Leereenheid 1
De Renaissance
Historiografische inleiding
Dit boek begint bij de Renaissance, een term die wordt gebruikt voor de belangrijke veranderingen, vooral op het gebied van wetenschap en kunst, in de periode 1450-1550 in Italië, met als middelpunt Florence. De mensen die het begrip renaissance in het leven riepen, waren humanisten: Italianen levend tussen 1300 en 1600. Zij waren zich echter onvoldoende bewust van de historische eigenaardigheden van hun tijd, maar ze wisten wel dat ze een belangrijke culturele herleving meemaakten. Valla, Vasari en Machiavelli beschreven de belangrijke veranderingen. In deze veranderingen zag men een wedergeboorte van de klassieke oudheid. Hoewel de tijdgenoten zelf hebben bijgedragen tot onze huidige interpretatie van het renaissancebegrip, kwam men er lange tijd niet toe de periode te zien als het begin van de Nieuwe Tijd.
Die Kultur der Renaissance in Italien (Jacob Burckhardt, 1860)
Kritiek op Burckhardt
Het 19e eeuwse beeld van de Renaissance is inmiddels gecorrigeerd.
Mediëvisten
Sociaal-economische historici
Johan Huizinga (herfsttij der middeleeuwen)
Peter Burke
De auteurs
Stadsrepubliek
De stadsrepublieken functioneerden als een bestuurssysteem waarmee de Popolo grasso (kooplieden) zich handhaafde tegen de Grandi (de edelen) en de Popolo minuto (de handwerkslieden). Desondanks deze organisatie waren er regelmatig factiestrijden tussen groepen van de popolo grasso. De meeste stadsgemeenten werden bestuurd door raden die uit de leden van de gilden werden gekozen. De podestà, die de uitvoerende macht in handen had, werd aangetrokken van buiten de stad omdat hij geen sociale contacten met de burgers mocht onderhouden. Daarom werd meestal naast hem een capitano del popolo aangesteld; een vertegenwoordiger van de burgers, die kan worden vergeleken met een ombudsman. Tenslotte was er de condottiere die het huurleger, in dienst van de stadsrepubliek, aanvoerde.
Staatkundige indeling van Italië
Zuid-Italië werd een zelfstandig koninkrijk onder Normandische, Duitse, Franse en Spaanse heersers en de feodale verhoudingen bleven intact. Midden-Italië, de gebieden tussen Rome en Ravenna, vormden de kerkelijke staat die onder het wereldlijk bestuur van de paus stonden. Noord-Italië was in naam ondergeschikt aan het gezag van de Duitse koningen.
Investituurstrijd
Herboren wetenschap
In deze periode was al veel werk van Aristoteles, Vergilius en Caesar teruggevonden en voor de geletterde burgers toegankelijk. De middeleeuwers die klassieke auteurs bestudeerden reikten bovendien verder dan het werk van Aristoteles alleen. Dit gegeven bracht de mediëvisten ertoe de term renaissance op te eisen voor een periode ongeveer driehonderd jaar voor de bloeitijd waar Burckhardt over schreef. Andere historici hebben deze aanval op Burckhardt echter afgeslagen door erop te wijzen dat het slechts om een zeer beperkte groep humanisten ging wiens kennis bovendien berustte op vertalingen uit de tweede hand (uit het Arabisch).
Erwin Panofsky
Humanisten
Volgens de humanisten beschikten de auteurs uit de klassieke oudheid over kwaliteiten die de middeleeuwse scholastieke geleerdheid vreemd waren, in het bijzonder een grote weetgierigheid. Bovendien stelden zij vraagstukken aan de orde – ten aanzien van politiek en maatschappij – waarvoor de humanisten veel belangstelling hadden. De middeleeuwse geletterden beperkten zich ertoe de werken van de klassieken in te passen in het christelijk wereldbeeld.
