Leereenheid 2
Het karakter van de periode tot 1650: de economische aspecten

1. Historiografische inleiding

Het jaar 1500 wordt door historici vaak gezien als startpunt van de nieuwe geschiedenis omdat rond dat jaartal een aantal belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden, die van belang waren voor de wereld waarin de historici leven. Is 1500 of 1450 het meest geschikte aanvangsjaartal? Om dit te beantwoorden is het van belang de startsituatie te kennen: hoe zag Europa er tussen 1450 en 1500 uit. Het was een Europa waar men nog niet veel kennis had van de buiten-Europese wereld, bewoond door een nog onverdeelde christenheid. De scheiding tussen de katholieke en orthodoxe christenen was nog geen al te brede kloof geworden, nog in de zeventiende eeuw kon men met de woorden het christendom ook ons werelddeel aanduiden. Alleen de gebieden waar de Turken heersten waren daar niet onder begrepen.

Europa was nog niet onderverdeeld in staten met scherpomlijnde landsgrenzen. Het woord staat begon pas in de zestiende eeuw een voor ons min of meer herkenbare betekenis te krijgen. Het pauselijke én het keizerlijk gezag hadden beide nog een pretentie van universaliteit die ze niet meer goed waar konden maken. De opmars van de Turken (na de verovering van Constantinopel in 1453) ging nog voort in de richting van Wenen. Daarbij gingen de Balkan en grote gedeelten van de Middellandse-Zeekust voor de christenheid verloren. Men zag in de Turkse opmars een gevaarlijke bedreiging, maar tegelijk was men er zich niet van bewust dat het Ottomaanse Rijk er niet op uit was bekeerlingen te maken.

Dat de bekleders van de keizerlijke waardigheid, de Habsburgers, grote macht was toegevallen, dankten zij aan hun erflanden en huwelijkspolitiek. Door de omvang van het keizerrijk (Oostenrijk, de Nederlanden, de Spaanse kronen...) was hun positie echter zeer onduidelijk. Aan de keizerlijke bemoeienis met Italië was eigelijk na 1300 al een einde gekomen en toen Karel V in 1527 Rome bezette, deed hij dat vooral als Spaans koning. Karel omsingelde met zijn bezittingen het koninkrijk van de Franse Valios-dynastie en in de conflicten die daaruit voortvloeiden was Spanje nogal eens verbonden met Engeland en Frankrijk met Schotland. Engeland bemoeide zich onder het bewind van de Tudors (1485-1603) in toenemende mate met de naar taal en organisatie anders georganiseerde Keltische rijken Schotland en Ierland. Bij de christenheid hoorden dan ook nog de Scandinavische landen, Polen en Rusland.

Europa was in die dagen dus een lappendeken met gezagsoverlappingen en vage of omstreden grenzen. Tot voor kort waren veel historici bezig met de wordingsgeschiedenis van de afzonderlijke staten in Europa. Pas sinds de Tweede Wereldoorlog is er een groeiende belangstelling voor sociale en economische geschiedenis, waardoor men wat meer over de nationale grenzen heen is gaan kijken. Deze hernieuwde belangstelling, begonnen in de 18e eeuw met Leopold von Ranke, heeft tot belangrijke inzichten geleid, maar die zijn nog niet algemeen aanvaard. Het is daarbij niet van het allergrootste belang hoe men het begintijdvak van de Nieuwe Geschiedenis precies afgrenst; zoals Braudel (1450-1650) of vasthouden aan het gebruikelijke startpunt 1500 en minder belang hechten aan een eindjaartal. Belangrijk is wél dat wij hier het tijdsbestek van de hele zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw overzien.

Binnen dit tijdsbestek is er één algemeen historisch probleem dat verband houdt met de economische ontwikkeling van die periode; de inflatoire groei van de Europese economie in de zestiende eeuw.

Men ging er wel eens vanuit dat de invoer van Amerikaans zilver de belangrijkste oorzaak was van de stijgende prijzen, maar hiervoor werd eigenlijk geen overtuigend bewijsmateriaal gevonden. Daarnaast werden later nog andere argumentaties naar voren gebracht die dan samen kunnen dienen als een groep factoren waardoor men de prijsrevolutie wat kan verhelderen. Ook de discussie over de afloop van die groeiperiode gaat nog steeds door. Daarbij zijn nog enkele controversen van eerdere datum belangrijk:

Het meningsverschil over de aard van het mercantilisme waarvan de meeste historici thans wel toe geven dat het geen rationeel economisch stelsel is geweest, maar een soort overheidsgedrag dat werd gebaseerd op heel algemenen economische inzichten die weinig samenhang vertoonden en van land tot land verschilden. Een tweede controverse is de stelling van Max Weber dat het protestantisme in de zestiende en zeventiende eeuw zou hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van het kapitalisme in Europa. Deze stelling is op dit moment geheel verworpen.

