Het ancien régime 1

Samenvatting door Patrick Moesick

het tijdvak van 1450 tot 1650

De renaissance

Historiografische inleiding

Renaissance
Het lijkt overbodig de toeschouwer bij te lichten als de renaissance, een wedergeboorte, volgend op een lange tijd van verval, aan de orde wordt gesteld. Men denkt aan een tijd waarin de steden in de plaats treden van kleurloze nederzettingen, een tijd waarin de mens zijn rijke erfgoed herontdekt, zich bewust wordt van zijn eigen ik, en nieuwe schoonheid begint te scheppen. Het is belangrijk te weten dat de mensen die het begrip renaissance in het leven riepen, humanisten waren: Italianen levend tussen 1300 en 1600. Zij waren zich echter onvoldoende bewust van de historische eigenaardigheden van hun tijd, maar ze wisten wel dat ze een belangrijke culturele herleving meemaakten. In de veranderingen, die zich vooral op het gebied van de wetenschap en de kunst manifesteerden, zag men een wedergeboorte van de klassieke oudheid.

Periodebegrip
Hoewel de tijdgenoten zelf hebben bijgedragen tot onze huidige interpretatie van het renaissancebegrip, kwam men er lange tijd niet toe de periode te zien als het begin van de Nieuwe Tijd.

Die Kultur der Renaissance in Italien (Jacob Burckhardt)
Als historisch periodebegrip wed renaissance in de loop van de negentiende eeuw geïntroduceerd en daarbij speelde het boek van Burckhardt een belangrijke rol. In zijn visie verwijst de term als periodebegrip niet alleen naar wedergeboorte, maar vooral naar het geheel van nieuwe verworvenheden die zich in dit tijdperk voordeden.

In tegenstelling tot andere geleerden die zich met de periode van de renaissance hadden beziggehouden, beperkte Burckhardt zich niet tot één aspect maar probeerde hij de geest van het tijdperk te vatten.

Nieuw is ook dat hij de renaissance beschouwde als een op zichzelf staande periode die aan de wieg stond van de moderne tijd een breuk betekende met de middeleeuwen.

In het eerste deel van zijn boek, Der Staat als Kunstwerk, betoogt hij dat in de Italiaanse staten een nieuw verschijnsel tot leven kwam; de staat als een menselijke schepping, als iets dat maakbaar is, en niet als iets dat berust op traditie of legitimatie. De staat is geen esthetische maar een rationele schepping. Uit deze gedachte vloeide in de ogen van Burckhardt dan ook de ontwikkeling van een nieuw mensentype, het individu voort.

Kritiek op Burckhardt

Mediëvisten
Beweerden dat de herleving van de geleerdheid zich al in de twaalfde eeuw had voorgedaan. Hun argumenten vallen uiteen in twee categorieën:
De renaissancemens is eigenlijk meer een middeleeuwer; in hun gedrag, vooronderstellingen en idealen waren ze traditioneler dan we denken.
In de middeleeuwen vonden verschillende renaissances plaats; in de twaalfde eeuw en in de Karolingische tijd. In beide gevallen was er sprake van prestaties op literair en artistiek gebeid met een herleving van de belangstelling voor de klassieke geleerdheid en in beide gevallen beschreven tijdgenoten hun tijd als een van herstel, wedergeboorte of vernieuwing..

Sociaal-economische historici
Zien in de Italiaanse renaissance slechts een vernieuwing onder de elite, die de gewone man onberoerd gelaten had.

Johan Huizinga
Werpt de gedachte op dat de renaissance niet zozeer de komst van iets nieuws was geweest, maar veeleer de verdwijning van het oude, een wegslijten van middeleeuwse vormen in het cultuurleven.

Peter Burke
Neemt afstand van het negentiende-eeuwse beeld van de renaissance als een gouden eeuw van creativiteit en cultuur. De kritiek op Burckhardt formuleert hij als volgt:
Hij accepteert de eigen beoordeling door de geleerden en kunstenaars van die tijd en voegt er nieuwe aan toe als individualisme, realisme en moderniteit. Hij houdt dus geen rekening met E.H. Carrs motto: Bestudeer de historicus voordat je de geschiedenis gaat bestuderen. Burckhardt heeft ongetwijfeld een aantal persoonlijke redenen gehad om de periode te interpreteren op zijn manier.

Burke verwerpt het renaissancebegrip als dat enkel wordt gebruikt in termen van een op zichzelf staand cultureel wonder, of als een plotseling ontstaan van de moderne tijd. Indien de term wordt gebruikt om een groep veranderingen in de westerse cultuur mee aan te duiden, is het een indelingsprincipe dat toch nog bruikbaar is.

De auteurs
Nemen een middenpositie in tussen het standpunt van de mediëvisten en sociaal-economische historici.


Achtergronden: het middeleeuwse Italië

Stadsrepubliek
De stadsrepublieken functioneerden als een bestuurssysteem waarmee de Popolo grasso (kooplieden) zich handhaafde tegen de Grandi (de edelen) en de Popolo minuto (de handwerkslieden). Desondanks deze organisatie waren er regelmatig factiestrijden tussen groepen van de popolo grasso. De meeste stadsgemeenten werden bestuurd door raden die uit de leden van de gilden werden gekozen.

De podestà , die de uitvoerende macht in handen had, werd aangetrokken van buiten de stad omdat hij geen sociale contacten met de burgers mocht onderhouden.

Daarom werd meestal naast hem een capitano del popolo aangesteld; een vertegenwoordiger van de burgers, die kan worden vergeleken met een ombudsman.

Tenslotte was er de condottiere die het huurleger, in dienst van de stadsrepubliek, aanvoerde.

Staatkundige indeling van Italië
In tegenstelling met bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland, waar in de loop van de middeleeuwen nationale monarchieën ontstonden, was er in Italië een staatkundige verbrokkeling en ontbrak het aan een centraal gezag. Verder kan nog worden vastgesteld dat het leenstelsel niet meer bestond in (Noord) Italië en dat de steden en handel al vroeg tot ontwikkeling waren gekomen. Door de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen was er in Italië sprake van een omvangrijkere klasse van geletterden en was de bevolking nauw betrokken bij de stedelijke politiek. Al deze aspecten droegen bij tot een wereldlijke gerichtheid.

Zuid-Italië werd een zelfstandig koninkrijk onder Normandische, Duitse, Franse en Spaanse heersers en de feodale verhoudingen bleven intact.

Midden-Italië, de gebieden tussen Rome en Ravenna, vormden de kerkelijke staat die onder het wereldlijk bestuur van de paus stonden.

Noord-Italië was in naam ondergeschikt aan het gezag van de Duitse koningen.

Investituurstrijd
In 926 werd de Duitse koning Otto I door de paus tot Rooms keizer gekroond en daarmee werd het begin ingeluid van het Heilige Roomse Rijk én een verstrengeling van de Duitse en Italiaanse politiek. De spanning tussen het wereldlijk gezag van de keizer en het geestelijk gezag van de paus leidde in de elfde en twaalfde eeuw tot een conflict over de vraag aan wie van beiden het recht toekwam bisschoppen aan te stellen. De pausen konden dit conflict in hun voordeel beëindigen, waardoor de Duitse keizers hun gezag verloren. Mede hierdoor konden de Noord-Italiaanse steden eigen bestuurlijke instellingen ontwikkelen en zelfstandigheid verwerven.


Herboren wetenschap

In deze periode was al veel werk van Aristoteles, Vergilius en Caesar teruggevonden en voor de geletterde burgers toegankelijk. De middeleeuwers die klassieke auteurs bestudeerden reikten bovendien verder dan het werk van Aristoteles alleen. Dit gegeven bracht de mediëvisten ertoe de term renaissance op te eisen voor een periode ongeveer driehonderd jaar voor de bloeitijd waar Burckhardt over schreef. Andere historici hebben deze aanval op Burckhardt echter afgeslagen door erop te wijzen dat het slechts om een zeer beperkte groep humanisten ging wiens kennis bovendien berustte op vertalingen uit de tweede hand (uit het Arabisch).

Erwin Panofsky
De kunsthistoricus Panofsky wees er echter op dat beslissende, fundamentele veranderingen toch pas in de tijd van de Italiaanse renaissance voltrokken werden. In zijn Renaissance and renascences in western art verdedigde hij de opvatting dat er sprake is van een renaissance in de zin van een periode met een eigen identiteit, onderscheiden van de voorafgaande en de volgende periode. Hiermee kan hij worden gezien als een representant van de periodeafbakening zoals door Burckhardt werd vooropgesteld.

