|
Abituriënt |
Iemand die eindexamen van een middelbare school gedaan heeft. |
|
Abolitionisme |
Beweging die sinds het einde van de achttiende eeuw om humanitaire redenen ijverde voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij. |
|
Absolutisme |
Een staatsvorm waar het "droit divin"-principe van de monarchie aan ten grondslag ligt. Praktisch gezien komt het erop neer dat de koning de bron is van alle wetten (lex rex); de bron is van alle bestuurlijk gezag en opperbevelhebber van het leger. |
|
Adelsrepubliek |
Nauwelijks afwijkend van de benaming "kiesrijk"; in het bijzonder gezegd van Polen, waar de talrijke edelen hun koning kozen, zodat dit gekozen koningschap evengoed als republiek aangeduid zou kunne worden. |
|
Aetates-leer |
(Latijn: aetas, leeftijd, tijdvak) Christelijke leer over structuur en zin van de wereldgeschiedenis die, in aansluiting op de zes scheppingsdagen en naar analogie met de zes leeftijden van de mens, uit zes tijdvakken bestaat, afgegrensd door grote gebeurtenissen uit de heilsgeschiedenis, en gevolgd door een zevende tijdvak van rust (wereldsabbat) en een eeuwig durende achtste dag. |
|
Aflaat |
In de rooms-katholieke kerk kwijtschelding van kerkelijke boete of van straffen die men na vergeving van de zonden nog in het vagevuur zou moeten ondergaan; aanvankelijk veelal door het verrichten van liefdadigheid of bedevaarten, later meer en meer door het schenken van geldsommen aan de kerk. |
|
Agrarische revolutie |
Ommekeer in de agrarische productie in Europa vanaf circa 1740. Vanaf die periode bleef de agrarische productie, globaal beschouwd, gestadig stijgen zonder terugval van betekenis. |
|
Alltagsgeschichte |
Geschiedenis van het alledaags- of dagelijks leven. |
|
Altertumswissenschaft |
Studie van de antieke, inzonderheid de Grieks-Latijnse beschaving. |
|
Ambtsadel |
Zie noblesse de robe. |
|
Anachronisme |
(Grieks: anachronizein, naa een andere tijd overbrengen, ana: tegenin, en chronos, tijd) Situering van een gebeurtenis of een toestand in een tijd waarin die niet kan voorkomen. |
|
Anachronisme |
Een verkeerde beoordeling van een historische situatie onder invloed van de kennis van latere ontwikkelingen. Ook van toepassing op het gebruik van een begrip in de beschrijving van een tijd waarin dat begrip nog niet bestond. |
|
Anakuklôsis |
[Grieks: kringloop) theorie van de geschiedenis als kringloop, inzonderheid bij Polybius. |
|
Analogie |
(Grieks: analogia) Overeenkomst, gelijkaardigheid, vewantschap. |
|
Ancien régime |
Begrip dat oorspronkelijk gebruikt werd ter aanduiding van het regeringsbestel in het prerevolutionaire Frankrijk. De meeste historici hanteren het begrip nu om het gehele maatschappelijke bestel in Europa in de eeuwen voor 1800 aan te duiden. |
|
Annalen, Annales |
(Latijn: annus, jaar) Een geheel van jaar voor jaar opgetekende gebeurtenissen, jaarboeken. |
|
Annales-school |
Franse historische school rond het tijdschrift Annales; de historici van die school worden soms annalisten genoemd. |
|
Annalist |
Annalen of jaarboekschrijver (niet te verwarren met analist, persoon die analyses verricht). |
|
Annalistiek |
Het historiografisch genre van de annalen. |
|
Anno Domini |
In het jaar des Heeren, d.w.z. vanaf het geboortejaar van Christus, volgens de christelijke jaartelling. |
|
Anthologie |
(Grieks: anthos, bloem) Bloemlezing. |
|
Antichrist |
In het Nieuwe Testament en later, benaming voor de tegen-Christus, d.w.z. de grote misleider en aartsbedrieger, de totaal verdorven mens. |
|
Anti-Federalisten of unitarissen (VS) |
In 1787 (en later) de partij die voorstander was van een zo groot mogelijke zelfstandigheid van de afzonderlijke staten. |
|
Antiquaire |
In de Nieuwe Tijd benaming voor een verzamelaar van geschiedkundige gegevens, onderscheiden van de historiograaf. |
|
Antiquitates |
Oudheden. |
|
Apocalyps |
(Grieks: apokalupsis) Openbaring, onthulling. |
|
Apocalyptiek |
Verzamelnaam voor joodse en christelijke literatuur met onthullingen over de verborgen dingen, d.w.z. over het einde van de wereld en het komende eeuwige rijk Gods. |
|
Apocrief |
(Grieks: apokrufos, geheim gehouden, verborgen) Niet authentiek, twijfelachtig. |
|
Apologetiek |
(Grieks: apologeisthai, zich verdedigen) Tak van de theologie die de waarachtigheid en redelijkheid van het (katholieke) geloof wil verdedigen en bewijzen. |
|
Apologie |
(Grieks: apologia) verdediging, verdedigingsschrift. |
|
Arbitrage |
Zie mediatie. |
|
Archeologie |
(Grieks: archè, begin, oorsprong) 1. Studie van de
vroegste geschiedenis; |
|
Archief |
(Grieks: archeion, bestuursgebouw, in dit gebouw bewaarde
documenten) |
|
Aristocratische of feodale reactie |
Het in de latere achttiende eeuw opnieuw en in versterkte mate claimen van privileges, zoals heerlijke rechten en het monopolie op ambten en functies door de adel, ter verhoging van de maatschappelijk-juridische status en het inkomen. |
|
Armada |
De Onoverwinnelijke vloot (Spaans: Armada invencible) die in 1588 door Spanje werd uitgerust voor een invasie in Engeland, maar die, na tegen te zijn gehouden door een Engels-Hollandse scheepsmacht, uiteindelijk ten onder ging op de Noordzee. |
|
Asiento |
Monopolie op de slavenhandel naar Zuid-Amerika, toegekend door de Spaanse regering. |
|
Atthidografen |
Oudgriekse geschiedschrijvers over Atthis (Athene en omgeveing). |
|
Atthis |
Geschiedenis van Athene en omgeving. |
|
Autobiografie |
(Grieks: autos, zelf, persoonlijk + bios, leven + grafein, schrijven) Beschrijving van het eigen leven. |
|
Autocratie |
Regering gevormd door een allesbepalend heerser. |
|
Autodidact |
(Grieks: autos, zelf, op zichzelf + didaktos, geleerd, onderricht) Persoon die door zelfstudie kennis heeft verworven. |