2. Het nieuwe van de nieuwe geschiedenis

De late middeleeuwen waren in economisch en politiek opzicht niet zo primitief als we veronderstellen. Evenmin was het leven in de zestiende eeuw ontdaan van middeleeuwse karaktertrekken. We kunnen dan ook beweren dat het vroeg-moderne Europa uit de Europese middeleeuwen is voortgekomen, net zoals we kunnen stellen dat het de voorloper van onze hedendaagse wereld is.

Deze idee lag ook aan de oorsprong van de nieuwe cesuur die Braudel in 1450 plaatste (i.p.v. 1500). Hij argumenteerde dat aan de zestiende-eeuwse prijsrevolutie rond 1450 in heel Europa een prerevolutie in de prijzen was voorafgegaan. In 1450 begon immers een nieuwe periode van bloei (na een eeuw van rampspoed: persepidemie, malaise en oorlog) en de symptomen van voortgang van een eerdere periode waren nog intact gebleven: stedelijk leven, geldeconomie (waardoor de heerlijkheidsorganisatie en het leenstelsel werden uitgehold), aanzetten van kapitalistische productie en handelsverkeer tussen de Middellandse Zee en de Noord- en Oostzee.


De voedselproductie en de nijverheid waren echter nog vooral plaatselijk opgezet. Juist in de tijd van verval (1320-1450) waren plaatselijke producenten betrokken geraakt bij het stadsbestuur, waardoor ze monopolies konden bemachtigen voor hun gilden. Toch was er al vraag naar artikelen die men ter plaatse niet produceerde (wijn, specerijen,stoffen enz.). Aan het einde van de middeleeuwen leefde de Europese bevolking binnen politieke, sociale en economische structuren die nog sterk lokaal getint waren. Het begin van de nieuwe tijd werd gekenmerkt door een versneld proces van schaalvergroting.

Politiek, door de versterking van het centrale gezag en de groei van nationale instellingen.

Economisch, door de toename van de bevolking en de landbouwproductie, maar ook door de uitbreiding van binnenlandse en buitenlandse handel.

Cultureel, door de verspreiding van de drukpers en de ontdekking van overzeese gebieden. Men werd opgenomen in grotere politieke en economische verbanden die zich over de oude netwerken heen ontwikkelden.

Vóór de moderne tijd werd de economie op het platteland bepaald door de heerlijkheidsorganisatie. In dit systeem was de boer praktisch onvrij (horig), in ruil voor beschervming verrichten zij onbetaalde diensten en stonden een deel van hun oogst af. Met de groei van de geldeconomie werd het voor de landbezittende adel echter financieel aantrekkelijk hun horigen vrij te maken en grond tegen een geldsom te verpachten of aan vrije boeren te verkopen.

De belangrijke rol die de gilden traditioneel in de stedelijke economie hadden vervuld ging in deze periode verder achteruit. De gilden vormden steeds meer een belemmering voor economische vernieuwing, doordat zij door hun monopolies de introductie van nieuwe technologieën, de vestiging van concurrenten en de doorstroming binnen de eigen beroepsgroep tegenhielden. Door de nieuwe vormen van ondernemerschap, het ontstaan van grotere economishe verbanden en toenemende rol van de overheid verminderde hun invloed.

Waren na 1500 alle factoren van hetzelfde gewicht gebleven, dan zou Europa waarschijnlijk de welvaart herwonnen hebben die het tot omstreeks 1320 bezat, en zou het zich verder ontwikkeld hebben langs de lijnen van een middeleeuws soort ontwikkeling. Het feit dat men omstreeks 1500 een versnelde periode van verandering binnentrad lijkt vooral een gevolg van vijf factoren:

3. Zestiende-eeuwse demografie en economie

De economische groei van de zestiende eeuw vond een fundament in een groeiende bevolking. We kunnen deze stelling innemen wanneer we ervan uitgaan dat een periode met minder ziekte en goede oogsten tot bevolkingsgroei zal leiden en dus tot een toeneming van de consumptie. Hoewel volledige gegevens ontbreken, kunnen we toch vaststellen dat de terugkeer van de welvaart na de rampspoed van de veertiende eeuw berustte op een positieve gang van zaken voor landbouw en bevolking.