Humanisten
De humanisten vormden in het Italië van de veertiende en vijftiende eeuw een nieuwe klasse van geletterden. Anders dan de middeleeuwers waren zij doorgaans geen geestelijken maar leken. De auteurs spreken in de hoofdstuk trouwens over herboren wetenschap omdat de humanisten de klassieke oudheid op een meer kritische manier gingen behandelen.

Volgens de humanisten beschikten de auteurs uit de klassieke oudheid over kwaliteiten die de middeleeuwse scholastieke geleerdheid vreemd waren, in het bijzonder een grote weetgierigheid. Bovendien stelden zij vraagstukken aan de orde ten aanzien van politiek en maatschappij waarvoor de humanisten veel belangstelling hadden.

De middeleeuwse geletterden beperkten zich ertoe de werken van de klassieken in te passen in het christelijk wereldbeeld.

De humanisten gingen op zoek naar nieuwe teksten; hun belangstelling was anders gericht. Zij werden in de klassieke geschriften, die vaak met een praktisch doel waren opgesteld, geconfronteerd met vraagstukken die hen ook bezighielden.

Zo kreeg de studie van de klassieke auteurs een dubbele betekenis voor de humanisten: een literaire bewondering voor vorm en stijl, maar ook een inhoudelijke relevantie voor de eigen tijd.

De klassieke beschaving diende als voorbeeld van een nieuw schoonheidsideaal, een nieuwe ethiek en als model voor de eigentijdse samenleving.

Dante Alighieri (1265-1321)

In het werk van Dante treffen we een mengeling aan van middeleeuwse scholastieke opvattingen en van antieke trekken. Zo wordt Dante in de Divina Commedia niet begeleid door een engel of een heilige, maar door Vergilius wiens poëzie tot het erfgoed van de oudheid behoorde.

Fransesco Petrarca (1304-1374)

Petrarca wordt nogal eens aangeduid als de eerste moderne mens. Die titel dankt hij aan zijn liefde voor de natuur, en voor een ander deel omdat de manier waarop hij de klassieke auteurs bestudeerde hem in staat stelde de sfeer van hun Latijn mee te geven aan zijn eigen geschriften.

Petrarca laat ons ook zien welke veranderingen op politiek gebied de achtergrond vormden van zijn optreden: hij was een fervent patriot en steunde Cola di Rienzi (1313-1354), een Romeins rebel die in Rome een republiek uitriep, en die zich keerde tegen de paus die toen in Avignon verbleef. Waarschijnlijk vond de voorkeur van de Italianen voor de Latijnse klassieken steun in hun patriottische gevoelens.

Giovanni Boccaccio (1313-1375)

In tegenstelling tot Petrarca, was diens vriend en leerling, wellicht zelfs als eerste in het Westen, het Grieks machtig. Aan deze allereerste humanisten kan men dus zien dat de studie van het Grieks op de achtergrond bleef naast die van het Latijn.

Boccaccio is een goed voorbeeld van nog een typische activiteit van de vroege humanisten: het verzamelen van antieke manuscripten.

Coluccio Salutati (1331-1406)

Als er een scheidslijn kan getrokken worden tussen de drie bovenstaande auteurs en de echte renaissance van Burckhardt, dan is het meer een symbolische dan een duidelijk aanwijsbare. De loopbaan van deze Florentijnse humanist kan dat nog iets duidelijker maken. Hij stelde dat de antieke schrijvers in alle vrijheid en openheid bestudeerd moesten kunnen worden. Dit was wellicht de eerste openlijke aanval op de kerkelijke opvatting. Later zou hij de klassieke auteurs gebruiken om zijn stadsgenoten in patriottistische geest te beïnvloeden. Toen in 1390 de tiran van Milaan, Giangaleazzo Visconti, Florence de oorlog verklaarde, hield Salutati de wil tot verweer overeind door de burgers te wijzen aan de burgerzin van de oude Romeinen.

In de tijd van Petrarca en Boccaccio zag de kerk nog argwanend toe op de studie van de klassieken, en had een verwrongen beeld van de seculiere, niet-gekerstende wereld van de Oudheid.. De klassieke auteurs werden ingedeeld in twee groepen en hun geschriften werden, al naargelang ze de middeleeuwse theologische gedachten ondersteunden, bij de ene of de andere groep ingedeeld. Zo behoorde Aristoteles tot de witte schapen, terwijl Ovidius vanwege zijn minnepoëzie tot de groep van de zwarte schapen werd gerekend. Bij de dood van Boccaccio en Petrarca was de ware geest van de klassieken met hun sfeer van wereldsheid dus nog allerminst ontsloten.


Van republieken naar alleenheerschappijen

De stadsrepublieken waren nog geen ideale kweekplaats voor een intellectuele en artistieke heropleving:

De burgercomités waren geen ideale beschermheren van kunst en wetenschap omdat ze meestal onderling verdeeld waren, zodat de uiteindelijke som die werd besteed nogal schamel was.

De veertiende eeuw was een chaotisch tijdvak. De factiestrijd binnen de stadgemeenten en rivaliteit tussen de steden legden een beslag op de beschikbare geldmiddelen.

Tenslotte was er, in 1348 en volgende jaren, de Zwarte Dood, de pestepidemie met een nasleep van economische depressie en sociale onrust.

Onder dergelijke omstandigheden opdrachten voor openbare gebouwen en fondsen voor culturele doeleinden tot een minimum beperkt bleven. Petrarca en Salutati moesten dan ook werken voor de kost; Salutati in administratie en Petrarca als politiek adviseur en publicist.

Maar Italië veranderde, en dat deden ook de stadsrepublieken; zij vielen de een na de ander in handen van despoten.

Uiteindelijk leidden factietwisten, rivaliteit tussen de steden en interventies van buitenaf tot het einde van de stadsrepublieken. Ferrara viel in handen van een adellijke familie, de dEstes, en Pisa in die van een condottiere, Castruccio Castracane. Milaan kwam in handen van verwanten van de aartsbisschop (Visconti). Andere steden werden opgeslokt door grotere buren en slechts een paar steden konden vasthouden aan hun republikeinse constitutie: Venetië, Genua en Sienna.

Besluitend kan men stellen dat republikeins bestuur reeds verdween voor het einde van de veertiende eeuw, of tot een eind kwam voor het midden van de vijftiende eeuw (Florence).

Wat een ramp was voor de republikeinse instellingen, bleek een zegen voor wetenschap en kunst. Onder het patronaat van de despoten konden de schone letteren en beeldende kunsten zich ontplooien. De beschavingsopbloei werd verder versneld door veertig jaren vrede na het verdrag van Lodi in 1454. Deze zogenaamde gouden eeuw (quattrocento) was overigens geen periode van grote welvaart, zoals de dertiende eeuw en het begin van de veertiende. Italië was, net als de rest van Europa, een tijdvak ingegaan dat werd gekenmerkt door een langdurige depressie die volgde op de epidemie van 1348.
Deze omstandigheden zetten echter geen domper op het cultuurleven.

De despoten beschikten immers over voldoende middelen om te investeren. Aangezien het weinig winstgevend was te beleggen in land, leek kunst een alternatief om overschotten weg te werken.

Despoten konden met hun patronage tevens de illusie wekken dat ze regeerden bij de gratie van superieure eigenschappen en bekwaamheden.

Ondertussen bleef het artistiek en literair talent in ruime mate beschikbaar omdat het niveau van vakbekwaamheid en geleerdheid hoog was gebleven. Studies (o.a. Peter Burke) hebben uitgewezen dat humanisten afkomstig waren uit families van aanzien en dat hetzelfde het geval was voor de belangrijke vernieuwers uit de beeldende kunsten. Hieruit kan blijken dat veel van het Italiaanse cultuurgoed van de renaissance aan de middeleeuwen ontleend was, want de familietraditie van de grote vernieuwers moet reeds vroeger gevestigd zijn.


Humanisten, kunstenaars en hovelingen

Kunstpatronage
Waar in de middeleeuwen de kunst voornamelijk werd gebruikt ter meerdere eer en glorie van God, diende ze tijdens de renaissance voornamelijk om het prestige van de opdrachtgever te versterken. In de vijftiende eeuw waren er zeven belangrijke centra waar humanisten, architecten en schilders konden hopen op enige vorm van patronage: Milaan, Ferrara, Mantua, Napels, Urbino, Rome en Florence.

