sociale en de politieke nog open. Het onderscheid tussen hugenots d'etat en hugenots de religion wordt gemaakt, maar dergelijke groepen blijven vaag omschreven. (volgens het werkboek maakt Thompson wel degelijk onderscheid. Hij wil duidelijk maken dat de motieven van de hugenoten niet zuiver godsdienstig waren.) 16e-eeuwers waren niet of nauwelijks in staat onderscheid te maken tussen godsdienstige en staatkundige opvattingen.

Ook kiezen historici nooit volledig voor de strijd voor godsdienst of de strijd voor vrijheid. Het terrein van de strijd bleef altijd beperkt. Men kreeg zelden steun uit het buitenland. Vorsten bemoeiden zich meestal nergens mee, de breuklijnen in het godsdienstige vlak en de internationale politiek vielen niet samen. Oude politieke tegenstellingen en vriendschappen lieten zich niet zo maar opzij schuiven. Vorsten gaven wel steun aan geloofsgenoten, maar nooit snel en nooit veel. De Fransen en Nederlanders zagen de strijd beperkt tot eigen land. Deze werd wel door binnenlandse politieke factoren verhevigd.

2. De godsdienstoorlog in Duitsland vóór 1555

Het duurde nog lang voor Karel V militair ingreep in de reformatie. Hij begon met ballingschap en gesprekken. Sociale woelingen en regionale gevechten waren het gevolg. De keizer was druk bezig met de oorlog tegen de Turken en de Fransen. Hij hield wel in de gaten wat er in Duitsland speelde. Vooral de secularisering van grondgebied in protestantse delen baarde hem zorgen, evenals de protestantse neigingen van een bisschoppelijke keurvorst. Hij voerde de fiscale druk op en maakte zich klaar voor de strijd. Zijn tegenstanders waren zwak. Verdeel en heers werkte goed. Maar Eén militaire overwinning was niet voldoende. De keizer had weer financiële en politieke problemen en kreeg ook nog de franse koning tegen, die enkele steden veroverde. Hij kon dit niet oplossen, en uiteindelijk trad de keizer af

In 1547 had keizer Karel V het Schmalkaldisch Verbond, in 1531 gesloten door protestantse vorsten omdat zij de keizer niet langer vertrouwden, verslagen. Hij probeerde een eind te maken aan de religieuze verdeeldheid in het rijk. Op 30 juni 1548 kondigde hij het Augsburger interim af. Dit was een op zijn initiatief ontworpen compromis, waaraan iedereen zich moest onderwerpen totdat het concilie van Trente met de oplossing kwam. Protestanten moesten terugkeren naar het katholicisme, als tegemoetkoming bood de keizer hervormingen: leken mochten tijdens de viering drinken uit de wijnkelk, en priesters mochten trouwen. De 7 sacramenten en de transsubstantiatieleer, waar de protestanten fel tegen waren, bleven echter gehandhaafd. De protestanten vonden het te weinig, de katholieken te veel. Er kwam geen eind aan de religieuze onmin. Karel was financieel te zwak om groepen te dwingen, en trad uiteindelijk af.

Met de godsdienstvrede van Augsburg, gesticht door zijn opvolger Ferdinand in 1555, werd de godsdienstige verdeeldheid opgelost door invoering van cuius regio, eius religio. Dat men zou kunnen kiezen voor het calvinisme kwam niet in hem op. Ook werd bepaald dat men secularisatie van gebieden na 1552 niet zou accepteren, het was alleen niet duidelijk hoe dit nageleefd moest worden. Filips II sloot vrede met de Franse koning. Beiden verklaarden in het verdrag van Câteau-Chambrésis ketterij in hun landen te bestrijden. Het lot van de Calvinisten leek bezegeld.