De bevolkingsgroei was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de economische expansie van de zestiende eeuw. Tegelijkertijd kwam de samenleving door de bevolkingsexplosie onder spanning te staan: de vraag naar primaire levensbehoeften en land nam sterk toe, er ontstond concurrentie op de arbeidsmarkt, sociale spanningen kwamen aan de oppervlakte en de steden raakten overbevolkt.

De groei van de bevolking was bovendien mede verantwoordelijk voor de prijsrevolutie die verregaande maatschappelijke gevolgen had. De grootste slachtoffers waren de loonarbeiders, de boeren en de landeigenaren. Uiteindelijk bleken alleen de rentmeesters, belastinginners en pachters te profiteren.

In de zestiende eeuw werd de kapitalistische mentaliteit (spaargeld en winst investeren om meer winst te maken) een factor van betekenis onder invloed van de toenemende vraag naar allerlei producten. De textielindustrie was de eerste tak van nijverheid waar sprake was van massaproductie en massaconsumptie. Al voor 1500 distribueerden ondernemers weefgetouwen en wol onder gezinnen op het platteland die ze daarna betaalden naar rato van het aantal afgewerkte weefsels (putting-out-system). Ondanks de tegenwerking van de gilden konden ondernemers hun activiteiten uitbreiden, omdat de gilden niet bij machte waren hun prijzen snel aan te passen en te voldoen aan de vraag van de groeiende bevolking. Belangrijk hierbij op te merken is dat de gilden hun aanzien en invloed hadden verworven in tijden van rampspoed en teruglopend bevolkingsgetal. Daardoor waren ze er op ingesteld hun leden een bescheiden inkomen te garanderen bij een inkrimpende markt. De binnenlandse vraag alleen zal waarschijnlijk onvoldoende zijn geweest om het kapitalisme veilig te stellen. De mogelijkheden die door de Europese expansie overzee ontstonden, hebben daartoe echter evenzeer bijgedragen. Ook hier zien we weer het fenomeen van elkaar versterkende factoren. In deze handel moest meer kapitaal geïnvesteerd worden, en de op aandelen gebaseerde handelscompagnie ontstond. Mede als gevolg van de ontdekkingen versnelde de overgang van de middeleeuws-agrarische naar de kapitalistische economie in West-Europa.

4. Uitbreiding van de overheidsbedrijvigheid

Er zijn duidelijke bezwaren verbonden aan het feit dat we ons in dit hoofdstuk vooral bezighouden met vernieuwingen op het gebied van de economie. Deze bezwaren manifesteren zich ook wanneer we de gevolgen behandelen die de economische veranderingen met zich meebrachten voor vorsten en wereldlijke overheden. Het lijkt dan alsof zij zich zo maar afwendden van de traditionele rol die ze vervulden. We kunnen hier echter reeds stellen dat zij reeds snel betrokken raakten bij de kapitalistische activiteiten, zowel als consumenten alsook als leners van geldbedragen. Zonder de ontwikkeling van technologie en de opkomst van een kleine groep kapitaalkrachtige personen, zouden de vorsten blijven steken zijn in hun rol van primus inter pares. Omdat technologische nieuwigheden (kanonnen) bijzonder kostbaar waren, moest een vorst deze middelen financieren met hulp van leningen. Als hij een tegenstrever uitschakelde, moest het ambtenarenapparaat worden uitgebreid. Daardoor zag hij zich genoodzaakt het administratief apparaat uit te breiden en belastingen te verhogen, om de leningen af te lossen. Er bestond dus ook in de 16e eeuw al verband tussen economie en politiek.

Vorsten zagen zich gedwongen het economisch welzijn van hun land te behartigen als gevolg van een behoefte aan omvangrijke middelen. Zo begonnen ze te letten op de welvaart van hun gebied en richting te geven aan een economisch beleid. Eli Hekscher heeft er op gewezen dat hun plannen nogal wat overeenkomst vertoonden met die van de door gilden beheerste steden. Ook die hadden hun eigen belang behartigd door de bedrijvigheid binnen het eigen areaal onder controle te houden. Dit protectionisme leidde in de zeventiende eeuw tot een aantal handelsoorlogen.