De humanisten gingen op zoek naar nieuwe teksten; hun belangstelling was anders gericht. Zij werden in de klassieke geschriften, die vaak met een praktisch doel waren opgesteld, geconfronteerd met vraagstukken die hen ook bezighielden. Zo kreeg de studie van de klassieke auteurs een dubbele betekenis voor de humanisten: een literaire bewondering voor vorm en stijl, maar ook een inhoudelijke relevantie voor de eigen tijd. De klassieke beschaving diende als voorbeeld van een nieuw schoonheidsideaal, een nieuwe ethiek en als model voor de eigentijdse samenleving.
Dante Alighieri (1265-1321)
In het werk van Dante treffen we een mengeling aan van middeleeuwse scholastieke opvattingen en van antieke trekken. Zo wordt Dante in de Divina Commedia niet begeleid door een engel of een heilige, maar door Vergilius wiens poëzie tot het erfgoed van de oudheid behoorde.
Fransesco Petrarca (1304-1374)
Petrarca wordt nogal eens aangeduid als de eerste moderne mens. Die titel dankt hij aan zijn liefde voor de natuur, en voor een ander deel omdat de manier waarop hij de klassieke auteurs bestudeerde hem in staat stelde de sfeer van hun Latijn mee te geven aan zijn eigen geschriften. Petrarca laat ons ook zien welke veranderingen op politiek gebied de achtergrond vormden van zijn optreden: hij was een fervent patriot en steunde Cola di Rienzi (1313-1354), een Romeins rebel die in Rome een republiek uitriep, en die zich keerde tegen de paus die toen in Avignon verbleef. Waarschijnlijk vond de voorkeur van de Italianen voor de Latijnse klassieken steun in hun patriottische gevoelens.
Giovanni Boccaccio (1313-1375)
In tegenstelling tot Petrarca, was diens vriend en leerling, wellicht zelfs als eerste in het Westen, het Grieks machtig. Aan deze allereerste humanisten kan men dus zien dat de studie van het Grieks op de achtergrond bleef naast die van het Latijn. Boccaccio is een goed voorbeeld van nog een typische activiteit van de vroege humanisten: het verzamelen van antieke manuscripten.
Coluccio Salutati (1331-1406)
Als er een scheidslijn kan getrokken worden tussen de drie bovenstaande auteurs en de echte renaissance van Burckhardt, dan is het meer een symbolische dan een duidelijk aanwijsbare. De loopbaan van deze Florentijnse humanist kan dat nog iets duidelijker maken. Hij stelde dat de antieke schrijvers in alle vrijheid en openheid bestudeerd moesten kunnen worden. Dit was wellicht de eerste openlijke aanval op de kerkelijke opvatting. Later zou hij de klassieke auteurs gebruiken om zijn stadsgenoten in patriottistische geest te beïnvloeden. Toen in 1390 de tiran van Milaan, Giangaleazzo Visconti, Florence de oorlog verklaarde, hield Salutati de wil tot verweer overeind door de burgers te wijzen aan de burgerzin van de oude Romeinen.
In de tijd van Petrarca en Boccaccio zag de kerk nog argwanend toe op de studie van de klassieken, en had een verwrongen beeld van de seculiere, niet-gekerstende wereld van de Oudheid. De klassieke auteurs werden ingedeeld in twee groepen en hun geschriften werden, al naargelang ze de middeleeuwse theologische gedachten ondersteunden, bij de ene of de andere groep ingedeeld. Zo behoorde Aristoteles tot de witte schapen, terwijl Ovidius vanwege zijn minnepoëzie tot de groep van de zwarte schapen werd gerekend. Bij de dood van Boccaccio en Petrarca was de ware geest van de klassieken met hun sfeer van wereldsheid dus nog allerminst ontsloten.
De stadsrepublieken waren nog geen ideale kweekplaats voor een intellectuele en artistieke heropleving: De burgercomités waren geen ideale beschermheren van kunst en wetenschap omdat ze meestal onderling verdeeld waren, zodat de uiteindelijke som die werd besteed nogal schamel was.