|
Autopsie |
(Grieks: autos, zelf + opsis, zien) eigen waarneming van de feiten door de geschiedschrijver. |
|
Avondmaal |
Plechtigheid in de protestantse kerk, waarbij de gemeenteleden brood en wijn delen als herinnering aan het laatste avondmaal van Christus met zijn discipelen en als symbool van de eenheid van de gelovigen met Christus. |
|
Balance of power-politiek |
Politiek van machtsevenwicht tussen de Europese staten, die in de zeventiende en het grootste gedeelte van de achttiende eeuw werd gevoerd. Door een zorgvuldig sluiten en ontbinden van bondgenootschappen, via diplomatie en oorlogvoering, trachtte men het machtsevenwicht, wanneer dat werd verbroken, te herstellen. |
|
Barok |
Benaming voor de stijl in de Europese beeldende kunst en bouwkunst tussen de periode van het maniërisme en het rococo, die gekenmerkt wordt door een naturalisme in de weergave van de voorstelling en die ten doel heeft de beschouwer te bewegen en te overtuigen. Ruwweg valt de stijlperiode samen met de zeventiende eeuw, maar in verschillende landen, met name in Midden-Europa en Zuid-Amerika bloeide de barok nog tot ver in de achttiende eeuw. |
|
Barrièresteden |
De steden in de Zuidelijke Nederlanden langs de Franse grens waarin de Republiek na de Vrede van Rijswijk (1697) garnizoenen mocht leggen ter beveiliging van haar zuidgrens. In de praktijk van geen betekenis geweest. |
|
Beeldenstorm (Nederlanden 1566) |
Vernieling van beelden en kostbaarheden in de katholieke kerken, om deze te zuiveren en geschikt te maken voor de protestantse eredienst. |
|
Begriffsgeschichte |
Studie van de geschiedenis van begrippen. |
|
Bibliografie |
(Grieks: biblion, boek + grafein, schrijven) Lijst van boeken of artikels (literatuur) over een bepaald onderwerp. |
|
Bill of Rights (VS) |
Beginselverklaring, voorafgaand aan de Amerikaanse grondwet van 1787, de moeder der constituties, en waarin de natuurlijke rechten van de burgers werden vastgelegd: het recht op eigendom, vrijheid van meningsuiting, van eredienst en van vergadering, garanties voor een eerlijke rechtspraak, vrije verkiezingen, stemrecht voor ieder met een belang in de staat, recht op verzet tegen een ondeugdelijke overheid. |
|
Biobibliografie |
Overzicht van leven en publicaties van een bepaald auteur. |
|
Biografie |
(Grieks: bios, leven) Levensbeschrijving, levensverhaal. |
|
Blokboek |
Boek waarvan een bladzijde wordt bedrukt door letters en afbeeldingen die samen één blok vormen (en dus niet door losse letters, zoals in de typografie). |
|
Boston Tea Party |
Actie waarbij als Indianen vermomde tegenstanders van invoerrechten, de lading thee uit een Brits schip in de haven van Boston wierpen (1773). |
|
Bulkgoederen |
Goederen, in grote hoeveelheden gekweekt en onverpakt vervoerd, meestal grondstoffen (ruwe koffie, ruwe suiker en ruwe katoen). Bulkgoederen werden vaak verscheept van de koloniën naar het moederland. |
|
Bureaucratisering |
Proces, dat gedurende het ancien régime aan betekenis wint, waarbij het bestuur steeds meer wordt georganiseerd op basis van formele voorschriften, een veronderstelde rationele deskundigheid en een hiërarchische gezagsstructuur, en waarbij rekrutering en promotie op grond van persoonlijke capaciteiten en geschiktheid plaatsvindt. |
|
Burgerlijke revolutie |
Revolutie waarbij de burgerij, die vanaf het begin van de nieuwe tijd gestadig aan welstand, opleidingsniveau en zelfbewustzijn had gewonnen, een grotere politieke invloed nastreefde. |
|
Cahiers of cahiers de doléances (Frankrijk) |
Lijsten met grieven en voorstellen tot verbetering, die door de drie standen werden opgesteld ter voorbereiding van de bijeenkomst van de Staten-Generaal van 1789. |
|
Checks and balances |
Hier gebruikt ter aanduiding van een systeem van wederzijdse controle en evenwicht tussen de drie staatsmachten onderling en, meer in het bijzonder, tussen de federatie van Amerikaanse staten en die staten afzonderlijk, ingebouwd in de Amerikaanse grondwet van 1787. |
|
Coalitieoorlogen |
De oorlogen die door een coalitie of aaneensluiting van verschillende landen werden gevoerd tegen een gezamenlijke tegenstander. |
|
Codificatie |
Het eenmaken, gelijktrekken en systematisch optekenen van verspreide traditionele, lokale of regionale rechtsregels, hetzij geschreven, hetzij ongeschreven, zodat er eenheid van recht ontstaat in een land of gebied. |
|
Commissaire / officier |
Een commissaire was een koninklijk functionaris die afzetbaar was; een officier daarentegen een ambtenaar van vergelijkbare rang die echter zijn functie gekocht of gepacht had en niet afgezet kon worden. |
|
Comprehension / toleration |
Het streven om andersdenkenden, in het bijzonder puriteinen, in de anglicaanse kerk op te nemen, respectievelijk verdraagzaamheid jegens andere geloofsovertuigingen, waarvan de anglicaanse kerk zonder tot vervolging over te gaan niet wilde weten. |
|
Compromis der edelen |
Verbond van de lagere adel in de Nederlanden, gesloten in 1565 om te strijden voor de opheffing van de inquisitie en voor de afschaffing van de plakkaten die de vrijheid van geweten aantastten. |
|
Concilie |
In de rooms-katholieke kerk een algemene kerkvergadering van bisschoppen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders over vragen met betrekking tot geloof, kerkorganisatie, kerkelijke tucht, enzovoorts. |
|
Concordaat |
Verdrag dat gesloten wordt tussen een staat enerzijds en de paus anderzijds ten aanzien van rechten en vrijheden van de rooms-katholieke kerk in een bepaald land. |
|
Conjunctuur |
Tijdsomstandigheden die van invloed zijn op vraag en aanbod |
|
Constitutieconventie |