3. De godsdienstoorlogen in Frankrijk tot 1572

Dit verdrag werd bezegeld door het huwelijk van Filips II en een Valois-dochter. Bij het toernooi, georganiseerd voor het huwelijk, werd de Franse koning gedood. Deze gebeurtenis, en nog wat andere, zorgden ervoor dat de verhoudingen in Europa in 1558-1559 grondig werden gewijzigd:

Zijn weduwe, Catharina de Medici, werd regentes tot haar zoon de troon zou bestijgen. De franse kroon was 1e helft 16e eeuw sterker geworden. Het hof, het land, het recht en de kerk was in haar macht. Toch was het kerkelijk beleid zwak. Koningen Frans I en Hendrik II hadden zich niet hard gemaakt voor kettervervolgingen. Het opkomend Calvinisme had ook invloed aan het hof, en in het land wendden velen zich tot het nieuwe geloof, vooral in streken die pas laat bij Parijs waren aangesloten. Veel edelen werden Hugenoot, en met hen de boeren of stedelingen in het gebied waar zij invloed hadden. Andere edelen schaarden zich resoluut aan katholieke kant.

Catharina kreeg meteen te maken met spanningen aan het hof. Ze verzette zich eerst tegen het katholicisme, omdat ze een hekel had aan de katholieke familie De Guise, verwanten van Maria Stuart die was getrouwd met haar zoon. Toen deze zoon in 1560 stierf, liet ze zich wel omturnen naar het katholicisme door de vermaningen uit de kringen van haar Spaanse schoonzoon. Ze was wel intelligent en had een goede kijk op de belangen van de kroon. De hoffacties werden echter onverzoenlijk. Iedereen probeerde de nog minderjarige troonopvolgers te beïnvloeden. De strijd vond voornamelijk plaats tussen drie families die grote delen van het land beheersten:

De Bourbons en de familie Montmorency-Châtillon werden protestants, De Guise wierpen zich op als vertegenwoordigers van het katholicisme.

Vanaf 1560 braken steeds gewelddadigheden uit. Een belangrijk keerpunt ligt in 1572. De franse godsdienstoorlogen hadden, evenals in andere landen, zowel een religieuze als politieke achtergrond. De crisis in de monarchie bracht aan het licht hoe betrekkelijk de macht van de vorst nog was. Frankrijk bleef door zijn omvang moeilijk bestuurbaar, en lokale machtscentra bleven sterk. De hugenoten hadden de illusie dat ze hun sobere eredienst overal zouden kunnen vestigen, waarna hun gedachten en normen heersend zouden worden in het Franse openbare leven. De katholieken waren wel talrijker, maar sterk verdeeld. Veel 'politieken' waren overtuigd dat geweld geen oplossing was. Zij betreurden het dat het koninklijk gezag verminderde. Grote gebieden waren lang verstoken van bestuur. Steden van hugenootse en katholieke overtuiging gedroegen zich als zelfstandig. Bijeenkomsten van de Staten-Generaal hadden een averechts effect. Het aanzien van de monarchie was diep gezonken.

In 1572 leek Catharina buitenspel te raken. Karel IX, haar tweede zoon, onttrok zich aan haar gezag en trok naar de hugenoten. Hij wilde de oude anti-Spaanse politiek weer oppakken. De zuster van de koning stond op het punt Hendrik van Bourbon, overtuigd hugenoot, te huwen. Catharine greep wreed in. Het huwelijksfeest kennen wij nu als de Bartholomeusnacht, de nacht waarin honderden hugenoten werden omgebracht. Na veertig jaar strijd kwam het koningshuis sterker uit de strijd dan ooit tevoren.

5. De Franse godsdienstoorlogen, 1572-1589

De hugenoten hadden na de bloedbruiloft een probleem. Er was nauwelijks leiderschap meer, terwijl feller verweer noodzakelijk leek. Er kwam strakkere leiding, met tijdelijke successen. Hierop gingen de tegenstanders zich onder Hendrik de Guise in de katholieke Ligue beter organiseren. Deze werd gesponsord door Spanje, en overschaduwde koning Hendrik III (1574-1589). Hendrik liet De Guise vermoorden, maar werd hierdoor zo impopulair dat hij bescherming zocht bij de hugenoten. Hij werd vermoord. Hendrik De Navarre van Bourbon had de beste papieren, maar was een hugenoot, en werd vooralsnog geen koning.

Ondanks de radicalisering klonken aan beide zijden stemmen van gematigden, de politiques. Zij zagen mensen in eerste plaats als burgers en onderdanen, en pas daarna als leden van een kerk. Staatkundige eenheid was belangrijker dan religieuze. Francois de la Noue, hugenoots legerkapitein pleitte in zijn werk Discours politiques et militaires voor verzoening tussen katholiek en hugenoot. De bevolking was de oorlogen zat.