De veertiende eeuw was een chaotisch tijdvak. De factiestrijd binnen de stadgemeenten en rivaliteit tussen de steden legden een beslag op de beschikbare geldmiddelen. Tenslotte was er, in 1348 en volgende jaren, de Zwarte Dood, de pestepidemie met een nasleep van economische depressie en sociale onrust. Onder dergelijke omstandigheden opdrachten voor openbare gebouwen en fondsen voor culturele doeleinden tot een minimum beperkt bleven. Petrarca en Salutati moesten dan ook werken voor de kost; Salutati in administratie en Petrarca als politiek adviseur en publicist. Maar Italië veranderde, en dat deden ook de stadsrepublieken; zij vielen de een na de ander in handen van despoten.
Uiteindelijk leidden factietwisten, rivaliteit tussen de steden en interventies van buitenaf tot het einde van de stadsrepublieken. Ferrara viel in handen van een adellijke familie, de d’Estes, en Pisa in die van een condottiere, Castruccio Castracane. Milaan kwam in handen van verwanten van de aartsbisschop (Visconti). Andere steden werden opgeslokt door grotere buren en slechts een paar steden konden vasthouden aan hun republikeinse constitutie: Venetië, Genua en Sienna. Besluitend kan men stellen dat republikeins bestuur reeds verdween voor het einde van de veertiende eeuw, of tot een eind kwam voor het midden van de vijftiende eeuw (Florence).
Wat een ramp was voor de republikeinse instellingen, bleek een zegen voor wetenschap en kunst. Onder het patronaat van de despoten konden de schone letteren en beeldende kunsten zich ontplooien. De beschavingsopbloei werd verder versneld door veertig jaren vrede na het verdrag van Lodi in 1454, toen er nog maar 5 belangrijke staten en enkele bufferstaten over waren. Deze zogenaamde gouden eeuw (quattrocento) was overigens geen periode van grote welvaart, zoals de dertiende eeuw en het begin van de veertiende. Italië was, net als de rest van Europa, een tijdvak ingegaan dat werd gekenmerkt door een langdurige depressie die volgde op de epidemie van 1348. Deze omstandigheden zetten echter geen domper op het cultuurleven. De despoten beschikten immers over voldoende middelen om te investeren. Aangezien het weinig winstgevend was te beleggen in land, leek kunst een alternatief om overschotten weg te werken. Despoten konden met hun patronage tevens de illusie wekken dat ze regeerden bij de gratie van superieure eigenschappen en bekwaamheden.
Ondertussen bleef het artistiek en literair talent in ruime mate beschikbaar omdat het niveau van vakbekwaamheid en geleerdheid hoog was gebleven. Studies (o.a. Peter Burke) hebben uitgewezen dat humanisten afkomstig waren uit families van aanzien en dat hetzelfde het geval was voor de belangrijke vernieuwers uit de beeldende kunsten. Hieruit kan blijken dat veel van het Italiaanse cultuurgoed van de renaissance aan de middeleeuwen ontleend was, want de familietraditie van de grote vernieuwers moet reeds vroeger gevestigd zijn.
Humanisten, kunstenaars en hovelingen
Kunstpatronage
Waar in de middeleeuwen de kunst voornamelijk werd gebruikt ter meerdere eer en glorie van God, diende ze tijdens de renaissance voornamelijk om het prestige van de opdrachtgever te versterken. In de vijftiende eeuw waren er zeven belangrijke centra waar humanisten, architecten en schilders konden hopen op enige vorm van patronage: Milaan, Ferrara, Mantua, Napels, Urbino, Rome en Florence. Van deze zeven was Florence vrijwel steeds de belangrijkste, vooral na 1434, toen Cosimo de Medici er aan de macht kwam. Boccacio had zijn bibliotheek aan de stad vermaakt, en de twee kanseliers, Salutati en Leonardo Bruno (1369-1444) hadden de faam van de stad als centrum van geleerdheid en kunst vergroot. De hele eeuw behield Florence de leiding op dit gebied, doordat het van bij het begin reeds een belangrijk centrum was, maar ook omdat de De Medici (Cosimo, zijn zoon Piero – il Gottoso en zijn kleinzoon Lorenzo – il Magnifico) hun geleerden en kunstenaars met kennis van zaken uitkozen en bereid waren geld te investeren.