Van deze zeven was Florence vrijwel steeds de belangrijkste, vooral na 1434, toen Cosimo de Medici er aan de macht kwam. Boccacio had zijn bibliotheek aan de stad vermaakt, en de twee kanseliers , Salutati en Leonardo Bruno (1369-1444) hadden de faam van de stad als centrum van geleerdheid en kunst vergroot. De hele eeuw behield Florence de leiding op dit gebied, doordat het van bij het begin reeds een belangrijk centrum was, maar ook omdat de De Medici (Cosimo, zijn zoon Piero il Gottoso en zijn kleinzoon Lorenzo il Magnifico) hun geleerden en kunstenaars met kennis van zaken uitkozen en bereid waren geld te investeren.

Toch waren ook de andere zes centra niet zonder belang:
Urbino: hertog Federigo da Montefeltro (144-1482).
Napels: koning Alfonso I (de grootmoedige) (1435-1458).
Ferrara: de dEstes.
Mantua: de Gonzagas - steun aan geleerden als Vittorino de Feltre (1373-1446) en Guarino da Verona en aan schilders als Andrea Mantegna (1431-1506).
Milaan: de hofkring rond Lodovico Sforza, meer bepaald rond diens echtgenote Beatrice dEste. De beroemdste man in deze omgeving was ongetwijfeld Leonardo da Vinci (1452-1519).

De boeken, gebouwen en schilderijen van de mannen die in deze centra werkten mogen worden gezien als product van de creativiteit waarop de faam van het Quattrocento berust.

Voor de moderne mens hecht de roem zich vooral aan de tastbare kunstwerken, maar voor de tijdgenoten beruste het aanzien bij de herontdekking van de teksten uit de klassieke Oudheid. Daardoor bekleedden de humanisten een hogere sociale positie dan de beeldende kunstenaars.

Contract
In deze periode waren de kunstenaars voor hun broodwinning afhankelijk van opdrachten. De kerk, de Italiaanse vorsten, maar ook stadsbestuurders en kooplieden waren bereid grote sommen geld te investeren in kunstprojecten. De kunstenaar speelde daarbij een ondergeschikte rol: hij werd geacht de opdracht als een vakbekwaam ambachtsman uit te voeren. De opdrachtgever bepaalde contractueel hoe het kunstwerk eruit moest zien, welk materiaal gebruikt moest worden, enz. In een dergelijk contract werden een aantal terugkerende voorwaarden genoemd:

Er wordt gezegd wat de kunstenaar moet schilderen (voorstudie).

Er wordt gesteld hoe en wanneer de opdrachtgever moet betalen.

Er wordt een leverdatum genoemd.

De kwaliteit van de kleurstoffen wordt vastgelegd.

Kunstenaars probeerden zich zelf te onderscheiden van anderen, zodat de kunst zich steeds verder ontwikkelde. Anders dan de middeleeuwse kunstenaar probeerde de renaissancekunstenaar de werkelijkheid te imiteren en om dat effect te kunnen bereiken moest hij zijn intellect gebruiken (perspectief). Daardoor werd hij steeds meer beschouwd als een beoefenaar van de wetenschappen. Dit feit en de grote vraag naar kunst had een statusstijging tot gevolg.


Kritische filologie

Het verzamelen en bestuderen van manuscripten met afschriften van antieke teksten leidde tot de ontdekking van tekstafwijkingen. De problemen die daaruit voortvloeiden konden enkel worden opgelost door vergelijking en onderzoek. De humanisten analyseerden de taal en de historische achtergrond van de auteur om de eigenaardigheden van zijn stijl en zijn milieuachtergrond te ontdekken. De belangstelling van de humanisten ging in de eerste plaats uit naar de literaire, taalkundige en stilistische kwaliteiten van de antieke geschriften. Ze beperkten zich niet tot het passief genieten van deze literatuur, maar namen haar ook als model voor hun eigen literaire voortbrengselen.

Lorenzo Valla (1407-1457)
Wist wat men op het gebied van woordkeuze en zincombinatie mocht verwachten van een antiek auteur, en waas daarbij een bekwaam historicus die besefte wat de Oudheid onderscheiden had van de vroege middeleeuwen. In 1440 onthulde hij de Donatio Constantini een vervalsing was. Keizer Constantijn zou in dit document de overdracht van zijn wereldlijk en geestelijk gezag aan de paus hebben bevestigd. Valla bewees echter met behulp van de regels der interne tekstkritiek dat het document niet echt kon zijn.

Erasmus
Op lange termijn kon met de werkwijzen die Valla perfectioneerde, nog veel meer bereikt worden. Buiten Italië werden de methoden dan ook gebruikt door bijbelonderzoekers als Erasmus.

Marsilio Ficino (1433-1499)
Dat men vandaag de Italiaanse geletterden soms de eer niet geeft die hen toekomt, kan worden geïllustreerd met het werk van Marsilio Ficino en zijn tijdgenoot Giovanni Pico della Mirandola (beschermelingen van de De Medici). Ficino vertaalde teksten van Plato in het Latijn, en probeerde de opvattingen van deze antieke filosoof op één lijn te brengen met de van de christenheid (vgl. Thomas van Aquino met vertalingen van Aristoteles). Pico had niet alleen deel aan deze activiteit, maar was ook een van de eerste christenen die het klassiek Hebreeuws bestudeerden.


De artistieke opleving

Lineair perspectief
Hoewel de Romeinen de theorie van het perspectief kenden, blijkt uit de wandschilderingen in Pompeji dat ze die niet verder ontwikkelden en gebruikten. Gedurende de renaissance werd de kunst ontwikkeld naar een groter realiseer. Naast de studie van de anatomie en proportionering van het menselijk lichaam is de aandacht voor het lineair perspectief het belangrijkste middel tot verhoging van het realisme van de voorstelling in de schilder- en tekenkunst van de renaissance.

Het is waarschijnlijk dat Filippo Brunelleschi het principe verder heeft uitgewerkt. Later kwam Tomasso Guidi Masaccio - (1401-1428) tot een eerste toepassing in de schilderkunst. Vitruvius merkt reeds op in De Architectura dat bij een welgekozen standpunt en afstand ten opzichte van een afbeelding de lijnen naar één centraal punt worden geleid (verdwijnpunt). Brunelleschi werkt deze gedachten uit in zijn ontwerp voor de vloer van de kathedraal van Florence. Masaccio brengt deze ideeën verder en introduceert daarmee echte diepte en een nieuwe richting in de westerse kunst.

Leon Battista Alberti (1404-1472)
Heeft als eerste in zijn De pictura de perspectivische regels voor de schilderkunst op schrift gezet, gebruik makend van de studies van Brunelleschi.

De renaissancestaat en het individu

Antropocentrische wereldbeschouwing
Het middeleeuwse wereldbeeld van een gesloten, statische wereldordening, sloot steeds minder aan bij de dynamische werkelijkheid van het veertiende- en vijftiende-eeuwse Italië. Het theocentrisch wereldbeeld maakte plaats voor een antropocentrische wereldbeschouwing. Het middeleeuwse ideaal van ascese en contemplatie maakte plaats voor vita activa en virtù.

In die zin was ook de politiek maakbaar en kon de staat als een menselijke schepping worden opgevat. Burckhardts titel de staat als kunstwerk zou kunnen leiden tot de gedachte dat heersers een ideale bestuursvorm hadden uitgevonden. Burckhardt bedoelde dit zeker niet. Hij wou enkel aantonen dat in Italië een nieuw mensentype naar voren kwam, zelfbewust en trots op eigen prestaties.

Niccolo Machiavelli (1469-1527)
Burckhardt heeft in die richting gedacht onder invloed van het boek De Heerser, van Machiavelli. Op het eerste zicht lijkt het een beschrijving van de geseculariseerde politiek in die dagen, maar men is het zeker nog niet eens over wat nog meer bedoeld werd. Machiavelli ontdeed het politieke denken van theologische en moraalfilosofische uitgangspunten. Niet of gedragingen van heersers goed waren en pasten in de door God bedoelde orde, maar of zij in het praktische leven succesvol waren, was zijn maatstaf.

Hij heeft echte wel een spoor uitgezet waarlangs Burckhardt kon leren begrijpen hoe de toenmalige Italiaans heersers waren. Op het gebied van vernieuwing van instellingen waren de Italiaanse staten immers niet de ijverigsten.