Mercantilisme is de term die in dit verband door negentiende-eeuwse economische historici werd bedacht voor de min of meer doelbewuste economische politiek die werd gevoerd om de groeiende behoefte aan inkomsten te dekken. De nadruk lag daarbij op de stimulering van handel en industrie met als uitgangspunt de staat van meer financiële middelen, en daardoor meer macht te verzekeren.

De voornaamste kenmerken van het mercantilisme waren:


5. en 8. De problemen rond de overheidsfinanciën
De verdere ontwikkeling de overheidsfinanciën

Tot het midden van de zeventiende eeuw was het droevig gesteld met de geldmiddelen van de overheid: De centralisering van het bestuur had niet geleid tot een veilig financieel uitgangspunt voor de overheid en de pogingen om nieuwe belastingen te heffen liepen doorgaans op mislukkingen uit.

In de meeste Europese landen was de adel grotendeels vrijgesteld van financiële lasten en het was voor een vorst riskant om daarin verandering te brengen. Zo kwam keizer Karel V in 1538 in een lastig parket te verkeren, toen hij poogde geld los te krijgen van bevoorrechte groepen in Castilië. In Engeland kwamen de Stuarts een eeuw later in eenzelfde situatie terecht bij pogingen om ook het binnenland te laten bijdragen aan de bouw van een vloot.

De kroon werd geacht zijn bestaan te funderen op traditionele inkomsten: de heffingen geheiligd door enig precedent. Omdat de koninklijke behoeften, zeker in oorlogstijd, met dergelijke inkomsten niet gedekt konden worden, zagen de zestiende- en zeventiende-eeuwse vorsten zich genoodzaakt beroep te doen op geldschieters. Zo hielpen de Augsburgse Fuggers de oorlogen van Karel V te financieren. In ruil kregen ze landerijen in pand en te verwachten inkomsten, onder meer uit de Nieuwe Wereld. Aanvankelijk leken Karel V en zijn zoon Filips II debiteuren waarmee men weinig risico liep. Maar de financiers hadden geen rekening gehouden met de grote sommen die aan de oorlogen werden besteed. Verder weren de gebruikte financieringstechnieken zo warrig en ingewikkeld dat soms dezelfde inkomsten werden toegekend aan meer dan één geldschieter. Toen de Fuggers hier achter kwamen was het te laat: ze moesten blijven lenen, maar gingen uiteindelijk toch ten onder. Filips II stapte over op een andere bank.

De bankiers van de zestiende eeuw waren nog geen zakelijk ingerichte moderne maatschappijen. Ze werden nog in overeenstemming met het familiebelang geleid en vaak waren zakenrelaties onderling door verwantschap met elkaar verbonden. In andere opzichten waren de banken wel reeds geraffineerd georganiseerd: men beschikte over eigen hulpmiddelen om inlichtingen te verkrijgen en zo belangen veilig te stellen. Andere kleinere bedrijven stelden zich veilig door te specialiseren, bijvoorbeeld in zeeverzekering. In Antwerpen kon men in die tijd alles verzekeren waar zakelijk risico aan hing.

Het duurde echter niet lang tot de regeringen verstandig gebruik gingen maken van de beurs en de mogelijkheden die kredietverstrekkers en leners al hadden om met elkaar in contact te komen.

De beurs van Amsterdam (opgericht 1611) werd al snel de plaats waar men kon intekenen op leningen aangegaan door de Staten-Generaal om de strijd tegen Spanje te financieren. Deze werkwijze week af van het oude systeem waarbij vorsten geld leenden op onderpand. In de plaats werden schuldbrieven te koop aangeboden aan ieder die bereid was de staat krediet te verlenen. In de Nederlandse Republiek konden de rentepercentages laag worden gehouden omdat men punctueel was met de rentebetalingen. Ook in Frankrijk begon men in de zeventiende eeuw met de uitgifte van dergelijke staatsschuldbrieven, de rentes. Zo ontwikkelde zich geleidelijk de moderne vorm van publieke schuld. Men kende dus reeds het bankpapier én de overdraagbare staatsschuldbrieven. Een nationale bank is echter pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw ontstaan (Engeland 1694).