Toch waren ook de andere zes centra niet zonder belang:
De boeken, gebouwen en schilderijen van de mannen die in deze centra werkten mogen worden gezien als product van de creativiteit waarop de faam van het Quattrocento berust. Voor de moderne mens hecht de roem zich vooral aan de tastbare kunstwerken, maar voor de tijdgenoten beruste het aanzien bij de herontdekking van de teksten uit de klassieke Oudheid. Daardoor bekleedden de humanisten een hogere sociale positie dan de beeldende kunstenaars.
Contract
Kunstenaars probeerden zich zelf te onderscheiden van anderen, zodat de kunst zich steeds verder ontwikkelde. Anders dan de middeleeuwse kunstenaar probeerde de renaissancekunstenaar de werkelijkheid te imiteren en om dat effect te kunnen bereiken moest hij zijn intellect gebruiken (perspectief). Daardoor werd hij steeds meer beschouwd als een beoefenaar van de wetenschappen. Dit feit en de grote vraag naar kunst had een statusstijging tot gevolg.
Het verzamelen en bestuderen van manuscripten met afschriften van antieke teksten leidde tot de ontdekking van tekstafwijkingen. De problemen die daaruit voortvloeiden konden enkel worden opgelost door vergelijking en onderzoek. De humanisten analyseerden de taal en de historische achtergrond van de auteur om de eigenaardigheden van zijn stijl en zijn milieuachtergrond te ontdekken. De belangstelling van de humanisten ging in de eerste plaats uit naar de literaire, taalkundige en stilistische kwaliteiten van de antieke geschriften. Zo konden zij, met behulp van verschillende handschriften, en hun kennis van de historische situatie, tot de oorspronkelijke tekst komen. Ze beperkten zich niet tot het passief genieten van deze literatuur, maar namen haar ook als model voor hun eigen literaire voortbrengselen.
Lorenzo Valla (1407-1457)
Wist wat men op het gebied van woordkeuze en zincombinatie mocht verwachten van een antiek auteur, en waas daarbij een bekwaam historicus die besefte wat de Oudheid onderscheiden had van de vroege middeleeuwen. In 1440 onthulde hij de Donatio Constantini een vervalsing was. Keizer Constantijn zou in dit document de overdracht van zijn wereldlijk en geestelijk gezag aan de paus hebben bevestigd. Valla bewees echter met behulp van de regels der interne tekstkritiek dat het document niet echt kon zijn.
Erasmus
Marsilio Ficino (1433-1499)
Dat men vandaag de Italiaanse geletterden soms de eer niet geeft die hen toekomt, kan worden geïllustreerd met het werk van Marsilio Ficino en zijn tijdgenoot Giovanni Pico della Mirandola (beschermelingen van de De Medici). Ficino vertaalde teksten van Plato in het Latijn, en probeerde de opvattingen van deze antieke filosoof op één lijn te brengen met de van de christenheid (vgl. Thomas van Aquino met vertalingen van Aristoteles). Pico had niet alleen deel aan deze activiteit, maar was ook een van de eerste christenen die het klassiek Hebreeuws bestudeerden.
Hoewel de Romeinen de theorie van het perspectief kenden, blijkt uit de wandschilderingen in Pompeji dat ze die niet verder ontwikkelden en gebruikten. Gedurende de renaissance werd de kunst ontwikkeld naar een groter realisme. Omdat er geen voorbeelden van de romeinse kunst meer waren, hebben geschriften de Italianen geïnspireerd tot betere schilderijen dan de romeinen naar alle waarschijnlijkheid ooit hebben gemaakt. Naast de studie van de anatomie en proportionering van het menselijk lichaam is de aandacht voor het lineair perspectief het belangrijkste middel tot verhoging van het realisme van de voorstelling in de schilder- en tekenkunst van de renaissance.