Zie Conventie. |
|
Contra-Maniera |
Stroming in de Italiaanse schilderkunst van de tweede helft van de zestiende eeuw, die geen wezenlijke nieuwe schilderstijl tot gevolg had, maar een vorm probeerde te vinden die paste bij de onder invloed van de Contrareformatie veranderde religieuze situatie. De principes van het maniërisme bleven gehandhaafd, maar de intellectuele en gekunstelde uitwerking werd vereenvoudigd om de religieuze boodschap duidelijker te laten spreken. |
|
Contrareformatie |
Hervormingsstreven in en binnen de rooms-katholieke kerk, ontstaan als reactie op en ter bestrijding van de protestantse Reformatie. Op het concilie van Trente (1546-1563) werden belangrijke aanzetten hiertoe gegeven. |
|
Conventie (VS) |
Vergadering in Philadelphia van afgevaardigden van de dertien koloniën, die tot taak had een grondwet te ontwerpen (1787). |
|
Corruptie |
Handelen, i.c. politiek bedrijven, onder invloed van omkoping. |
|
Court / country |
De gesuggereerde tegenstelling binnen de gentry tussen enerzijds degenen die zich aan het hof ophielden, en anderzijds degenen die op hun goederen op het land verbleven; de suggestie is gewekt dat de hovelingen door hofinkomsten zich beter hebben kunnen handhaven. |
|
Covenant |
Overeenkomst tussen twee partijen om elkaar wederzijds te steunen; in het bijzonder van toepassing op het Nationale Covenant (1683) in Schotland, waarbij de Schotse edelen en presbyterianen zich verenigden, en op de overeenkomst van 1643, waarbij de Schotten militaire steun zouden geven aan de Engelsen in hun strijd tegen Karel I, in ruil voor de invoering van een presbyteriaanse kerkorde in Engeland. |
|
Crise de subsistance |
Bestaanscrisis, in het bijzonder de hongersnood, die zich voordoet wanneer alle inkomsten voor de directe levensbehoeften nodig zijn en deze inkomsten verminderen ten gevolge van oorlog, misoogst of belastingverhoging. |
|
Crisis |
Periode van ernstige ontwrichting van het staatkundig, sociaal-economisch en/of cultureel leven, meestal gebruikt voor een periode van korte duur, daarnaast ook gebezigd voor een periode van stagnatie die zich over langere tijd uitstrekte. |
|
Cuius regio, eius religio |
Beginsel dat een machthebber in een gebied bepaalt welke godsdienst zijn onderdanen zullen belijden. Deze rechtsregel werd bij de godsdienstvrede van Augsburg (1555) ingevoerd voor de diverse staten en vorstendommen in het Duitse rijk. |
|
Deductief |
Zie inductief. |
|
Deïsme |
Geloof dat God de wereld heeft geschapen, en dat deze sindsdien zonder zijn ingrijpen, maar wel volgens door hem geschapen wetten, onafhankelijk functioneert. De opvatting over God als een ingenieur in ruste is hieraan verwant. |
|
Demografie (G: démos = volk, graphein = beschrijven) |
De wetenschap omtrent de omvang, de opbouw en dynamiek der bevolking in kwantitatieve zin. |
|
Demografische revolutie |
Ommekeer in het verloop van de bevolkingsgroei in Europa vanaf 1740. Vanaf die tijd groeide de bevolking gestadig. |
|
Dertigjarige Oorlog |
Benaming voor de oorlog die in 1618 begon met de Boheemse opstand en in 1648 met de vrede van Westfalen werd afgesloten. Hoewel de oorlog binnen de grenzen van het Duitse rijk werd uitgevochten, wordt hij door de inmenging van alle toenmalige grootmachten wel beschouwd als de eerste algemene Europese oorlog. |
|
Despotisme |
Alleenheerschappij, waarbij de alleenheerser geen rekening houdt of wenst te houden met de geldende wetten, gebruiken en traditionele instellingen. |
|
Devolutierecht |
Het in Brabant en Vlaanderen geldende recht dat kinderen uit een tweede huwelijk niet meeërven met kinderen uit een eerste huwelijk in goederen die tijdens het eerste huwelijk verworven zijn. In het bijzonder door Lodewijk XIV gebruikt om aanspraak te maken op de Zuidelijke Nederlanden. |
|
Dissenters (andersdenkenden) |
Aanhangers van een geloof dat in een bepaald land in de minderheid is of niet tot de staatsgodsdienst behoort; in het achttiende-eeuwse Frankrijk bijvoorbeeld de calvinisten, in Engeland de puriteinen en andere afwijkende protestantse richtingen, in de Republiek de remonstranten, lutheranen, katholieken, enzovoorts. |
|
Droit divin |
Goddelijk recht waarop de koningen van de zeventiende eeuw zich beriepen om hun koningschap te rechtvaardigen; dit in tegenstelling tot de achttiende-eeuwse heersers, die zich als verlicht despoot zagen. |
|
Edict van Nantes |
Door Hendrik IV van Frankrijk in 1598 uitgevaardigd koninklijk besluit, waarbij de Franse protestanten (hugenoten) een belangrijke mate van godsdienstvrijheid werd verleend. Het edict werd bijna een eeuw later, in 1685, door Lodewijk XIV herroepen, waarna veel hugenoten Frakrijk ontvluchtten en zich elders in West-Europa vestigden. |
|
Emancipatie |
Het zelfbewuster worden en opeisen van gelijke of gelijkwaardige rechten door voorheen achtergestelde groepen in de bevolking. |
|
Émigrés (Frankrijk) |
Edelen en andere tegenstanders van de Franse revolutie, die vanaf juli 1789 Frankrijk verlieten. |
|
Empirie |
(Proefondervindelijke) ervaring, in het bijzonder als bron van kennis. |
|
Enclosures |
De omheining van braakliggende of gemeenschappelijke gronden, waarbij deze in particulier eigendom overgingen. |
|
Encomienda-systeem |
De toewijzing van land en inlandse bewoners in de Spaanse koloniën in de zestiende eeuw, waarbij de koning aan de veroveraars en hun afstammelingen dorpen of hele districten overdroeg om te exploiteren. |
|
Encyclopédie |
Samenvattend overzicht van verlichte kennis en ideeën die in de achttiende eeuw waren vergaard, gepubliceerd in de periode 1751-1772, in totaal 17 delen tekst en 11 plaatdelen omvattend. Door de kritische opstelling van haar auteurs werd de Encyclopédie in 1759 verboden, waarna zij clandestien werd voltooid. |