Daarbij mag uitzondering worden gemaakt voor één verschijnsel dat wel nieuw was: de residerende ambassadeur. In de vijftiende eeuw benoemden de Italiaanse heersers diplomatieke gezanten die permanent resideerden in de belangrijkste hoofdsteden. Deze vernieuwing voltrok zich omdat de despoten wilden kunnen reageren op de ontwikkelingen in het buitenland. Deze noodzaak werd verstrekt in de jaren na het verdrag van Lodi, toen het politieke evenwicht in Italië verstoord dreigde te raken. Deze vernieuwing werd al snel overgenomen door andere Europese heersers. Voor het overige bracht Italië echter meer individuen van formaat voort dan instituties.

Omdat men in het openbaar bestel alles wat aan het leenstelsel herinnerde verwierp lang voordat dat elders in Europa gebeurde, verwierpen de heersende elites de gedachte dat erfelijke adeldom van wezenlijk belang zou zijn. Die bood immers geen garantie voor bestuurlijke bekwaamheden, en voegde ook niets toe aan iemands maatschappelijke waarde. De geringschatting van de adel werd versterkt door de kennis van de antieke auteurs die als ideaal verkondigden dat de mens al zijn mogelijkheden tot ontwikkeling diende te brengen en zo naar erkenning moest streven. Het was zoals Baldassarre Castigliones in zijn Il Cortegiano schreef: het was beter welopgevoed te zijn dan alleen maar van hoge geboorte.


De verbreiding van de renaissance en haar gevolgen

Het is opmerkelijk dat het verdrag van Lodi veertig jaar stand hield. Dat lukte alleen omdat de belangrijkste staatshoofden zich bewust waren van de gevaren die hen bedreigden van landen over de Alpen zich zouden bemoeien met Italiaanse conflicten. Het verdrag eindigde toen Lodovica Sforza de Fransen verzocht om hulp bij zijn conflict met Napels. Vanaf dat moment was Italië het slagveld voor vreemde legers (1494-1559).

Intussen had de landstaal gezegevierd en in Italië speelden de humanisten dan ook niet langer een rol van betekenis. Enkel in Rome en Venetië ging het rijpingsproces wat betreft de artistieke aspecten door. De overdracht van het Italiaanse cultuurgoed naar de rest van Europa laat zich het gemakkelijkst omschrijven aan de hand van kunststijl. Via kunstenaars die naar Italië reisden, via Italiaanse kunstenaars die opdrachten uitvoerden voor buitenlandse opdrachtgevers en doordat kunstenaars ten noorden van de Alpen kunstwerken uit Italië te zien kregen.

In andere opzichten bleef de rest van Europa echter ontoegankelijk voor de Italiaanse beschaving.

De adel had er nog een alleenrecht op overheidsfuncties en op contacten met het hof.

De Italiaanse heersers maakten weinig gebruik van het Romeins recht dat nochtans door hun legisten was herontdekt en ontwikkeld.

De humanisten buiten Italië gingen anders om met teksten uit de klassieke oudheid en pasten de tekstkritiek ook toe op de bijbelstudie. Bovendien bestond de hofkring van de vorsten in het Noorden uit aristocraten en niet uit intellectuelen. De humanisten in het Noorden moesten in hun eigen onderhoud voorzien, en konden in mindere mate beroep doen op een mecenaat.

De humanisten buiten Italië maakten op grote schaal gebruik van de drukpers. In dit verband is het belangrijk op te merken dat de renaissance ook de idealen van opvoeding en onderwijs heeft vernieuwd. Door gebruik te maken van drukwerk, konden in het Noorden konden teksten wijder verspreid worden. Het onderwijsdoel richtte zich uiteindelijk niet alleen tot de bovenlaag van de bevolking, maar wou ook volksonderwijs tot stand brengen.

Wat de secularisatie betreft is het onjuist te stellen dat de renaissance een onchristelijke sfeer uitademde. Men handelde zeker niet doelbewust tegen het geloof in. Wat zich voltrok was een secularisering van enkele levensterreinen. Al bij al zal de Italiaanse renaissance meer in het artistieke en het intellectuele vlak hebben uitgeblonken dan op maatschappelijk gebied.


Het karakter van de periode tot 1650: de economische aspecten

Historiografische inleiding

Dit hoofdstuk wordt geopend met de vraag welk jaartal - 1500 dan wel 1450 best bruikbaar is als beginjaartal voor de Nieuwe Geschiedenis. Omdat het geen zin heeft verandering te registreren zonder de startsituatie te kennen, is het nodig te weten hoe Europa er tussen 1450 en 1500 uitzag.

Het was een Europa waar men nog niet veel kennis had van de buiten-Europese wereld. Een Europa bewoond door een nog onverdeelde christenheid. De scheiding tussen de katholieke en orthodoxe christenen was nog geen al te brede kloof geworden, zodat men nog in de zeventiende eeuw met de woorden het christendom ook ons werelddeel kon aanduiden. Alleen de gebieden waar de Turken heersten waren daar niet onder begrepen.

Europa was nog niet onderverdeeld in staten met scherpomlijnde landsgrenzen. Het woord staat begon pas in de zestiende eeuw een voor ons min of meer herkenbare betekenis te krijgen.

Het pauselijk én het keizerlijk gezag hadden beide nog een pretentie van universaliteit die ze niet meer goed waar konden maken. De opmars van de Turken (na de verovering van Constantinopel in 1453) ging nog voort in de richting van Wenen. Daarbij gingen de Balkan en grote gedeelten van de Middellandse-Zeekust voor de christenheid verloren. Men zag in de Turkse opmars een gevaarlijke bedreiging, maar tegelijk was men er zich niet van bewust dat het Ottomaanse Rijk er niet p uit was bekeerlingen te maken.

Dat de bekleders van de keizerlijke waardigheid, de Habsburgers, grote macht was toegevallen, dankten zij aan hun erflanden en aan hun huwelijkspolitiek. Door de omvang van het keizerrijk (Oostenrijk, de Nederlanden, de Spaanse kronen, ...) was hun positie echter zeer onduidelijk. Aan de keizerlijke bemoeienis met Italië was eigelijk na 1300 al een einde gekomen en toen Karel V in 1527 Rome bezette, deed hij dat vooral als Spaans koning. Karel omsingelde met zijn bezittingen het koninkrijk van de Franse Valios-dynastie en in de conflicten die daaruit voortvloeiden was Spanje nogal eens verbonden met Engeland en Frankrijk met Schotland.

Engeland bemoeide zich onder het bewind van de Tudors (1485-1603) in toenemende mate met de naar taal en organisatie anders georganiseerde Keltische rijken Schotland en Ierland. Bij de christenheid hoorden dan ook nog de Scandinavische landen, Polen en Rusland.

Europa was in die dagen dus een lappendeken met gezagsoverlappingen en vage of omstreden grenzen. Tot voor kort waren veel historici dan ook bezig met de wordingsgeschiedenis van de afzonderlijke staten in Europa. Pas sinds de Tweede Wereldoorlog is er een groeiende belangstelling voor sociale en economische geschiedenis, waardoor men wat meer over de nationale grenzen heen is gaan kijken. Deze hernieuwde belangstelling heeft tot belangrijke inzichten geleid, maar die zijn nog niet algemeen aanvaard. Het is daarbij niet van het allergrootste belang hoe men het begintijdvak van de Nieuwe Geschiedenis precies afgrenst; zoals Braudel (1450-1650) of vasthouden aan het gebruikelijke startpunt 1500 en minder belang hechten aan een eindjaartal. Belangrijk is wél dat men vanuit het ingenomen standpunt het tijdsbestek van de hele zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw overziet.

Binnen dit tijdsbestek is er één algemeen historisch probleem dat verband houdt met de economische ontwikkeling van die periode; de inflatoire groei van de Europese economie in de zestiende eeuw.

Men ging er wel eens vanuit dat de invoer van Amerikaans zilver de belangrijkste oorzaak was van de stijgende prijzen, maar hiervoor werd eigenlijk geen overtuigend bewijsmateriaal gevonden. Daarnaast werden later nog andere argumentaties naar voren gebracht die dan samen kunnen dienen als een groep factoren waardoor men de prijsrevolutie wat kan verhelderen.

Ook de discussie over de afloop van die groeiperiode gaat nog steeds door. Daarbij zijn nog enkele controversen van eerdere datum belangrijk:

Het meningsverschil over de aard van het mercantilisme waarvan de meeste historici thans wel toe geven dat het geen rationeel economisch stelsel is geweest, maar een soort overheidsgedrag dat werd gebaseerd op heel algemenen economische inzichten die weinig samenhang vertoonden en van land tot land verschilden.

Een tweede controverse is de stelling van Max Weber dat het protestantisme in de zestiende en zeventiende eeuw zou hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van het kapitalisme in Europa.