6. Mijnbouw en prijsrevolutie

De ontdekking en verscheping van zilver en goud deed de Europese geldvoorraad, vooral voor 1620, toenemen. De gevolgen van deze import voor de prijsstijgingen van de zestiende eeuw werd de inzet van verschillende debatten onder historici. Zo probeerde Earl J. Hamilton aan te tonen dat de ingevoerde edele metalen in Spanje overeenkwamen met het gelijktijdige prijsverloop van producten in dat land. Voorts beweerde hij dat de prijzen in Spanje eerst stegen en in de rest van Europa pas later. Ten slotte dacht hij te kunnen bewijzen dat in die tijdspanne de prijzen sneller stegen dan de lonen. Latere onderzoekingen deden echter twijfels rijzen: Hamilton gebruikte de officiële cijfers, terwijl het helemaal niet bekend is hoeveel smokkelzilver en goud precies binnenkwam (om de koninklijke quinto te ontlopen, betaling van door de kroon aangegane leningen, enz.), en hoeveel meteen naar het buitenland ging om leningen af te lossen of goederen te betalen. Daar komt nog bij dat de prijsstijgingen begonnen zijn voor 1530, dus lang voor de metaalimporten van enige omvang uit Amerika arriveerden. Het lijkt dus waarschijnlijk dat er eigenlijk geen verband bestond tussen mijnbouw en stijgende prijzen.

Men kan thans aannemen dat de prijsstijging niet veroorzaakt werd door één enkele factor. Het is zeker dat de bevolkingstoename en de trek naar de steden een rol heeft gespeeld. Bij een aanzienlijke bevolkingsgroei stijgen de prijzen van landbouwproducten (ontginning moeilijke gronden), de huren en de prijzen voor bouwmaterialen snel. Bovendien hebben de vorsten indertijd een waardevermindering van de munt doorgezet: in Engeland onder de Tudor-koning Hendrik VIII, in Frankrijk tijdens de Valois Frans I en in Spanje onder de Habsburger Karel V. Tenslotte waren er dan nog de oorlogen, slechte oogsten en epidemieën. De relatie invoer edelmetaal – prijsstijging is er geen van oorzaak en gevolg. Het is wel zo dat de ontwikkeling van de handel misschien wel ernstig vertraagd zou zijn als er niet voldoende muntspecie in voorraad was geweest.

7. Kapitalistische vernieuwingen omstreeks 1600

In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden twee handelsorganisaties gesticht. Het ontstaan van de EIC (Engels) en de VOC mag worden gezien als een bijzondere gebeurtenis op weg naar het moderne kapitalisme. Beide compagnies vervulden een functie in het kader van de expansie overzee. Zakendoen over dergelijke afstanden stelde eisen waaraan de organisatorische kaders van familiebedrijven niet langer konden voldoen, ook omdat expansie zorgde voor een schaalvergroting van de handel.

Van de twee had de VOC (1602) de best doordachte opzet: participanten kochten aandelen en streken hun winst op, zonder dat het nodig was deel te nemen aan het bestuur en beheer. Beleggers die hun geld nodig hadden, konden hun aandelen ten alle tijde verkopen tegen de koers van dat moment. Het was intussen de gewoonte dat verbruiksartikelen werden verhandeld op een vaste plaats, de beurs. In de loop van de zeventiende eeuw werd de beurs meer en meer een vast middelpunt waar financiële activiteit zich concentreerde en aandelen werden verhandeld. In dezelfde periode werden ook nog andere nieuwe organisatievormen tot ontwikkeling gebracht die ook van belang waren voor de opbloei van het kapitalisme. Amsterdam was het handelscentrum bij uitstek geworden, nadat de Antwerpse handel door beleg (1585) en blokkade was verlamd.

Hier ontstond nu de behoefte een waarde te becijferen voor een diversiteit aan muntsoorten, afkomstig uit alle delen van Europa. Sommige van die munten waren gedevalueerd door een of andere regering, andere waren besnoeid door particuliere wetsovertreders. De Nederlanders losten het probleem op door in 1609 de Amsterdamse wisselbank op te richten, een instelling die muntsoorten toetste en verklaringen verstrekte over sommen die de bank in bewaring waren gegeven. Na verloop van tijd handelde men met die verklaringen als was het een soort papiergeld (bankpapier).


| Index | Geschiedenis | Ancien Régime 1 | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Ira van Montfoort (2002)