|
Episcopale kerkorganisatie |
Bestuursvorm van de kerk, waarbij een overwegende positie toekomst aan de bisschoppen (Grieks: episkopoi). |
|
Erflandschap |
Gebied of land dat aan een vorstengeslacht erfelijk toebehoort. |
|
Expansie |
Uitbreiding door een staat van zijn grondgebied (territoriale expansie) of van zijn politieke of economische macht door bijvoorbeeld handel of koloniale verovering (economische, commerciële, koloniale expansie). |
|
Exterritoriale rechten |
Soevereiniteitsrechten binnen het soevereiniteitsgebied van een andere mogendheid, bijvoorbeeld om handel te drijven of een ambassade te vestigen. Zo behoort het grondgebied van een ambassade tot het grondgebied van het land dat wordt vertegenwoordigd en niet van het land waarin de ambassade is gevestigd. |
|
Factie |
Informele, door gemeenschappelijke belangen, wederzijdse diensten en/of familiebanden bijeengehouden groep. |
|
Factorij |
Overzeese handelspost of stapelplaats, door Europese kooplieden of handelscompagnieën gevestigd langs de kust van vreemde werelddelen, zonder verovering of kolonisering van het achterland. |
|
Federalisten (VS) |
In de Conventie van 1787 (en later) de partij die voorstander was van een zo sterk mogelijk centraal gezag (de Federatie). |
|
Feuillants (Frankrijk) |
Groep afgevaardigden in de Constituante of Grondwetgevende Vergadering van 1789-1791, die ook na de vlucht van koning Lodewijk XIV naar Varennes gekant bleef tegen afzetting van de monarch. |
|
Filologie |
Wetenschappelijke tekstkritiek, door de humanisten ontwikkeld als hulpmiddel bij de bestudering van antieke teksten. |
|
Founding Fathers (VS) |
Benaming voor de leden van de Constitutieconventie van 1787. |
|
Fysiocraten |
Achttiende-eeuwse grondleggers van de economische wetenschap, voorstanders van een laissez-faire-economie. Zij geloofden dat wanneer de economie aan zichzelf werd overgelaten en niet (door de overheid) gebonden aan regels, de rijkdom van een land vanzelf zou toenemen. De fysiocraten waren voorstanders van belastinghervorming, tegen het mercantilisme en tegen het gildensysteem. In een aantal opzichten kunnen zij worden beschouwd als voorlopers van de economisch liberalen van de negentiende eeuw. |
|
Gallicanisme |
Benaming van de stroming binnen de Franse rooms-katholieke kerk die zich min of meer onafhankelijk van de paus opstelde. |
|
Geboorteadel |
Zie noblesse dépée. |
|
Gentry |
De stand van uit de burgerij opgekomen welgestelde Engelsen, die hoewel niet van oude geboorteadel zich toch een adellijke levenswijze eigen makten en aanspraak maakten op een plaats in het landsbestuur overeenkomstig hun economisch belang. Zie ook court / country. |
|
Geocentrisch wereldbeeld |
Model van de kosmos met de aarde onbeweeglijk in het middelpunt, waaromheen de overige hemellichamen draaien. Hieraan tegengesteld is het heliocentrisch wereldbeeld. |
|
Girondijnen (Frankrijk) |
Gematigde revolutionairen, gekant tegen een te grote volksinvloed, onder leiding van de afgevaardigde Brissot, die afkomstig was uit het gebied van de Gironde. |
|
Guerre de course |
Het geheel van raids ter zee door de Franse marine uitgevoerd toen de Franse kust door Engelsen en Holladers werd geblokkeerd. |
|
Handelscompagnie |
Een handelsonderneming waarin het kapitaal bijeengebracht wordt door participanten die, zonder dat zij verplicht zijn aan het bestuur en beheer van de onderneming deel te nemen, aandelen kopen en (eventuele) winst opstrijken. De bekendste voorbeelden van dergelijke handelsondernemingen in het hier behandelde tijdvak zijn de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Engelse Oost-Indische Compagnie (EOC). Deze handelscompagnieën hadden van hun regeringen het monopolie voor het handeldrijven in het Oosten gekregen, en beschikten aldaar over soevereine rechten. |
|
Handelsimperium |
Wereldrijk gevormd door een moederland en zijn koloniën, onderling verbonden door vooral economische banden, waarin ieder gebied een eigen economische rol vervult; het handelsimperium vormt vaak een sluitend economisch geheel. |
|
Handelsposten |
Kleine Europese nederzettingen in niet-Europese gebieden, van waaruit Europeanen handel dreven met de inheemse bevolking. |
|
Heliocentrisch wereldbeeld |
Model van de kosmos met de zon in het middelpunt hetzij van het gehele universum, hetzij van een bepaald deel daarvan, ons zonnestelsel. |
|
Hugenoten |
Benaming voor de calvinistische protestanten in Frankrijk in de zestiende en zeventiende eeuw, afkomstig van de Zwitserse naam Eidgenossen (gezworenen) |
|
Humanisme (van studia humanitas: de studie van de klassieke talen en letterkunde) |
Een stroming van een nieuwe klasse van geletterden (meestal leken) die in navolging van antieke schrijvers (die zij nauwkeurig bestudeerden) streefde naar een zelfstandige ontplooiing van de mens op geestelijk en maatschappelijk gebied. |
|
Ideaaltype |
Model waarnaar anderen zich richten, hier gebruikt voor de voorbeeldfunctie die de Franse monarchie onder Lodewijk XIV had voor de andere hoven van Europa. |
|
Independentisme |
Het verwerpen van zowel de anglicaanse als een presbyteriaanse staatskerk ten gunste van een brede tolerantie. |
|
Inductief / deductief |
Inductie is het zich baseren op feiten, op proefnemingen en daaruit algemene regels afleiden. Deductie is precies het omgekeerde: het opstellen van grondregels door strikt wijsgerige redenering en toepassing van deze regels op de praktijk. |
|
Infrastructuur |
Het geheel van wegen, waterwegen, bruggen, enzovoorts, dus de binnenlandse verbindingen in een staat, die een belangrijke voorwaarde vormen voor de opbloei van het economisch leven in de achttiende eeuw. |