Het nieuwe van de nieuwe geschiedenis

Fernand Braudel
De late middeleeuwen waren in economisch en politiek opzicht niet zo primitief als we veronderstellen. Evenmin was het leven in de zestiende eeuw ontdaan van middeleeuwse karaktertrekken. We kunnen dan ook beweren dat het vroeg-moderne Europa uit de Europese middeleeuwen is voortgekomen, net zoals we kunnen stellen dat het de voorloper van onze hedendaagse wereld is.

Deze idee lag ook aan de oorsprong van de nieuwe cesuur die Braudel in 1450 plaatste (i.p.v. 1500). Hij argumenteerde dat aan de zestiende-eeuwse prijsrevolutie en prerevolutie in de prijzen was voorafgegaan. In dat jaar begon immers een nieuwe periode van bloei en de symptomen van voortgang van een eerdere periode waren nog intact gebleven: stedelijk leven, geldeconomie (waardoor de heerlijkheidsorganisatie en het leenstelsel werden uitgehold), aanzetten van kapitalistische productie en handelsverkeer tussen de Middellandse Zee en de Noord- en Oostzee.

Proces van schaalvergroting
De voedselproductie en de nijverheid waren echter nog vooral plaatselijk opgezet. Juist in de tijd van verval (1320-1450) waren plaatselijke producenten betrokken geraakt bij het stadsbestuur, waardoor ze monopolies konden bemachtigen voor hun gilden. Toch was er al vraag naar artikelen die men ter plaatse niet produceerde (wijn, specerijen, enz.). Aan het einde van de middeleeuwen leefde de Europese bevolking binnen politieke, sociale en economische structuren die nog sterk lokaal getint waren. Het begin van de nieuwe tijd werd gekenmerkt door een versneld proces van schaalvergroting.

Politiek, door de versterking van het centrale gezag en de groei van nationale instellingen.

Economisch, door de toename van de bevolking en de landbouwproductie, maar ook door de uitbreiding van binnenlandse en buitenlandse handel.

Cultureel, door de verspreiding van de drukpers en de ontdekking van overzeese gebieden.

Heerlijkheidsorganisatie
Voor de moderne tijd werd de economie op het platteland bepaald door de heerlijkheidsorganisatie. In dit systeem was de boer praktisch onvrij (horig). Met de groei van de geldeconomie werd het voor de landbezittende adel echter financieel aantrekkelijk hun horigen vrij te maken en grond tegen een geldsom te verpachten of aan vrije boeren te verkopen.

Gilden
De belangrijke rol die de gilden traditioneel in de stedelijke economie hadden vervuld ging in deze periode verder achteruit. De gilden gingen immers steeds meer een belemmering vormen voor economische vernieuwing, doordat zij door hun monopolies de introductie van nieuwe technologieën, de vestiging van concurrenten en de doorstroming binnen de eigen beroepsgroep tegenhielden.

Waren na 1500 alle factoren van hetzelfde gewicht gebleven, dan zou Europa waarschijnlijk de welvaart herwonnen hebben die het tot omstreeks 1320 bezat, en zou het zich verder ontwikkeld hebben langs de lijnen van een middeleeuws soort ontwikkeling. Het feit dat men omstreeks 1500 een versnelde periode van verandering binnentrad lijkt vooral een gevolg van vijf factoren.

De ontdekking van een weg over zee naar Voor-Indië (1486-1499), de ontdekking van Amerika (1492), de omzeiling van de wereld (1520-1521) en de vestiging van Portugese en Spaanse overzeese rijken omstreeks 1500.

Luthers breuk met Rome waarop een reeks kerkhervormingen, maar ook de godsdienstoorlogen volgden.

Technologische vooruitgang, waaronder bronzen kanonnen, zeilschepen en navigatietechnieken en het algemeen in gebruik nemen van de drukpers.

Door het algemeen gebruik van de drukpers konden de geest van het humanisme en de Italiaanse renaissance en de geschriften van de kerkhervormers snel verspreid worden.

Door het samenspel en het cumulatief effect van deze factoren werd hun gevolg vergroot.

Er brak een tijd aan die steeds duidelijker ging verschillen van alle voorafgaande perioden, maar tegelijk waren er ook wel degelijk dingen die weinig of niet veranderden. De veranderingen waren bovendien niet voor iedereen een verbeteringen en het proces van verandering riep heel wat spanningen en conflicten op.

Zestiende-eeuwse demografie en economie

De economische groei van de zestiende eeuw vond een fundament in een groeiende bevolking. We kunnen deze stelling innemen wanneer we ervan uitgaan dat een periode met minder ziekte en goede oogsten tot bevolkingsgroei zal leiden en dus tot een toeneming van de consumptie. Hoewel volledige gegevens ontbreken, kunnen we toch vaststellen dat de terugkeer van de welvaart na de rampspoed van de veertiende eeuw berustte op een positieve gang van zaken voor landbouw en bevolking.

De bevolkingsgroei was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de economische expansie van de zestiende eeuw. Tegelijkertijd kwam de samenleving door de bevolkingsexplosie onder spanning te staan: de vraag naar primaire levensbehoeften en land nam sterk toe, er ontstond concurrentie op de arbeidsmarkt, sociale spanningen kwamen aan de oppervlakte en de steden raakten overbevolkt.

De groei van de bevolking was bovendien mede verantwoordelijk voor de prijsrevolutie die verregaande maatschappelijke gevolgen had. De grootste slachtoffers waren de loonarbeiders, de boeren en de landeigenaren. Uiteindelijk bleken alleen de rentmeesters, belastinginners en pachters te profiteren.

In de zestiende eeuw werd de kapitalistische mentaliteit een factor van betekenis onder invloed van de toenemende vraag naar allerlei producten.

De textielindustrie was de eerste tak van nijverheid waar sprake was van massaproductie en massaconsumptie. Al voor 1500 distribueerden ondernemers weefgetouwen en wol onder gezinnen op het platteland die ze daarna betaalden naar rato van het aantal afgewerkte weefsels (putting-out-system). Ondanks de tegenwerking van de gilden konden ondernemers hun activiteiten uitbreiden, omdat de gilden niet bij machte waren hun prijzen snel aan te passen en te voldoen aan de vraag van de groeiende bevolking. Belangrijk hierbij op te merken is dat de gilden hun aanzien en invloed hadden verworven in tijden van rampspoed en teruglopend bevolkingsgetal. Daardoor waren ze er op ingesteld hun leden een bescheiden inkomen te garanderen bij een inkrimpende markt.

De binnenlandse vraag alleen zal waarschijnlijk onvoldoende zijn geweest om het kapitalisme veilig te stellen. De mogelijkheden die door de Europese expansie overzee ontstonden, hebben daartoe echter evenzeer bijgedragen. Ook hier zien we weer het fenomeen van elkaar versterkende factoren.

Uitbreiding van de overheidsbedrijvigheid

Er zijn duidelijke bezwaren verbonden aan het feit dat we ons in dit hoofdstuk vooral bezighouden met vernieuwingen op het gebied van de economie. Deze bezwaren manifesteren zich ook wanneer we de gevolgen behandelen die de economische veranderingen met zich meebrachten voor vorsten en wereldlijke overheden. Het lijkt dan alsof zij zich zo maar afwendden van de traditionele rol die ze vervulden. We kunnen hier echter reeds stellen dat zij reeds snel betrokken raakten bij de kapitalistische activiteiten, zowel als consumenten alsook als leners van geldbedragen.

Zonder de ontwikkeling van technologie en de opkomst van een kleine groep kapitaalkrachtige personen, zouden de vorsten blijven steken zijn in hun rol van primus inter pares. Omdat technologische nieuwigheden (kanonnen) bijzonder kostbaar waren, moest een vorst deze middelen financieren met hulp van leningen. Daardoor zag hij zich genoodzaakt het administratief apparaat uit te breiden en belastingen te verhogen, om de leningen af te lossen.

Vorsten zagen zich gedwongen het economisch welzijn van hun land te behartigen als gevolg van een behoefte aan omvangrijke middelen. Zo begonnen ze te letten op de welvaart van hun gebied en richting te geven aan een economisch beleid. Eli Hekscher heeft er op gewezen dat hun plannen nogal wat overeenkomst vertoonden met die van de door gilden beheerste steden. Ook die hadden hun eigen belang behartigd door de bedrijvigheid binnen het eigen areaal onder controle te houden. Dit protectionisme leidde in de zeventiende eeuw tot een aantal handelsoorlogen.

