(leereenheid 33)
Drie disciplines en hun toenadering
De Griekse schrijver Herodotus (ongeveer 450 v.CHr.) beschreef in zijn Historiën niet alleen de oorlogen tussen de Perzen en de Grieken, maar vergeleek ook de leefwijzen van verschillende volken. Hij is daarmee zowel de vader van de geschiedschrijving als van de antropologie. In de 19de eeuw ontstond er een duidelijke scheiding in de disciplines geschiedschrijving, sociologie en antropologie.
Geschiedschrijving hield zich in hoofdzaak bezig met de weergave van politieke gebeurtenissen (grote leiders en het lot van dynastieën en naties stonden centraal).
Sociologen maakten grootschalige modellen om bepaalde maatschappijvormen te typeren.
Ook de antropologie maakte aanvankelijk gebruik van algemene evolutionistische modellen, maar in het begin van de 20ste eeuw kwam het onder invloed van Malinowski en Radcliffe-Brown tot het structureel functionalisme (de samenleving werd voorgesteld naar analogie van een biologisch organisme, waarin elk onderdeel, net als een orgaan, een specifieke functie had).
Antropologen deden veel veldwerk onder primitieve samenlevingen. Hierdoor was hun horizon vaak beperkt.
De laatste decennia komen de diverse disciplines steeds verder tot elkaar en is een strak onderscheid niet meer te maken. Alle 3 de disciplines bestuderen immers het gedrag van mensen in hun samenlevingen.
Van Leur: het Aziatisch perspectief
Na de komst van de Nederlanders is er op Java vooral sprake van een geschiedschrijving op basis van de Europeanen op Java. De socioloog J.C. van Leur (1908-1942) stelde tegenover het gangbare Europacentrisme een Aziatisch perspectief. Alhoewel het werk van Van Leur van groot belang is voor de wijze van geschiedschrijving heeft hij de invloed van de VOC op Java sterk onderschat. Ook heeft hij de continuïteit van de Indonesische wereld veel te rigoureus doorgevoerd.
Van Leurs modellen waren gebaseerd op de ideaaltypen van de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920). Dit waren algemeen toepasbare modellen aan de hand waarvan de historische gegevens konden worden geordend, en op basis waarvan verschillende samenlevingen met elkaar konden worden vergeleken.
Van Leur zag de vorstendommen in het binnenland als patrimoniale bureaucratieën. De vorst benoemt weliswaar zijn ambtenaren, maar kan hen niet direct salariëren. De ambtenaren onttrekken hun inkomsten namelijk aan hun eigen gebied, hetgeen hun een machtsbasis verschaft en de positie van de vorst verzwakt. In de modern bureaucratische staat worden ambtenaren van bovenaf benoemd en gesalarieerd, terwijl er een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen de publieke zaak en privé-belangen. Het centrum van de staat is in dat geval dan ook veel sterker.
De handel in de havenvorstendommen werd door Van Leur omschreven als kramerhandel (kleinschalige handel in luxegoederen). Het waren volgens hem tevens kleine overzeese handelaren die de islam naar Java brachten. Omdat deze geen politieke macht hadden dacht Van Leur dat de verspreiding van de islam op Java door de Javaanse kustadel moest zijn geschied.
Later onderzoek heeft uitgewezen dat er wel degelijk handel in bulkgoederen zoals rijst, textiel en hout heeft plaatsgevonden en dat daar ook grote buitenlandse handelaren bij betrokken waren die aanzienlijke macht wisten te verwerven.
Van Leur had echter slechts een beperkte hoeveelheid gepubliceerd bronnenmateriaal tot zijn beschikking.
Wertheim: de historisch-sociologische benadering
Van Leur kreeg pas internationale bekendheid toen er in 1955 door toedoen van de socioloog W.F. Wertheim een Engelse vertaling van zijn werk verscheen. Wertheim kwam tot een veel genuanceerdere uitwerking van de stellingen van Van Leur. Wertheim wijst erop dat het, onder invloed van het Napoleontische bewind, ontstaan van een moderne, centraal geleide bureaucratie in Europa ook zijn invloed had op het ontstaan van de koloniale staat op Java in de 19de eeuw.
Zowel door Van Leur als door Wertheim is een toenadering tussen geschiedenis en sociologie tot stand gekomen. Deze zienswijze heeft geleid tot nieuwe inzichten in processen van maatschappelijke veranderingen op Java.
Geertz: antropologie en geschiedenis
Na de tweede wereldoorlog werden de banden tussen Nederland en Indonesië voor lange tijd verbroken. Omdat Indonesië een belangrijke mogendheid was in de regio ontstond in het buitenland een wetenschappelijke belangstelling. Zowel in Amerika als in Australië ontstonden onderzoekscentra die de leidende rol van de Nederlanders zouden overnemen.
Centrale figuur in dit nieuwe onderzoek is de Amerikaan Clifford Geertz. Zijn Religion of Java (1960) is een klassieke studie over Java. Geertz deed veel onderzoek in de Javaanse boerensamenleving en woonde zelfs een tijd lang in een Oost-Javaans provinciestadje. Later verrichte hij ook antropologisch-historisch onderzoek naar agrarische veranderingen op Java. In 1963 publiceerde Geertz zijn invloedrijke Agricultural Involution. Hij introduceerde de term shared poverty (gedeelde armoede) voor de situatie op het platteland. Onder invloed van het cultuurstelsel (1830-1870) mocht de Javaanse bevolking niet deelnemen aan de export van landbouwproducten. Omdat de bevolking sterk groeide moest zij wel zien rond te komen van de meeropbrengst van de bestaande sawas. Dit lukte doordat meer arbeid werd geïnvesteerd in een steeds intensievere verbouw van rijst. Er vond derhalve geen evolutie plaats van een oud systeem naar een agrarische orde, maar een involutie: dat wil zeggen dat bestaande patronen op het vlak van landbouw steeds arbeidsintensiever werden en ingewikkelder werden uitgewerkt om het toenemend aantal mensen van voedsel te voorzien. Steeds meer mensen moesten gevoed worden uit de gestegen opbrengst van de landbouwgrond. De aldus ontstane tekorten en de daaruit resulterende armoede werden zo gelijk mogelijk onder de bevolking verdeeld.
De kritiek hierop luidt dat er zich in de 19de eeuw, in plaats van gedeelde armoede, een zekere welvaartsstijging heeft voorgedaan, en zich bovendien een proces van sociale differentiatie heeft voltrokken waardoor de verschillen tussen rijk en arm op het Javaanse platteland zijn toegenomen.
Ook vertoonde het cultuurstelsel in de praktijk een enorme hoeveelheid plaatselijke variaties.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)