|
Investituur |
Overhandiging van ring en kromstaf als symbolen van de bisschoppelijke waardigheid. |
|
Jakobieten |
De medestanders van de in 1688 verdreven Engelse koning Jacobus II. |
|
Jakobijnen (Frankrijk) |
Club voorstanders van de revolutie, die ontstond in de Nationale Vergadering van 1789. De naam jakobijnen werd ontleend aan hun vergaderruimte in het voormalige jakobijnenklooster te Parijs, dat zij in oktober 1789 betrokken. Door de jaren heen scheidden zich diverse groepen van de jakobijnen af: de feuillants in 1791 en de girondijnen in 1793 (de laatste via een zuivering). Ten slotte bleven in 1794 als jakobijnen over de trouwe volgelingen van Robespierre, zie ook montagnards. |
|
Kapitalisme |
Vorm van een economische organisatie waarbij de ondernemer zijn spaargeld en winst investeert in de verwachting in de toekomst opnieuw winst te maken. Ook kan onder kapitalisme worden verstaan: een maatschappelijk stelsel waarin de productiemiddelen in particulier bezit zijn en een dominerende functie vervullen in de productie van goederen en diensten. |
|
Keurvorst |
Titel van de zeven vorsten in het Duitse rijk die zitting hadden in het keurvorstencollege en zodoende stemgerechtigd waren bij de keuze van de Rooms-Koning (die meestal later werd verheven tot Duits keizer). De zeven keurvorsten waren: de aartsbisschoppen van Keulen, Mainz en Trier, de koning van Bohemen, de hertog van Saksen, de markgraaf van Brandenburg en de paltsgraaf van de Rijn. |
|
Kiesrijk |
Vorstendom waarin de vorst niet door erfopvolging werd aangewezen, maar gekozen werd (een voorbeeld is Polen), zie ook adelsrepubliek. |
|
Klassen |
Groepen, waarvan de leden gelijke economische, sociale of culturele belangen hebben. |
|
Klassenmaatschappij |
Een samenleving waarin de maatschappelijke positie van ieder individu vooral wordt bepaald door de sociaal-economische positie (functie, inkomen) die hij bekleedt. |
|
Lange zestiende eeuw |
Aanduiding voor de periode 1450-1650, in de Europese geschiedenis, die gekenmerkt wordt door bloei en expansie op velerlei gebied. |
|
Levée en masse |
Wet van 23 augustus 1793 die het hele Franse volk mobiliseerde voor de oorlog. |
|
Levellers |
Radicale groepering binnen het leger van Cromwell door deze overigens niet gesteund die streefde naar sociale gelijkheid voor iedereen. |
|
Ligue |
Benaming voor het verbond van de katholieke hoge adel tijdens de Franse godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw. De Ligue werd geleid door de familie De Guise. |
|
Loyalisten |
Amerikaanse kolonisten die tijdens de Amerikaanse revolutie trouw bleven aan het Britse parlement. Naar schatting betrof dit ongeveer een derde deel van de bevolking in de koloniën. |
|
Maatschappijgeschiedenis |
Vorm van geschiedbeoefening die zich met behulp van inzichten van verschillende sociale wetenschappen concentreert op de maatschappelijke verbanden waarin individuen zijn opgenomen. |
|
Maniërisme |
Kunsthistorisch begrip, afgeleid van het Italiaanse maniera, dat manier of stijl betekent. In beperkte zin: het streven naar een versterkt, dikwijls gekunsteld, stijlgevoel. In de kunstgeschiedenis wordt maniërisme sinds het begin van deze eeuw gebruikt om een zelfstandige stijlperiode te onderscheiden, volgend op de (hoog)-renaissance en voorafgaand aan de barok (globaal van circa 1520 tot circa 1700). Hoofdkenmerken van maniëristische kunst zijn niet-realistisch kleurgebruik, disproportionering van de menselijke figuren, grote variatie, bijvoorbeeld in de houding van de figuren, alsmede ingewikkelde composities. Overzichtelijkheid en een waarheidsgetrouwe weergave van het onderwerp, die de kunst van de renaissance typeren, zijn ondergeschikt gemaakt aan variatie en complexiteit. Vanuit Italië is het maniërisme in de loop van de zestiende eeuw uitgewaaierd over Europa. |
|
Mechanisering van het wereldbeeld |
De wijziging in de voorstelling van de wereld die het resultaat was
van wat met een samenvattende term de wetenschappelijke revolutie
genoemd wordt; deze wijziging heeft drie mechanische aspecten: |
|
Mediatie / arbitrage |
Mediatie of bemiddeling, vooral door arbitrage of beoordeling van geschillen door een onafhankelijk rechter. |
|
Mercantilisme |
Stelsel dat de economie ondergeschikt maakt aan de belangen van de nationale staat. In de praktijk hield dit vooral in: een vergroting van de binnenlandse reserves aan edelmetaal, stimulering van de handel en export en beperking van importen. |
|
Montagnards |
Jakobijnse afgevaardigden in de Nationale Conventie van 1792, gezeten in de hooggelegen zitplaatsen in de zaal. |
|
Natuurlijke religie |
Geloof dat God te kennen is door middel van zijn schepping. Daarmee werd vaak het idee van de goddelijke openbaring aan de mens verworpen; de schepping werd gezien als enige kenbron van God. |
|
Natuurrecht |
Voor elk menselijk individu, waar ook ter wereld, geldend recht, te kennen via de menselijke rede. |
|
New monarchy |
Aanduiding voor de zestiende-eeuwse monarchie, die zich van haar middeleeuwse voorgangster onderscheidde door een grotere territoriale eenheid, een verdergaande centralisatie en een verheerlijking van de koninklijke macht. |
|
Noblesse dépée (zwaardadel) |
De geboorte- of standadel, die de vorst in diens leger diende, maar die in het landsbestuur steeds minder onmisbaar werd en die zijn plaats gaandeweg ingenomen zag door de noblesse de robe. |
|
Noblesse de robe (ambtsadel) |
De door de vorst uit de burgerij gerekruteerde en veelal in de adelstand verheven magistraten, die hij uitkoos op basis van deskundigheid op het gebied van rechtspraak of financiën. In hun afhankelijkheid van de vorst, voor deze meer betrouwbaar dan de noblesse dépée. |