Mercantilisme is de term die in dit verband door negentiende-eeuwse economische historici werd bedacht voor de min of meer bewuste economische politiek die werd gevoerd om de groeiende behoefte aan inkomsten te dekken. De nadruk lag daarbij op de stimulering van handel en industrie met als uitgangspunt de staat van meer financiële middelen, en daardoor meer macht te verzekeren. De voornaamste kenmerken van het mercantilisme waren:

Streven naar een politiek en economisch sterke staat door vergroting van de hoeveelheid edelmetaal.

Stimulering van handel en export alsmede de beperking van import en buitenlandse mededinging.

Verlenen van monopolies aan steden of belangengroepen en de exploitatie van koloniale gebieden.


De problemen rond de overheidsfinanciën

De verdere ontwikkeling de overheidsfinanciën

Tot het midden van de zeventiende eeuw was het droevig gesteld met de geldmiddelen van de overheid:

De centralisering van het bestuur had niet geleid tot een veilig financieel uitgangspunt voor de overheid en de pogingen om nieuwe belastingen te heffen liepen doorgaans op mislukkingen uit.

In de meeste Europese landen was de adel grotendeels vrijgesteld van financiële lasten en het was voor een vorst riskant om daarin verandering te brengen. Zo kwam keizer Karel V in 1538 in een lastig parket te verkeren, toen hij poogde geld los te krijgen van bevoorrechte groepen in Castilië. In Engeland kwamen de Stuarts een eeuw later in eenzelfde situatie terecht bij pogingen om ook het binnenland te laten bijdragen aan de bouw van een vloot.

De kroon werd geacht zijn bestaan te funderen op traditionele inkomsten: de heffingen geheiligd door enig precedent. Omdat de koninklijke behoeften, zeker in oorlogstijd, met dergelijke inkomsten niet gedekt konden worden, zagen de zestiende- en zeventiende-eeuwse vorsten zich genoodzaakt beroep te doen op geldschieters.

Zo hielpen de Augsburgse Fuggers de oorlogen van Karel V te financieren. In ruil kregen ze landerijen in pand en te verwachten inkomsten, onder meer uit de Nieuwe Wereld. Aanvankelijk leken Karel V en zijn zoon Filips II debiteuren waarmee men weinig risico liep. Maar de financiers hadden geen rekening gehouden met de grote sommen die aan de oorlogen werden besteed. Verder weren de gebruikte financieringstechnieken zo warrig en ingewikkeld dat soms dezelfde inkomsten werden toegekend aan meer dan één geldschieter.

De bankiers van de zestiende eeuw waren nog geen zakelijk ingerichte moderne maatschappijen. Ze werden nog in overeenstemming met het familiebelang geleid en vaak waren zakenrelaties onderling door verwantschap met elkaar verbonden. In andere opzichten waren de banken wel reeds geraffineerd georganiseerd: men beschikte over eigen hulpmiddelen om inlichtingen te verkrijgen en zo belangen veilig te stellen. Andere kleinere bedrijven stelden zich veilig door te specialiseren, bijvoorbeeld in zeeverzekering.

Het duurde echter niet lang tot de regeringen verstandig gebruik gingen maken van de beurs en de mogelijkheden die kredietverstrekkers en leners al hadden om met elkaar in contact te komen.

De beurs van Amsterdam (opgericht 1611) werd al snel de plaats waar men kon intekenen op leningen aangegaan door de Staten-Generaal om de strijd tegen Spanje te financieren. Deze werkwijze week af van het oude systeem waarbij vorsten geld leenden op onderpand. In de plaats werden schuldbrieven te koop aangeboden aan ieder die bereid was de staat krediet te verlenen. In de Nederlandse Republiek konden de rentepercentages laag worden gehouden omdat men punctueel was met de rentebetalingen.

Ook in frankrijk begon men in de zeventiende eeuw met de uitgifte van dergelijke staatsschuldbrieven, de rentes. Zo ontwikkelde zich geleidelijk de moderne vorm van publieke schuld.

Men kende dus reeds het bankpapier én de overdraagbare staatsschuldbrieven. Een nationale bank is echter pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw ontstaan (Engeland 1694).


Mijnbouw en prijsrevolutie

De ontdekking en verscheping van zilver en goud deed de Europese geldvoorraad, vooral voor 1620, toenemen. De gevolgen van deze import voor de prijsstijgingen van de zestiende eeuw werd de inzet van verschillende debatten onder historici.

Zo probeerde Earl J. Hamilton aan te tonen dat de ingevoerde edele metalen in Spanje overeenkwamen met het gelijktijdige prijsverloop van producten in dat land. Voorts beweerde hij dat de prijzen in Spanje eerst stegen en in de rest van Europa pas later. Ten slotte dacht hij te kunnen bewijzen dat in die tijdspanne de prijzen sneller stegen dan de lonen.

Latere onderzoekingen deden echter twijfels rijzen: Hamilton gebruikte de officiële cijfers, terwijl het helemaal niet bekend is hoeveel zilver en goud precies werd verhandeld (om de koninklijke quinto te ontlopen, betaling van door de kroon aangegane leningen, enz.). Daar komt nog bij dat de prijsstijgingen begonnen zijn voor 1530, dus lang voor de metaalimporten van enige omvang uit Amerika arriveerden. Het lijkt dus waarschijnlijk dat er eigenlijk geen verband bestond tussen mijnbouw en stijgende prijzen.

Men kan thans aannemen dat de prijsstijging niet veroorzaakt werd door één enkele factor.

Het is zeker dat de bevolkingstoename en de trek naar de steden een rol heeft gespeeld.

Bij een aanzienlijke bevolkingsgroei stijgen de prijzen van landbouwproducten, de huren en de prijzen voor bouwmaterialen snel.

Bovendien hebben de vorsten indertijd een waardevermindering van de munt doorgezet: in Engeland onder de Tudor-koning Hendrik VIII, in Frankrijk tijdens de Valois Frans I en in Spanje onder de Habsburger Karel V.

Tenslotte waren er dan nog de oorlogen, slechte oogsten en epidemieën.

Kapitalistische vernieuwingen omstreeks 1600

In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden twee handelsorganisaties gesticht. Het ontstaan van de EIC en de VOC mag worden gezien als een bijzondere gebeurtenis op weg naar het moderne kapitalisme. Beide compagnies vervulden een functie in het kader van de expansie overzee.

Zakendoen over dergelijke afstanden stelde eisen waaraan de organisatorische kaders van familiebedrijven niet langer konden voldoen, ook omdat expansie zorgde voor een schaalvergroting van de handel.

Van de twee had de VOC (1602) de best doordachte opzet: participanten kochten aandelen en streken hun winst op, zonder dat het nodig was deel te nemen aan het bestuur en beheer. Beleggers die hun geld nodig hadden, konden hun aandelen ten alle tijde verkopen tegen de koers van dat moment.

Het was intussen de gewoonte dat verbruiksartikelen werden verhandeld op een vaste plaats, de beurs. In de loop van de zeventiende eeuw werd de beurs meer en meer een vast middelpunt waar financiële activiteit zich concentreerde en aandelen werden verhandeld.

In dezelfde periode werden ook nog andere nieuwe organisatievormen tot ontwikkeling gebracht die ook van belang waren voor de opbloei van het kapitalisme.

Amsterdam was het handelscentrum bij uitstek geworden, nadat de Antwerpse handel door beleg (1585) en blokkade was verlamd.

Hier ontstond nu de behoefte een waarde te becijferen voor een diversiteit aan muntsoorten, afkomstig uit alle delen van Europa. Sommige van die munten waren gedevalueerd door een of andere regering, andere waren besnoeid door particuliere wetsovertreders. De Nederlanders losten het probleem op door in 1609 de Amsterdamse wisselbank op te richten, een instelling die muntsoorten toetste en verklaringen verstrekte over sommen die de bank in bewaring waren gegeven. Na verloop van tijd handelde men met die verklaringen als was het een soort papiergeld (bankpapier).


Het karakter van de periode tot 1650: sociale en politieke aspecten

Historiografische inleiding

Het verraad van de bourgeoisie
Het vorige hoofdstuk wekt misschien de indruk dat de verandering zich overal in een zeer hoog tempo voltrok. Dit gaat misschien op voor West-Europa en voor steden als Antwerpen en Amsterdam. Elders ging het er echter trager aan toe waardoor spanningen ontstonden. Ook bleek de sociale waardering voor vernieuwende activiteiten op economisch gebied minder groot dan verwacht.