7 en 8. Het einde van de strijd in Frankrijk, 1589-1598

Het edict van Nantes, 1598

De katholieke Lique weigerde de nieuwe koning te erkennen. Frankrijk was de oorlog, buitenlandse inmenging en huurlegers beu. Hendrik speelde handig in op de anti-Spaanse gevoelens en de groeiende angst voor de gewelddadige Ligue. In 1593 werd hij katholiek. In 1594 werd hij als katholiek koning, Hendrik IV, gezalfd en gekroond, dit gaf hem moreel overwicht op de Ligue. Hij werkte hard aan economisch en koninklijk herstel en de Ligue brokkelde af. Filips II, oud, ziek en arm, gaf de strijd op. In 1598 tekende Hendrik de vrede met Spanje en het Edict van Nantes.

Het kostte veel moeite en concessies de hugenoten de oplossing te laten aanvaarden. Hierop bestond het gevaar dat de katholieken zouden weigeren. Steden kregen het recht zich protestants te organiseren, men mocht eigen scholen en universiteiten oprichten en legers hebben om het geloof te verdedigen. Het was wel een probleem dat de adellijke heren die deze monopolie mochten gaan verlenen hadden niet de status die de vorsten in Duitsland hadden. Voor de katholieken werd de bepaling opgenomen dat in Parijs tot 5 mijl daarbuiten geen hugenootse godsdienstoefening gehouden mocht worden. Het edict schiep een staat in een staat. Het parlement veroordeelde het omdat het het land zou verdelen, en de hugenoten bereikten er weinig mee. Het katholieke karakter van de monarchie bleef intact. Hugenoten zouden benoembaar zijn voor alle functies, maar hoe kon de koning hen benoemen als hij gebonden bleef aan de gelofte het ware geloof te zullen bevorderen en verdedigen? Het bleef de vraag wat er in de praktijk van het edict overeind zou blijven. In de loop der jaren werd het Edict door de koningen steeds verder uitgehold, tot het door Lodewijk IX geheel werd uitgehold.

4. De Britse eilanden en de Nederlanden tot 1572

Filips II wilde in de Nederlanden de centralisatie van bestuur voortzetten. Hij begreep dat het onmogelijk was alle gewestelijke rechtsregels en functionarissen te vervangen, daarom liet hij deze zitten. Over de oude bestuursstructuur legde hij een net van centrale regels en ambten, en zette hij een nieuw bestuursapparaat op, bestaande uit deskundigen uit de burgerij. Deze politiek riep, zeker na de verhuizing van Filips naar Spanje, grote spanningen op. Hij had Margareta van Parma tot landvoogdes benoemd, maar in de praktijk had de heer van Granvelle, zijn persoonlijk adviseur, de touwtjes in handen. Hij zette de Raad van State, waar voorheen het beleid werd gemaakt, buitenspel. De leden voelden zich achtergesteld, en verzamelden zich in 1562 op initiatief van Willem van Oranje in de Liga. Deze nam het tegen Granvelle op. Ze wilden een landsbestuur waarin zij de dienst uitmaakten, en eisten meer bevoegdheden voor de Raad van State. De Liga was door verwantschapsbanden en het uitgebreide patronagesysteem erg machtig.

Filips liet Granvelle terugkeren naar Spanje. De groten eisten meer bevoegdheden en matiging van de ketterplakkaten, maar Filips gaf niet toe. De liga raakte verdeeld, maar het verzet werd overgenomen door een groep lagere edelen, die zich verenigden in het Compromis der edelen. Op 5 april 1566 overhandigden zij Margareta het Smeekschrift, waarin werd aangedrongen op afschaffing van de ketterplakkaten en samenroeping van de Staten Generaal om de problemen te bespreken. Margareta gaf een vaag antwoord. Hierop vonden in 1566 eerst de hagepreken en later de beeldenstorm plaats. In april stuurde Filips Alva met een leger om orde op zaken te stellen. Velen, waaronder Willem van Oranje, vluchtten naar het buitenland. Het bewind van de IJzeren hertog riep verontwaardiging op. Pas toen de watergeuzen in 1572 bij verrassing Den Briel innamen en vele steden voor Oranje kozen, kregen de opstandelingen weer vaste grond onder de voeten. De opstandelingen trokken zich terug in delen van Holland en Zeeland. Onder leiding van Willem van Oranje richten ze daar eigen bestuur in. In de statenvergaderingen kregen de steden meer recht op vertegenwoordiging. Het calvinisme kreeg een bevoorrechte positie, waardoor het later heel moeilijk werd samen te werken met de overige gewesten, waar dit niet zo was.