|
Officier |
Zie commissaire. |
|
Overmighty subjects |
Machtige edellieden die over een uitgebreid patronagenetwerk beschikten en zich grotendeels aan de controle van de vorst wisten te onttrekken. |
|
Pacificatie van Gent |
Een in 1576 gesloten overeenkomst tussen de noordelijke, opstandige en de zuidelijke, Spaansgetrouwe gewesten in de Nederlanden met als voornaamste afspraken de verdrijving van de Spaanse troepen, de schorsing van de ketterijplakkaten en de erkenning van het calvinisme in de gewesten Holland en Zeeland. De pacificatie werd in 1579 ongedaan gemaakt door de afzonderlijke verbonden van de zuidelijke en de noordelijke provincies (Unie van Atrecht en Unie van Utrecht). |
|
Pantheïsme |
Het geloof dat God in alles is, het zien van God niet als een persoon maar als oneindige uitgebreidheid in tijd en ruimte. |
|
Parlementen (Frankrijk) |
Tijdens het ancien régime de voornaamste koninklijke gerechtshoven, hoofdzakelijk met de functie van beroepshoven. Het belangrijkste van de dertien parlementen was dat van Parijs, dat zich vooral tijdens de zwakke koningen en bij crises de gewoonte had aangemeten tegenwerpingen te maken alvorens toe te stemmen in het registreren van koninklijke edicten. Het parlement van Parijs eigende zich dus in feite wetgevende macht toe. |
|
Particularisme |
Het stellen van het gewestelijk, lokaal of koloniaal belang boven het algemeen belang van de staat of het imperium. |
|
Partij |
Hier gebruikt in de betekenis van een formele, door een politieke ideologie en een politiek programma verbonden groep. |
|
Partizanen |
Verzetsstrijders. |
|
Patriotten |
Benaming van de radicale partijen in de Republiek, Engeland en Amerika vóór de Franse Revolutie; tijdens die revolutie voor haar aanhangers en alle radicale hervormingsgezinden zowel in Frankrijk als daarbuiten. |
|
Patronage |
Het geheel van persoonlijke betrekkingen tussen hoger- en lagergeplaatsten in de samenleving, waaraan de eerstgenoemden (de patroons) politieke steun en de laatstgenoemden (de cliënten) bescherming of een carrière ontleenden. In een beperktere betekenis wordt onder patronage ook het verlenen van opdrachten aan en het ebschermen van kunstenaars en wetenschappers verstaan. |
|
Philosophes |
Kritische verlichte denkers, net zozeer filosofen in de hedendaagse betekenis van het woord, eerder publicisten, literatoren en journalisten. Het fenomeen philosophe kan niet los gezien worden van het in de achttiende eeuw sterk toegenomen lezerspubliek. |
|
Plantagekoloniën |
Koloniën waarbij Europeanen, vaak gebruik makend van slavenarbeid, bulkgoederen teelden voor de export naar Europa, waarbij zij voor hun eigen levensbehoeften afhankelijk bleven van de import uit Europa. |
|
Plebisciet |
Volksstemming, door middel waarvan belangrijke kwesties zoals bijvoorbeeld een nieuwe grondwet of een nieuwe territoriale indeling ter goedkeuring worden voorgelegd aan de hele bevolking. |
|
Politieken |
Benaming van de katholieken en protestanten die tijdens de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw meenden dat de staatkundige eenheid van het land boven de eenheid van het geloof moest worden gesteld. Zij wilden orde en rust herstellen door tolerantie en verlening van vrijheden aan andersdenkenden. |
|
Pragmatieke Sanctie van 1713 |
Het akkoord waarbij aan keizer Karel VI van Oostenrijk de opvolging door zijn dochter Maria Theresia werd gegarandeerd. |
|
Predestinatieleer |
Christelijk leerstuk dat het lot van mensen door God is voorbeschikt, hetzij dat zij zijn uitverkoren tot eeuwig heil, hetzij veroordeeld tot eeuwige verdoemenis. Deze leer werd in aangescherpte vorm een van de centrale leerstukken van het calvinisme. Tegenover de predestinatieleer staat de leer van de wilsvrijheid van de mens. |
|
Prerogatief |
Voorrecht, in het bijzonder de rechten voorbehouden aan de Kroon (het recht op gratie, of in de zeventiende eeuw het buitenlands beleid). |
|
Presbyteriaanse kerkorganisatie |
Kerkinrichting van gereformeerde signatuur. De naam is ontleend aan de presbyters, ouderlingen die een belangrijke functie vervullen in de kerkorganisatie. |
|
Prijsrevolutie |
De inflatoire groei van de Europese economie gedurende de lange zestiende eeuw. |
|
Privilege |
Bijzonder recht of voorrecht, door de soeverein toegekend aan bijzondere personen of groepen van persoenen (bijvoorbeeld adel, geestelijkheid, steden en gilden). |
|
Productieverhoudingen |
De verhouding tussen de sociale klassen ten aanzien van het bezit van de productiemiddelen, dat wil zeggen: kapitaal, grondstoffen, machines en gereedschappen. Volgens de marxistische theorie zijn er in de kapitalistische maatschappij slechts twee klassen: één die de beschikking heeft over de productiemiddelen en één die dat niet heeft. |
|
Prosopografie |
Methode waarbij men door middel van het verzamelen van gelijksoortige gegevens over een bepaalde groep personen meer informatie hoopt te krijgen over het functioneren van die groep in de samenleving. |
|
Putting-out-system |
Een kapitalistisch georganiseerde vorm van textielindustrie waarbij ondernemers weefgetouwen en wol onder de plattelandsbevolking distribueerden en de arbeiders naar rato van het aantal geleverde weefsels werden betaald. |
|
Quattrocento |
Aanduiding voor de Italiaanse vijftiende eeuw, bloeiperiode van de renaissance. |
|
Querelle des anciens et des modernes |
Strijdvraag van Europese geleerden in de decennia omstreeks 1700 over het vermeende primaat van de eigen cultuur dan wel die van de klassieken. |
|
Raison détat |