Kapitalisten sloten hun carrière nogal eens af op een wijze waaruit duidelijk wordt dat het hun eigenlijk meer om status dan om winst te doen was. Ook het gedrag van de vorsten werd nog sterk bepaald door traditionele invloeden die werden gekoesterd door zowel de vorst zelf als door de bevolking. Deze vaststelling doet echter niets af aan het feit dat er in de maatschappij ruimte kwam voor een zekere sociale reorganisatie en dit mede door de verzwakking van het leenstelsel en de gildenorganisatie.

Toch kan men de vroeg-moderne maatschappij niet zomaar als burgerlijk bestempelen. De geschiedschrijving associeert het opkomend kapitalisme te gemakkelijk met een burgerlijke maatschappij. Het is echter merkwaardig te zien dat juist in de zestiende eeuw in grote delen van Europa de invloed van de steden taande. Vele steden konden hun privileges en autonomiepretenties niet meer hooghouden in een maatschappij waarin het vorstelijk-aristocratische element de toon ging aangeven. Daar kwam nog bij dat de kapitalisten geen rasechte burgers bleken te zijn. In de zestiende en zeventiende eeuw bleef het voor een rijk burger aantrekkelijk om de aristocratie te imiteren (het verraad van de bourgeoisie). Deze vlucht van kooplui en ondernemers heeft het tempo van de economische en technologische vernieuwingen vertraagd.

Volgens Degryse echter is het onjuist om in zijn algemeenheid van een verraad van de bourgeoisie te spreken. In zijn ogen was de adel geen universeel voorbeeld en het verraad kwam alleen maar voor in maatschappijen waar ondernemers en handelaars een lage sociale positie innamen. In samenlevingen waar zij een hoog aanzien genoten, was van verraad nauwelijks sprake.

In de standenmaatschappij van de vroeg-moderne wereld was het doordringen van burgers tot de status van de aristocratie slecht onderdeel van een veel omvangrijker sociale mobiliteit.

In de zestiende eeuw komt de new monarchy op; een bestuursvorm die zich kenmerkt door een bestuur door de vorst en zijn hovelingen. Men vestigt een effectiever gezag en schuift pretenties van adellijke heren en steden opzij. Op deze manier begeeft men zich een eind in de richting van het absolutisme van de zeventiende eeuw. Sommige historici zagen deze vorsten dan ook als een soort wegbereiders van de moderne staat. Vanuit die visie kon men overgaan tot de beschrijving van één proces van politieke modernisering door de eeuwen heen, waarvan de lange duur verklaard kan worden door de adellijke reactie tegen de centraliserende politiek.

Ondertussen is deze visie alweer in het gedrang. Men acht het nu onmogelijk dat de heersers in de zestiende eeuw al plannen hadden waarin de uiteindelijke verwerkelijking van een rationeel ingerichte moderne staat besloten lag. De nieuwe theorieën (Norbert Elias) besteden minder aandacht aan de relatie tussen vorst en staat en meer aan die tussen hof en maatschappij.


Een breuklijn ontstaat langs de Elbe

Het is wel zeker dat de keizers (Karel V) in de zestiende eeuw een sterke positie bleven innemen. Doordat de Habsburgers bij zowat alle kwesties en problemen van hun tijd (Turkenopmars, Reformatie, conflicten met Frankrijk, strijd in Italië) betrokken waren, konden ze echter niet het volle profijt uit deze positie halen. Ondertussen ging de economische positie van het Rijk er niet op vooruit. De belangrijkste handelsroutes weden in de loop van de zestiende eeuw verlegd, waardoor de steden in Zuid-Duitsland gedupeerd werden. Er voltrok zich echter nog een proces dat voor de toekomst van Duitsland van grote betekenis is geweest. Langs de Elbe kwam een breuklijn te liggen waarlangs Europa werd verdeeld in een Westelijk en Oostelijk part, gekenmerkt door sterk verschillende maatschappijvormen op het platteland.

Ten oosten heersten de Duitse jonkers, de schlachta in Polen en de pomesjtsjiki in Rusland. Hier stonden de boeren machteloos tegen de aristocratie. De steden waren onvoldoende bij machte hen te helpen en de grondheren beheersten hun leven. Als ze klachten hadden, waren de grondheren hun rechters, en een beroep op de vorst, die op die heren aangewezen was, maakte geen kans. Op steun van de clerus konden ze evenmin rekenen, omdat deze stand niet bij machte was een vuist te maken. De weinig gecompliceerde, winstgevende maar niet al te rendabele landgoedereneconomie weerspiegelde zich in de maatschappijvormen. Er ontstond een samenleving met een statisch, weinig gedifferentieerd en eenzijdig agrarisch karakter met strakke landsgrenzen. Hier was het vooral de adel die profiteerde van de stijgende prijzen en de vraag uit het Westen naar graan een bosbouwproducten.

De westelijke streken hadden daarentegen een dynamischer karakter gekregen. De grondheren bewerkten hier niet meer zelf het land, maar verpachtten de grond aan de boeren. Onder invloed van een aantal factoren veranderde de agrarische bedrijvigheid (veeteelt en schapenteelt) of ging men over op vormen van gespecialiseerd bodemgebruik. De economische groei leidde hier in de zestiende eeuw dus tot een versterking van de sociale positie van de stedelijke middenklassen en de boeren, die zich uit de macht van de adel en het horigheidsysteem wisten te bevrijden.

Besluitend: terwijl het lot van de West-Europese plattelandsbevolking verbeterde, verloren de Oost-Europese boeren hun persoonlijke vrijheid en raakten in een toestand van lijfeigenschap.


De sociale mobiliteit in West-Europa

In heel Europa bleef het agrarisch bedrijf nog lang het bestaansmiddel dat aan de meeste handen werk gaf. Maar in het Westen kon men wel al allerlei kanten uit als men in ander werk een bestaan wou vinden. Dit gold ook voor de adel. Een echt besloten kaste is de adel in het Westen in de vroeg-moderne periode nergens geweest.

Bijna overal werd ze door adelsverheffingen aangevuld (verkoop van adelstitels, verheffing op grond van verdienste, enz.). Soms kwam het zelfs tot titelinflatie. Zo stelde Richelieu in zijn politiek testament voor dat massale toelating tot de ambtadel (noblesse de robe) ongewenst was. Uit dergelijke waarschuwingen blijkt dat men een evenwichtige opbouw van de maatschappij hopte te handhaven.

In de omgangsvormen onderstreepte men de standsverschillen. Maar al beperkte men de mogelijkheden nog zozeer, er viel niettemin vrij wat sociale stijging te signaleren. Ook in de republieken waar geen instantie bestond die adelsverheffingen bewerkstelligen kon, slaagde het stedelijke patriciaat er in zich adellijke allures aan te meten. Er waren trouwens promotiekanalen genoeg:

Het huwelijk speelde daarbij een belangrijke rol, maar ook via beroepsbezigheden kon men stijgen op de maatschappelijke ladder. Verder boden de kerk en het onderwijs geschikte mogelijkheden.

In feite kwam het er op neer dat men met behulp van hoger geplaatsten zijn doel bereikte. Dit systeem van patronage werkte niet al te slecht en, hoewel het anders kan lijken, stond waardering voor bekwaamheid niet geheel buitenspel.

Het patronagesysteem had enkele belangrijke gevolgen. Verticale verbindingen tussen patroons en cliënten liepen van hoog tot laag door de sociale piramide, waarbij de eigen standgenoten gevaarlijke concurrenten konden worden. Van horizontale solidariteit was in deze standenmaatschappij niet veel sprake. Het patronagesysteem bevorderde een stabiele samenleving: de verticale banden door de sociale piramide voorkwamen strijd tussen de verschillende standen.

Samenvattend mag men zeggen dat de vroeg-moderne samenleving relatief stabiel was, mede doordat ze een nogal flexibel karakter had.

In de zestiende en zeventiende eeuw werd sociale ongelijkheid als een normaal verschijnsel aanvaard. Men was ervan overtuigd dat God de verschillende sociale groepen in een door Hem gewilde hiërarchische ordening had ondergebracht. De Franse historicus Roland Mousnier heeft geprobeerd een antwoord te formuleren op de vraag langs welke scheidslijnen de verschillende sociale groepen konden. onderscheiden worden.

Standenmaatschappij
Stand wordt begrepen in de betekenis van orde; elke stand heeft een eigen positie en maatschappelijke taak met de daarmee in verband staande standsrechten en plichten. Te behoren tot een stand hangt af van geboorte of van een vroege levenskeuze.

Klassenmaatschappij
De klassenmaatschappij wordt voornamelijk bepaald door productieverhoudingen en economische mogelijkheden. Hier behoort men tot een klasse door de plaats die men inneemt in het productieproces of op de schaal van de inkomsten.

