DE VOC EN HET AZIATISCH HANDELSSYSTEEM

(leereenheid 28)

 

Voorgeschiedenis en oprichting van de VOC

Sinds 1498 hadden de Portugezen hun vaart en handel op Azië gestaag uitgebreid. Goa, aan de westkust van Voor-Indië, was het centrum van de Portugese macht.

Door het protectionistische systeem van Filips II konden Nederlandse handelaren na 1580 nauwelijks meer profiteren van de handel in Aziatische specerijen. De vraag was echter groot en de prijzen daardoor torenhoog.

Voorwaarden als kennis en kapitaal kwamen in de Republiek voorhanden om zelf een handelsexpeditie naar Azië op te zetten. Van Linschoten was één van de Nederlanders die in Portugese dienst naar Azië waren geweest. Hij schreef daarover in 1596 een boek Itinerario met een combinatie van een routebeschrijving, een koopmansgids en een verhandeling over Aziatische volken en landen.

In 1595 werd de eerste expeditie ondernomen en tot 1602 werden er diverse compagnieën opgericht. Door de steeds grotere aanvoer kwamen de prijzen sterk onder druk te staan.

Onder druk van de overheid (met name landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt) werd in 1602 de V.O.C. opgericht. De VOC kreeg het octrooi (alleenrecht) om voor de periode van 21 jaar de handel en vaart op Azië te voeren.

Organisatie en opbouw van het Compagniesbedrijf

De oude voorcompagnieën leefden in VOC voort als kamers. Er waren 6: Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Amsterdam had helft van aandelen. algemene leiding kwam handen Vergadering der Heren Zeventien. deze 17 kwamen 8 uit overige Het>de lid kwam wisselend ook uit één van de kamers buiten Amsterdam zodat Amsterdam nooit een meerderheidsbelang kreeg. Iedere ingezetene van de Republiek kon beleggen in de VOC.

Het verschil tussen het Europees en het Aziatisch handelssysteem

De Deen N. Steensgaard introduceerde het begrip redistributieve of herverdelende ondernemingen. Hiermee gaf hij aan dat vorsten een inkomen uit handel verkregen door tolheffing etc. in ruil voor bescherming van handelsroutes en toegang tot havens. Ook Portugese onderneming >Estado da India was zon onderneming.

De VOC (evenals de Engelsen) voerde daarentegen wel een actief prijsbeleid en trachtten wel de markt te manipuleren. Zo ontstonden in Amsterdam

en Londen internationale markten voor Aziatische producten, waar de compagnieën monopolistische posities innamen en waar de prijzen relatief stabiel bleven. Er was dus sprake van een vorm van stapelmarkt.

De Europees-Aziatische handel

Om in Azië goederen in te kopen was een grote hoeveelheid edelmetaal, meestal zilver, nodig. Dit zilver was afkomstig uit Spaans-Amerika. In aanvang was voornamelijk sprake van de handel in specerijen en peper. Later kwam daar textiel, thee en koffie bij.

De intra-Aziatische handel van de VOC

Om de kosten in Azië te bestrijden en om ook zoveel mogelijk de inkoop van handelsgoederen te bekostigen werd een intra-Aziatische handel opgezet. Omstreeks 1650 kon een groot deel van de retourgoederen uit deze handel worden betaald.

Uit Voor-Indië werden katoenen stoffen of lijwaten gehaald die gebruikt werden voor de aankoop van o.a. peper. In Japan en Perzië werd zilver ingekocht. Perzië, China en Bengalen leverden zijde, die weer in Japan werd verkocht. Daarnaast speelden tal van andere producten een rol: tin uit Malakka, porselein uit China, sandelhout uit Timor en Solor, olifanten van Ceylon.

Er was hierbij wel sprake van een behoorlijke Aziatische concurrentie. De VOC had echter een grote kapitaalkracht waarmee kooplieden van de markt konden worden gedrukt.

Na 1680 werd aan het goed uitgebalanceerde handelssysteem van de VOC in Azië geknaagd. Japan legde steeds meer beperkingen op en verbood de uitvoer van edelmetalen. Er was politieke onrust in Perzië waardoor ook deze bron van edelmetaal droog kwam te liggen. De winsten uit de intra-Aziatische handel waren dus niet meer voldoende om de kosten van de VOC in Azië te dekken. Er moest na 1700 dan ook steeds meer zilver uit Nederland komen om de kosten te dekken. Na 1720 kwam de koffieteelt op Java tot ontwikkeling waardoor men niet meer van Mocha afhankelijk was. Hierdoor was veel minder zilver nodig om koffie in te kopen.

De VOC als koloniaal bestuurder

In verschillende fasen tussen 1677 en 1755 werd het Compagniesgezag op Javas noordoostkust verder uitgebreid. Hiervoor bestond geen economische noodzaak. Enkel de havensteden aan de kust waren van belang.

Van het begin af aan waren er binnen de VOC discussies of men er wel juist aan deed om zich behalve als handelaar ook als territoriaal heerser en koloniaal bestuurder te ontpoppen. De kosten hiervan waren buitengewoon hoog. Tot 1740 konden de hierdoor ontstane tekorten nog wel worden aangevuld, daarna ging het bergafwaarts. Echter tot het einde aan toe beleef de Compagnie handelsonderneming en bestuurder tegelijk.

Het einde van de Compagnie

Hoge VOC-dienaren kregen een laag traktement. Men werd geacht zijn fortuin te vergaren uit al dan niet geoorloofde neveninkomsten en bijverdiensten. Hierdoor ontstond een cultuur van sluikhandel en corruptie. In de 18de eeuw waren bestuursfuncties op Java zeer begeerd om de vele voordelen die er te behalen waren. Vooral handel in koffie en opium was zeer lucratief.

In 1780 brak de Vierde Engelse Oorlog uit waardoor de thuiskomst van de retourvloten uit Azië werd verhinderd. Door de grote schulden van de VOC ontstonden acute financiële problemen die ze niet meer te boven zou komen. In 1796 werd de VOC door de staat overgenomen. De schuld was toen al meer dan 100 miljoen. Toen de Republiek door de komst der Fransen viel, viel ook de Compagnie.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)