Het belang van de staat, waaraan de belangen van alle politieke groeperingen (adel, kerk, burgerij) en van individuele personen ondergeschikt werd gemaakt. |
|
Reconquista |
Strijd van de Spaanse christenen voor de herovering van het Iberisch schiereiland op de Moren, voltooid met de val van Granada in 1492. |
|
Reformatie |
Hervormingsbeweging in het christendom in de zestiende eeuw, die tot een scheuring in het westerse christendom leidde, voornamelijk veroorzaakt dor de innerlijke verzwakking van de katholieke kerk in de context van politieke, sociale en culturele ontwikkelingen aan het begin van de nieuwe tijd, met als gevolg dat het absolute geestelijke gezag van de kerk van Rome zijn vanzelfsprekendheid verloor en waarvan het protestantisme, de protestantse kerken de vrucht zijn. |
|
Régicides (koningsmoordenaars) |
De afgevaardigden in de Nationale Conventie, die op 16 januari 1793 stemden vóór de doodstraf voor Lodewijk XVI. |
|
Reïficatie |
Het verstoffelijken van een begrip of concept. |
|
Renaissance (wedergeboorte) |
- Aanduiding voor de periode 1300-1600 in de Italiaanse geschiedenis
die wordt gekenmerkt door een grootscheepse culturele opleving. Renaissance
betekent letterlijk wedergeboorte (van de klassieke oudheid). Als
historisch begrip verwijst de kern niet alleen naar wedergeboorte,
maar vooral naar het geheel van nieuwe verworvenheden, die zich op
velerlei gebieden (wetenschap, kunst en samenleving) in dit tijdperk
voordeden. |
|
Renversement des alliances |
Omkering der bondgenootschappen: in 1756 sloten de Oostenrijkse Habsburgers en de Franse Bourbons traditionele vijanden voor het eerst een bondgenootschap. |
|
Restitutie-edict |
Benaming van een door de Duitse keizer Ferdinand II in 1629 uitgevaardigde verordening waarin werd bepaald dat alle kerkelijke gebieden en bezittingen (dat wil zeggen: bisdommen, kloosters, landgoederen en enkele steden) die na 1552 door de protestanten waren onteigend, moesten worden teruggegeven (restitueren = teruggeven). |
|
Revolutie |
Het meest gebruikt ter aanduiding van een radicale verandering van een bestaand godsdienstig en sociaal-politiek systeem, tot stand gebracht door voordien benadeelde groepen in dat systeem, die meestal met geweld een nieuwe religie, heerser of regeringsvorm instellen. Daarnaast wordt het begrip revolutie ook gehanteerd ter aanduiding van grote veranderingen op andere terreinen (vergelijk bijvoorbeeld de agrarische revolutie, de wetenschappelijke revolutie en de Industriële revolutie). |
|
Rijksdag |
Een door de Duitse keizer bijeengeroepen vergadering van alle reichsunmittelbare onderdanen (vorsten, ridders en steden), waarin recht werd gesproken, wetten werden vastgesteld en bestuurlijke zaken aan de orde kwamen. |
|
Rococo |
Kunststijl, die zich kenmerkt door luchtigheid en bekoorlijkheid. Het rococo overschaduwde in het begin van de achttiende eeuw de plastische grandeur van de barok. In eerste instantie door Franse stucwerkers ontwikkeld en toegepast, heeft het rococo zich vervolgens over heel Europa op alle terreinen van beeldende en toegepaste kunst gemanifesteerd. In de jaren zestig van de achttiende eeuw was deze stijl over zijn hoogtepunt heen en werd het rococo opgevolgd door het strengere neoclassicisme. |
|
Rule of law |
Idee dat ieder aan de wet onderworpen is, dus niet alleen de burgers van een staat, maar ook de overheid. |
|
Sacramenten |
Gewijde riten, waardoor naar christelijke opvatting een bijzondere goddelijke genade op de gelovige wordt overgedragen. De rooms-katholieke kerk kent zeven sacramenten (doopsel, vormsel, sacrament des altaars, biecht, Heilig Oliesel, priesterwijding en huwelijk); de protestantse kerken twee (doop en Avondmaal). |
|
Sans-culottes (zij die geen kuitbroeken dragen) |
Aanduiding die soms werd gebruikt voor de lagere klassen van zowel stad als platteland, maar meestal voor stedelijke ambachtslieden, winkeliers, marskramers en dergelijke. In de periode 1792-1795 werd sans-culottes een benaming voor de meer militante revolutionairen, ongeacht hun sociale afkomst. |
|
Scepticisme |
Het met behulp van de rede kritisch bezien van overgeleverde waarden door twijfel te koesteren aan de geldigheid ervan. |
|
Schmalkaldisch Verbond |
Verbond van Duitse protestantse vorsten en steden, opgericht in 1531 ter verdediging van hun geloof en politieke zelfstandigheid tegen Karel V. |
|
Seculaire trend |
Economische conjunctuurbeweging der lange duur, afwisseling van hausse en baisse, eeuwbeweging. |
|
Secularisering |
- Verwereldlijking, proces waarbij sectoren van het maatschappelijk
leven worden onttrokken aan het gezag van de kerk en het geloof. |
|
Sinecure |
Ambt of andere betrekking, waarvoor een goed salaris wordt geboden tegen geen of weinig te verrichten arbeid. Een vooral in de achttiende eeuw veel voorkomende praktijk. |
|
Sociaal contract |
Contract (het betrof hier een stilzwijgende of onofficiële overeenkomst), dat volgens verschillende denkers gesloten was tussen vorst en volk, waarbij het volk zijn soevereiniteit ui handen gaf aan de vorst (Locke, Hobbes) in ruil voor wederdiensten, of gesloten tussen de onderdanen onderling, waarbij hun gezamenlijke wil (volonté générale) soeverein bleef (Rousseau). |
|
Staatsschuldbrief |
Staatspapier waarop de geldschuld die een staat heeft, is vermeld. |
|
Stadsrepubliek |
Een stadstaat met een republikeins bestel. |
|
Stamp Act |
Door het Britse parlement uitgevaardigde wet van 1765, die inhield dat op alle officiële kranten en papieren in het Britse imperium leges, dat wil zeggen zegelrechten, moesten worden betaald. |
|
Standenmaatschappij |