Men kan zoals Karl Marx een tweedeling herkennen: een klasse die de beschikking heeft over de productiemiddelen en een klasse die dat niet heeft.

Mousnier onderscheidt echter meer klassen, geplaatst in een hiërarchie naar inkomsten en daarmee samenhangende beroepswaardering. In zulke maatschappij onderscheiden de klassen zich door materieel bezit en de daaraan ontleende macht. Sociale mobiliteit is daarmee in aldus geformuleerde klassenmaatschappijen groter dan in standenmaatschappijen.


De vorst van de zestiende eeuw en zijn problemen

De vorst was vanouds een verheven persoonlijkheid, een beschermer tegen allerlei kwaad en onrecht. De functie die hij vervulde had nog een magisch-sacraal karakter (cf. handoplegging van zieken). De vorst werd tevens verondersteld persoonlijk garant te staan voor de handhaving van vrede en recht. Heel anders dan in Italië tijdens de renaissance was het politiek bestel traditioneel verankerd was; een vorst diende te beantwoorden aan de verwachtingen die men koesterde.

Een vorst wiens positie in sterke mate op het persoonlijk vertrouwen van de onderdanen berustte, deed er dus goed aan het contact met hen niet te schuwen. Dat was één van de redenen waarom vorsten met hun hofhouding rondreisden in het land. Het vorstelijk hof ging functies vervullen op het gebied van eenmaking van bestuur, rechtspraak, wetgeving, belastingsinning, muntslag en de organisatie van een staand leger.

De hofomgeving van de vorst bleek daarbij nogal eens aanleiding te geven tot problemen (onbetrouwbare plaatsvervangers, conflicten met de statenvergadering, enz.).

In het algemeen kan men zeggen dat de samenleving ingewikkelder werd en dat er naast de traditionele verwachtingen, ook nieuwe eisen werden gesteld aan het vorstelijk bestuur. Daardoor moest de vorst allerlei taken delegeren aan vertrouwelingen. Naast problemen van communicatie en controle van deze ambtenaren bracht de uitbreiding van taken en de groei van het bestuursapparaat toenemende kosten mee.

De keizer verkeerde daarbij in een benarder positie dan andere heersers:

Hij had met een gecompliceerder situatie te maken. Enkele families in het Rijk, keurvorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders hadden in hun eigen gebieden al zoveel macht dat het keizerlijke bestuur niet tegen hun belangen kon ingaan.

Door de veelvuldige afwezigheid konden sommige keizers slechts weinigen binden en kregen anderen de gelegenheid zich aan de invloed van de heerser te onttrekken.

De keizer slaagde er ook niet in het rijksbestuur (raad van keurvorsten, Rijksdag en rijkskamergerecht) naar zijn hand te zetten met een plan voor belastingshervormingen


Ontdekkingen en Europese expansie

Historiografische inleiding

Bestudering van de overzeese expansie kent een aantal fases:

Fase 1: expansie als onderdeel van de eigen nationale geschiedenis
Fase 2: in de 19e eeuw verandert het perspectief naar koloniale geschiedenis
Fase 3: William R. Shepherd introduceert in 1919 de term Europese expansie. Daarmee wil hij aangeven dat de overzeese expansie als één proces van Europese instituties, technieken en ideeën kan gezien worden, leidend tot een verwesterde wereld.
Fase 4: vandaag is de term Europese expansie algemeen aanvaard in de historiografie. De overzeese expansie wordt vanuit vergelijkend perspectief bestudeerd met meer aandacht aan de reacties van de inheemse bevolking.

Het wereldbeeld tot het eind van de 15e eeuw:

In cultureel opzicht vooral bepaald door de Grieks-Romeinse oudheid en de joods-christelijke traditie

Kennis van andere culturen vooral via oorlogen en handelscontacten

Vanaf eind 15e eeuw ontdekking en expansie mogelijk door technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Hiermee begon een verschuiving in de verhouding van Europa tot de rest van de wereld en het eigen verleden.

Politieke en economische zwaartepunt verschoof van Midden- en Zuid-Europa naar de Westeuropese mogendheden (Spanje en Portugal in de 16e en vervolgens de Republiek en Engeland in de 17e).

Zeevaart gaf impuls aan de Europese economie en stimuleerde de ontwikkeling van techniek, wetenschap, nijverheid en werkgelegenheid. De wereldhandel leidde tot de opkomst van grotere ondernemingen en de politieke en economische rol van de grondbezittende adel nam verder af ten voordele van de handeldrijvende burgerij.

De toevloed van overzeese producten leidde tot een prijsdaling van voordien kostbare waren.

De kennismaking met andere beschavingen verbreedde het wereldbeeld van de Europeanen en had een zekere relativering van de eigen cultuur tot gevolg.


Ideeën en hulpmiddelen aan het begin van de nieuwe tijd

Geografische kennis tot een het begin van de ontdekkingsreizen berust op:

Inzichten van Aristoteles en Ptolemaeus.

Aristoteles gaat uit van en ronde aarde met één grote landmassa, de oikoumenè of bewoonde wereld. Verder meende hij dat de landmassa minstens 51% van het aardoppervlak bedekt, en dat zijn beschaving zich in het westelijk randgebied bevond.

Ptolemaeus had in de 2e eeuw na Chr. met de Geographia een synthese gemaakt van de kennis van eerde geografen.


Tochten van Marco Polo naar China.

Deze kennis werd verder aangevuld met de ervaringen van reizigers die Azië bereisden (Alexander de Grote, de Polos, kooplui).

Handelscontacten met het Midden- en Verre oosten.

Afrika bleef echter grotendeels (met uitzondering van een deel van de oostkust) onbekend en men was zich helemaal niet bewust van het bestaan van het Amerikaanse continent. De ontsluiting van Afrika werd bemoeilijk doordat de islam de heersende godsdienst was.

Hulpmiddelen en technieken maken ontdekkingen mogelijk:

Introductie van roer en kompas.

Verbetering van masten en zeilen (bvb driehoekig latijnzeil).

Stroomlijning van de scheepsromp.

Uitrusting van de schepen met boordgeschut.


De uitgangspunten voor de expansie

Portugese verovering van Ceuta:

Kan niet worden beschouwd als de eerste poging om voor eigen land overzees gebied te veroveren.

Reeds voor de kruistochten hadden de Venetianen en de Genuezen reeds factorijen of handelsposten opgezet en in stand gehouden in de Levant en op de kusten van de Zwarte Zee.

Daaruit blijkt wel dat de expansiedrang er al was voor Spanje en Portugal de eerste Europese rijken stichtten.

De Portugese en Spaanse expansie vindt haar oorsprong in de Reconquista:

De Iberische koloniale rijken danken hun ontstaat aan militaire activiteiten, en niet zozeer aan de traditie van koopmanschap. De expansie was een voorzetting van de Reconquista; de verdrijving van de islamitische invallers van het Iberisch Schiereiland.

De Reconquista start in 711 met de aankomst van de Arabieren en eindigt met de overgave van Granada aan Ferdinand en Isabella in 1492.

Later begonnen echter ook meer zakelijke motieven mee te spelen bij de ontdekkingsreizen; de beheersing van de handel in goud en specerijen.


Castilië komt in het spel. Ontdekking en verwarring

Inter caetera; Demarcatielijn:

De kustverkenningen brachten Portugal meermaals in conflict met Castilië (Canarische eilanden). Na de terugkeer van Columbus (1451-1506), die in opdracht van de Spaanse Kroon Amerika had ontdekt (na weigering door Portugal), vaardigde de paus de Demarcatiebul (1493) uit die een denkbeeldige lijn trok tussen de twee polen van de aarde om de veroveringen van de twee concurrenten af te bakenen. De betrokken partijen moesten er zich wel toe verbinden om de bewoners van de nieuwe wereld te bekeren tot het christendom.

Verdrag van Tordesillas (2 juli 1494):

In dit verdrag wordt de demarcatielijn bijgesteld. Deze opdeling van de wereld was van bij het begin een omstreden kwestie omdat andere mogendheden (Engeland en frankrijk) zich vragen stelden bij de reële waarde van deze toewijzing.

De theologen van die tijd verdedigden deze houding echter met de argumenten dat:

De Res Publica Christiana moest hooggehouden worden.

De paus het recht had om het vruchtgebruik over heidense streken toe te wijzen.


| Menu | Ancien Régime 1 | Introductie | 1450-1650 | Barok |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Patrick Moesick (1999)