In Engeland stelde Elisabeth zich behoedzaam op, zowel naar de katholieken, die zij niet dwong tot het betuigen van trouw (dit zou neerkomen op erkenning van het onroomse kerkelijke bestel) als naar Spanje.

6. De Nederlanden en de Britse eilanden, 1572-1589

Filips II zag na 1572 in dat het bewind van Alva mislukt was. Zijn gematigde koers werd wantrouwend bejegend. In 1576 kregen de rebellen de kans om, na de pacificatie van Gent (Verdrag tussen rebellen en gehoorzame gewesten, hierin stond dat ze trouw zouden blijven aan de landsheer, maar wel herstel van oude privileges en rechten zouden opeisen, en ze zouden de Spaanse troepen verdrijven. De godsdienstkwestie bleef even staan, tot de problemen waren opgelost) een eigen uitweg uit de moeilijkheden te vinden. Maar de leiders waren niet eensgezind, en hadden radicale rebellen niet in de hand. Compromisvoorstellen op het gebied van godsdienst bleken onbruikbaar.

Het koninklijk gezag kwam door de achterdeur weer binnen, met de hertog van Parma. In 1585 sloeg hij beleg voor Antwerpen. De Engelse koningin was bereid de opstandelingen wat steun te geven. Maar na twee jaar was ze alweer bereid met Spanje tot een akkoord te komen. Dit lukte niet, en de standpunten verhardden zich. In 1588 stuurde Filips de Spaanse Armada Invencible, nadat de Engelsen de katholieke Maria Stuart ter dood hadden gebracht. Dit werd een fiasco, de psychologische overwinning was groot.

9. De situatie in West-Europa omstreeks 1600

Frankrijk herstelde zich in economisch opzicht en moderniseerde onder het bewind van Hendrik IV. Frankrijk bleef een agrarisch land, maar door de afmetingen en de talrijke bevolking bleef het belangrijk binnen Europa. Het kon echter nog niet op tegen Spanje. De Spaanse machtspositie werd door de vrede van Vervins niet aangetast.

In de Nederlanden probeerde Filips orde op zaken te stellen. Zijn dochter en haar Habsburgse echtgenoot aanvaardden het gezag. Men hoopte dat de opstandige gewesten zich weer onder Brussel zouden voegen. Dit was een illusie. Sinds 1588 was het rebellenleger uitgebreid, en verschillende steden waren heroverd. De welvaart herstelde zich, veel calvinistische ballingen immigreerden. De zeven 'Verenigde Provinciën' begonnen te wennen aan een bestel waarin behalve een handvol edelen een met de handel verbonden patriciaat de dienst uitmaakte. Op godsdienstig gebied was er gewetensvrijheid, maar het duurde nog een tijd voordat andersgelovigen met rust gelaten werden. Met het twaalfjarig bestand kwam de voorlopige erkenning (Brussel kon nog geen definitieve vrede sluiten). Gedurende de 17e eeuw werd de Republiek een mogendheid waar men rekening mee moest houden.

In Engeland droeg men koningin Elisabeth op handen. Achter de façade van eensgezindheid ging een werkelijkheid van nuchtere noodoplossingen schuil. Over het algemeen liet men andersgelovigen met rust, maar aan principiële tolerantie was men nog niet toe. Toen haar opvolger over Engeland, Ierland, en Schotland ging regeren, en dus met Katholieken, anglicanen en presbyterianen moest omgaan, werd het gecompliceerd. Men speelde in Europa geen grote rol, Engeland stond nog aan het begin van haar ontwikkeling.