(leereenheid 32)
Bronnen
De Babad Tanah Jawi (kroniek van het eiland Java) bevat de officiële geschiedvisie zoals die aan de opeenvolgende Javaanse hoven werd ontwikkeld vanaf de oorsprong tot de deling van Java in 1755. De rijkskroniek is bij uitstek een politiek document gericht op de legitimatie van het heersend vorstengeslacht waarbij de voorgeschiedenis aan het heden werd aangepast.
De VOC bronnen zijn ambtelijke rapporten gericht op het verschaffen van feitelijke gegevens over recentelijke gebeurtenissen. Alhoewel ook hier waardeoordelen een rol spelen was geen sprake van een gesystematiseerde, ideologische benadering van het verleden achteraf.
Eerste confrontaties
De eerste grote confrontatie vond plaats in 1628 en 1629 toen sultan Agung probeerde om Batavia te veroveren en de Nederlanders te verdrijven. In de Babad Tanah Jawi staat hierover dat de sultan van Mataram opdracht gaf om geen ernst te maken met de belegering omdat de Hollanders in de toekomst belangrijk zouden blijken te zijn bij het instandhouden van de troon. Duidelijk is dat deze tekst, die veel waarheid omtrent de toekomst bevat, later is geschreven om de mislukking van het beleg te legitimeren.
Daarnaast werden in de tekst bovennatuurlijke krachten aan de Javaanse partij toegekend. Immers degenen die in de nabijheid van de vorst verkeren delen in zijn magische kracht.
Van VOC zijde bestaat een heel andere visie op de aanval op Batavia. Toen de Nederlanders zich achter de muren van Batavia terugtrokken waren de aanvallen verder vruchteloos. Aan beide zijden stierven overigens duizenden soldaten. De meesten niet door het oorlogsgeweld maar door honger en ziekte.
Het jaar 1677
In 1677 dreigt de kroonprins door een opstand zijn positie kwijt te raken. Hij gaat voor hulp naar de Nederlanders. In de Babad Tanah Jawi staat dat een ondergeschikte hem dat afraad: Heer, met uw voornemen hulp te vragen, kan ik niet instemmen, want het is de aard van de Hollander om, als hij als vriend behandeld wordt, steeds inhalig te zijn en hij is verraderlijk. Zijn goedheid is slechts uiterlijke schijn, in zijn hart verliest hij zijn plannen geen moment uit het oog..
Tijdens de feitelijke ontmoeting was het gedrag van de Nederlanders naar Javaanse maatstaven onbeschaafd (kasar) omdat men de Javaanse vorst het vereiste eerbewijs (hormat) onthield. De sacrale Javaanse vorst kon slechts kruipend worden benadert. De kroniek zegt verder dat de Nederlandse admiraal zou hebben gezegd Daar ik hier ben gekomen om de vorst te dienen, zal ik natuurlijk alles doen, wat de vorst beveelt. Daartegenover staat dat de Javaanse monarch zich zeer inschikkelijk toonde door de Nederlandse omgangsmanieren te willen hanteren.
Ook hier komt het element van legitimatie naar voren: de Javanen riepen weliswaar Nederlandse hulp in maar op Javaanse voorwaarden. Van machtsongelijkheid waarbij de Javaanse macht ondergeschikt was aan de Nederlandse, zou dus geen sprake zijn. In de versie van admiraal Speelman is echter sprake van een smeekbede van Javaanse kant.
Puger en de VOC
In 1703 overleed Amangkurat II. Normaal zou zijn oom hem opvolgen maar de oom van de overleden vorst, Puger genaamd, wierp zich op als vorst. In tegenstelling tot eerdere pogingen wist Puger wél de steun van de VOC te verwerven. Hierdoor trad een geslaagde usurpatie (onrechtmatige bezitname) van de troon op.
In de Babad Tanah Jawi wordt deze actie als volgt gelegitimeerd; De Hollanders kwamen om de nieuwe vorst middels een tovenaar te doden. Om de vorst te helpen zei Puger dat hij de vorst was. Hij slaagde erin om de tovenaar op de vlucht te drijven. Vervolgens werd Puger door de Nederlanders in Semarang tot vorst uitgeroepen.
Overigens wordt hier de rol van de Nederlanders redelijk positief benaderd. Het beeld van de Javanen is op dat moment derhalve nog gedifferentieerd.
Hollanders over Javanen
Tijdens het beleg van Batavia in 1628/9 werd geconstateerd dat de Javanen veel beter waren georganiseerd, veel moediger en gevaarlijker waren dan de Bantammers van West-Java. De Javanen werden ook hooghartig beschouwd, omdat zij, bewust van de eigen macht, niet zonder meer bogen voor de Nederlanders.
Hollanders als derde partij
In de 2de helft van de 18de eeuw was de onderlinge relatie tussen de twee Javaanse hoven het hoofdthema van de historiografie. De Nederlanders waren, als derde partij, wat meer op de achtergrond geraakt.
Tijdens ceremoniële ontvangsten van Nederlandse vertegenwoordigers aan Javaanse hoven maakte het tijger-buffelgevecht opgang. De tijger (de Nederlander) was snel en dodelijk maar bezat geen uithoudingsvermogen. De banteng of waterbuffel (de Javaan) was bijzonder taai en won bijna altijd het gevecht. De Nederlanders hadden toen nog geen kennis van deze allegorie.
De negentiende eeuw: verscherpte tegenstelling
In de 19de eeuw drong de koloniale staatsmacht op waardoor een verscherpend cultuurconflict ontstond. De Nederlandse resident van 1816-1822 van zowel Yogyakarta als Surakarta, H.G. Nahuys van Burgst stond bekend als een liberaal met een grote kennis van de vorstenlanden. Hij wilde de Europese normen en waarden aan het Javaanse hof introduceren. Hij typeerde de Javanen als dom en zedelijk verbasterd, onbeschaafd, lomp, inhalig en weinig aandoenlijk van gezicht. Milder was hij over die Javanen die bereid waren om de Europese normen en waarden over te nemen.
De zekere geslotenheid van de Javaan werd door de Europeaan als negatief ervaren terwijl dit in de Javaanse cultuur juist positief werd gewaardeerd.
Het assertieve gedrag van de Europeanen moet de Javanen hebben afgestoten. Er ontstond steeds meer een stereotype van de Europeaan als monsterfiguur dat zich steeds sterker in de geesten van de Javaanse bevolking heeft vastgezet.
Verlicht Europa, feodaal Azië
In de loop van de 19de eeuw ontwikkelde zich in Europa een beeld van anti-feodalisme waaraan in Europa ten gevolge van de Franse revolutie definitief een eind was gekomen. In Azië bleef deze echter doorbestaan. De westerse aanwezigheid in Azië kreeg meer en meer een ethische kant. Al in 1801 stond in de Staatsregeling voor Indië te lezen: Al hetgeen hier recht en billijk is, zal ook daar recht en billijk moeten zijn.
Daendels (van 1808-1811 gouverneur-generaal) schafte de voor Nederlanders vernederende eerbetonen aan het Javaanse hof middels een nieuwe etiquettemaatregel af.
Naarmate het kolonialisme terrein won, werd de ideologische rechtvaardiging ervan ook steeds krachtiger verwoord. Steeds meer kende de blanke Europeaan zich een superieure positie toe, niet alleen in de uitoefening van macht maar ook in moreel opzicht. Deze mentaliteit van westerse vooroordelen over het oosten werd door Edward Said aangeduid als oriëntalisme.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)