Samenleving waarin een ieder krachtens geboorte of hoedanigheid tot een groepering (stand) behoort en waarin iedere stand een eigen taak heeft en over eigen rechten en plichten beschikt. |
|
Staten-Generaal (Frankrijk) |
Vergadering van alle drie de standen (adel, geestelijkheid en steden i.c. burgers), in Frankrijk niet meer bijeengeroepen vanaf 1614. Lodewijk XVI riep, gedwongen door de noodtoestand, de vergadering bijeen voor mei 1789 om een nieuwe grondwet op te stellen. |
|
Surplus |
Dat gedeelte van de agrarische productie dat overblijft nadat een boerenhuishouden er de eigen consumptie en het zaaigoed voor de volgende oogst heeft afgetrokken. |
|
Tiers Etat |
Derde stand, naast adel en geestelijkheid, het grootste en niet-geprivilegieerde deel van de Franse bevolking. Tot de Tiers Etat behoorden zowel de rijke burgerij als de arme boeren en ambachtslieden. |
|
Toleration |
Zie comprehension. |
|
Tordesillaslijn |
Denkbeeldige lijn, vastgelegd bij het Verdrag van Tordesillas tussen Spanje en Portugal in juni 1494, waarbij de aardbol tussen deze twee landen in invloedssferen werd verdeeld. De lijn liep westelijker dan eerder door paus Alexander VI was bepaald, over de meridiaan 370 mijl westelijk van de Kaap Verde. Het gevolg was dat een groot deel van Zuid-Amerika (het huidige Brazilië) aan Portugal toeviel. |
|
Tory |
Zie Whig. |
|
Townshend Duties |
Wet, in 1767 aangenomen door het Britse parlement, waarin werd bepaald dat de Amerikanen invoerrechten moesten gaan betalen op papier, verf, lood en thee. |
|
Transsubstantiatie |
Leer dat Christus werkelijk tegenwoordig is in het brood en de wijn van het Avondmaal, die bij de plechtigheid zijn lichaam en bloed worden. De transsubstantiatieleer werd tijdens de Reformatie een belangrijk conflictpunt. Tegenover de katholieken en lutheranen bepleitten Zwingli en Calvijn een meer symbolische opvatting van Christus aanwezigheid bij het Avondmaal. |
|
Trias politica (drie-eenheid van de politieke machten) |
Begrip uit de leer van Montesquieu. Scheiding van de staatsmacht in drieën: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Volgens Montesquieu moesten deze drie elkaar in evenwicht houden om despotisme van de vorst of dictatuur van het volk te voorkomen. |
|
Ultramontaans / gallicaans |
Tegenstelling tussen de gerichtheid van de katholieke kerk in de nationale staten op Rome, dat wil zeggen over de bergen heen, en de gerichtheid in Frankrijk op een nationale kerk, binnen het katholiek geloof (gallicanisme). |
|
Universele monarchie |
De monarchie waarbij de vorst een allesbepalende zeggenschap had en zijn heerschappij zoveel mogelijk zocht uit te breiden over de hem omringende landen om tot grote mogendheid te worden. |
|
Verlicht absolutisme |
Absolutisme waarbij de vorst zich niet meer beriep op zijn goddelijk recht op de troon, maar op zijn nut voor zijn volk. De verlichte despoot voerde hervormingen door in de geest van de Verlichting, maar daarbij was van volksinvloed geen sprake. Een verlicht-absolutistisch vorst kan men het devies toelichten: alles voor, maar niets door het volk. |
|
Verlichting |
Periode in de cultuurgeschiedenis, waarin allerlei traditionele (kerkelijke) leerstellingen, gewoonten en gebruiken opnieuw werden beschouwd in het licht van de kritische rede, en waarin vooroordelen, mythen en bijgeloof opzij werden gezet. |
|
Vestigingskoloniën |
Koloniën waarbij Europeanen zich blijvend vestigden in een niet-Europees gebied. Vestigingskoloniën konden in economisch opzicht in hoge mate zichzelf voorzien. |
|
Vetorecht (Veto betekent: ik verbied) |
Het recht van landen (bijvoorbeeld de grote mogendheden in de Veiligheidsraad), vorsten of instellingen om besluiten ongeldig te verklaren. |
|
Volonté générale |
Algemene wil, volkswil (Rousseau). De individuele wilskracht van de verschillende leden van het volk werd volgens Rousseau samengebundeld tot één algemene wil, die soeverein, absoluut en onschendbaar was. Koningen, ambtenaren en volksvertegenwoordigers waren slechts afgevaardigden van deze soevereine volkswil. |
|
Wetenschappelijke revolutie |
De aanduiding van de fundamentele vernieuwing van de natuurwetenschap èn van de periode waarin deze vernieuwing zich voordeed, grofweg de periode 1500-1800. Deze vernieuwing manifesteert zich in de eerste plaats in nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten, in het bijzonder op het gebied van de astronomie en de mechanica, die resulteren in een vergaande wijziging van het wereldbeeld. In de tweede plaats blijkt zij in de introductie van nieuwe methoden van wetenschappelijk onderzoek, waarbij a) een grotere plaats is ingeruimd voor de waarneming, b) een belangrijke rol is weggelegd voor herhaalbare experimenten ter bevestiging of weerlegging van verklarende hypothesen en c) processen primair onderzocht worden naar hun oorzaken en gevolgen (in vragen naar het hoe in plaats van het waartoe), in een kwantitatieve, eerder dan een kwalitatieve benadering: verschijnselen worden bestudeerd in die aspecten die zich lenen voor een mathematische beschrijving. |
|
Whig / Tory |
De benaming voor beide partijen in de Engelse politiek: de Whigs de vooruitstrevende partij, de Tories de conservatieve. De benaming Tory wordt nog altijd gebruikt; het woord Whig is zuiver historisch: in de zeventiende eeuw gold het voor de Schotse presbyterianen; in de achttiende eeuw voor de liberalen. |
|
Wisselbank (Amsterdamse) |
In 1609 opgerichte instelling die alle denkbare muntsoorten toetste en aan depositohouders verklaringen verstrekte over de sommen die ze de bank nog in bewaring hadden gegeven. |
|
Zwaardadel |
Zie noblesse dépée. |
Dit is geen offici�e site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Patrick Moesick (1999)