Het is waarschijnlijk dat Filippo Brunelleschi het principe verder heeft uitgewerkt. Later kwam Tomasso Guidi – (Masaccio) - (1401-1428) tot een eerste toepassing in de schilderkunst. Vitruvius merkt reeds op in De Architectura (40vc) dat bij een welgekozen standpunt en afstand ten opzichte van een afbeelding de lijnen naar één centraal punt worden geleid (verdwijnpunt). Brunelleschi werkt deze gedachten uit in zijn ontwerp voor de vloer van de kathedraal van Florence. Masaccio brengt deze ideeën verder en introduceert daarmee echte diepte en een nieuwe richting in de westerse kunst.
Leon Battista Alberti (1404-1472) heeft als eerste in zijn De pictura de perspectivische regels voor de schilderkunst op schrift gezet, gebruik makend van de studies van Brunelleschi.
In de bouwkunst hebben de ruïnes gewerkt als inspiratiebron. Men ontwierp zelf, met de verwerking van elementen zoals de romeinen die waarschijnlijk hadden gebruikt (reconstructie).
De renaissancestaat en het individu
Het middeleeuwse wereldbeeld van een gesloten, statische wereldordening, sloot steeds minder aan bij de dynamische werkelijkheid van het veertiende- en vijftiende-eeuwse Italië. Het theocentrisch wereldbeeld maakte plaats voor een antropocentrische wereldbeschouwing. Het middeleeuwse ideaal van ascese en contemplatie maakte plaats voor vita activa en virtù. Virtù houdt in dat men door kracht en moed, en door intelligentie en energie, zichzelf kan ontplooien en zijn leven en omgeving inhoud kan geven. In die zin was ook de politiek maakbaar en kon de staat als een menselijke schepping worden opgevat. Burckhardts titel de staat als kunstwerk zou kunnen leiden tot de gedachte dat heersers een ideale bestuursvorm hadden uitgevonden. Burckhardt bedoelde dit zeker niet. Hij wou enkel aantonen dat in Italië een nieuw mensentype naar voren kwam, zelfbewust en trots op eigen prestaties.
Burckhardt heeft in die richting gedacht onder invloed van het boek De Heerser, van Machiavelli. Op het eerste zicht lijkt het een beschrijving van de geseculariseerde politiek in die dagen, maar men is het zeker nog niet eens over wat nog meer bedoeld werd. Machiavelli ontdeed het politieke denken van theologische en moraalfilosofische uitgangspunten. Niet of gedragingen van heersers goed waren en pasten in de door God bedoelde orde, maar of zij in het praktische leven succesvol waren, was zijn maatstaf. Hij berekende dat heersers een afgewogen mengsel van wreedheid, begoocheling, welwillendheid en onbetrouwbaarheid nodig hadden. Volgens Machiavelli moest de mens zijn lot in eigen hand nemen, onafhankelijk van de door god bedoelde orde. Hij heeft een spoor uitgezet waarlangs Burckhardt kon leren begrijpen hoe de toenmalige Italiaans heersers waren. Op het gebied van vernieuwing van instellingen waren de Italiaanse staten immers niet de ijverigsten.
Daarbij mag uitzondering worden gemaakt voor één verschijnsel dat wel nieuw was: de residerende ambassadeur. In de vijftiende eeuw benoemden de Italiaanse heersers diplomatieke gezanten die permanent resideerden in de belangrijkste hoofdsteden. Deze vernieuwing voltrok zich omdat de despoten wilden kunnen reageren op de ontwikkelingen in het buitenland. Deze noodzaak werd verstrekt in de jaren na het verdrag van Lodi, toen het politieke evenwicht in Italië verstoord dreigde te raken. Deze vernieuwing werd al snel overgenomen door andere Europese heersers. Voor het overige bracht Italië echter meer individuen van formaat voort dan instituties.
Omdat men in het openbaar bestel alles wat aan het leenstelsel herinnerde verwierp lang voordat dat elders in Europa gebeurde, verwierpen de heersende elites de gedachte dat erfelijke adeldom van wezenlijk belang zou zijn. Die bood immers geen garantie voor bestuurlijke bekwaamheden, en voegde ook niets toe aan iemands maatschappelijke waarde. De geringschatting van de adel werd versterkt door de kennis van de antieke auteurs die als ideaal verkondigden dat de mens al zijn mogelijkheden tot ontwikkeling diende te brengen en zo naar erkenning moest streven. Het was zoals Baldassarre Castigliones in zijn Il Cortegiano schreef: het was beter welopgevoed te zijn dan alleen maar van hoge geboorte.
Het is opmerkelijk dat het verdrag van Lodi veertig jaar stand hield. Dat lukte alleen omdat de belangrijkste staatshoofden zich bewust waren van de gevaren die hen bedreigden van landen over de Alpen zich zouden bemoeien met Italiaanse conflicten. Het verdrag eindigde toen Lodovica Sforza de Fransen verzocht om hulp bij zijn conflict met Napels. Vanaf dat moment was Italië het slagveld voor vreemde legers (1494-1559).
Intussen had de landstaal gezegevierd en in Italië speelden de humanisten dan ook niet langer een rol van betekenis. Enkel in Rome en Venetië ging het rijpingsproces wat betreft de artistieke aspecten door. Schilders als Titiaan, Rafaël en Michelangelo kregen veel (pauselijke) opdrachten. De overdracht van het Italiaanse cultuurgoed naar de rest van Europa laat zich het gemakkelijkst omschrijven aan de hand van kunststijl. Via kunstenaars die naar Italië reisden, via Italiaanse kunstenaars die opdrachten uitvoerden voor buitenlandse opdrachtgevers en doordat kunstenaars ten noorden van de Alpen prenten van kunstwerken uit Italië te zien kregen.
In andere opzichten bleef de rest van Europa echter ontoegankelijk voor de Italiaanse beschaving.
De adel had er nog een alleenrecht op overheidsfuncties en op contacten met het hof.
De Italiaanse heersers maakten weinig gebruik van het Romeins recht dat nochtans door hun legisten was herontdekt en ontwikkeld. Overige Europese heersers vonden in het Romeins recht een belangrijk middel om hun gezag te versterken. In Italië was dit niet bruikbaar omdat er meerdere 'vorsten' waren.
De humanisten buiten Italië gingen anders om met teksten uit de klassieke oudheid en pasten de tekstkritiek ook toe op de bijbelstudie. Bovendien bestond de hofkring van de vorsten in het Noorden uit aristocraten en niet uit intellectuelen. De humanisten in het Noorden moesten in hun eigen onderhoud voorzien, en konden in mindere mate beroep doen op een mecenaat. De humanisten buiten Italië maakten op grote schaal gebruik van de drukpers. In dit verband is het belangrijk op te merken dat de renaissance ook de idealen van opvoeding en onderwijs heeft vernieuwd. Door gebruik te maken van drukwerk, konden in het Noorden konden teksten wijder verspreid worden. Het onderwijsdoel richtte zich uiteindelijk niet alleen tot de bovenlaag van de bevolking, maar wou ook volksonderwijs tot stand brengen.
Wat de secularisatie betreft is het onjuist te stellen dat de renaissance een onchristelijke sfeer uitademde. Men handelde zeker niet doelbewust tegen het geloof in. Wat zich voltrok was een secularisering van enkele levensterreinen, zoals politiek, schilderijen en beeldhouwwerk. Al bij al zal de Italiaanse renaissance meer in het artistieke en het intellectuele vlak hebben uitgeblonken dan op maatschappelijk gebied. De revisionisten zijn er zeker niet in geslaagd de historici en ontwikkelde leken ervan te overtuigen dat de hele Renaissance een soort illusie was.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Ira van Montfoort (2002)