ELITECULTUUR

(leereenheid 23)

Adel en regenten

Dat de hogere standen leiding gaven aan de toenmalige samenleving, sprak vanzelf. Het geloof gaf de mensen de zekerheid, dat het zo hoorde.

Door de opkomst van de burgerlijke regenten konden de adellijke geslachten nauwelijks meer enig gewicht in de schaal leggen. In de loop van de tijd werd het steeds moeilijker om tot de steeds exclusiever wordende elite van bestuurders door te dringen. Zij maakten een proces van aristocratiesering door.

In 1581 werd door de Staten van Holland bepaald dat de stadsbesturen voortaan geen schutterijen, gilden of andere burgercorporaties meer mochten raadplegen bij de vaststelling van hun beleid. Hierdoor hadden de lagere sociale groepen nauwelijks nog invloed op het beleid.

Alhoewel de luxe toenam bleef het consumptiepatroon achter bij de omringende landen. Het geld werd bij voorkeur belegd in overheidsleningen.

Bij de adel kregen de begrippen virtus (deugd) en gloria (eer) in plaats van een militaire steeds meer een ethische lading. Door het ontbreken van een soeverein met de bevoegdheid tot adelsverheffing, slonk het aantal edellieden geleidelijk door uitsterving.

Macht en geloof

Vertegenwoordigende functies of staatsambten konden slechts toe vallen aan leden van de publieke, gereformeerde, kerk of aan sympathisanten (de zogenaamde liefhebbers).

De regelmatige consistoriale oproepen tot scherp optreden tegen katholieken en vrijgeesten vonden bij de dikwijls meer erasmiaans georiënteerde regenten geen willig oor. Om rust en vrede onder alle groeperingen (ook remonstranten, luthersen en doopsgezinden) te handhaven streefden de regenten een brede praktische tolerantie na. Toch waren er wel regionale verschillen, zo hadden de joden in Amsterdam alle vrijheid maar mochten zij in Utrecht niet wonen.

Vorming

De deftige burgerij zond haar zonen naar de Latijnse scholen, stedelijke instellingen waar behalve Latijn voornamelijk Grieks en wiskunde aan de orde waren. Deze scholen waren eeuwenlang het voorportaal der universiteiten. Ook werden particuliere Franse scholen bezocht. Adellijke families op het platteland hadden vaak een gouverneur (huisleraar) ten kastele. Vooral de rechtskundige vorming op de universiteiten werd van groot belang geacht voor een toekomstige bestuurscarrière. Daarnaast moest men zich met gemak en gratie aan buitenlandse vorstenhoven kunnen bewegen (savoir vivre). Hiertoe kreeg men onderwijs in dansen, musiceren, schermen en etiquette. Een buitenlandse reis gold als sluitstuk van deze educatie.

Kleding, sieraden, omgangsvormen

De presentatie van de rijkdom was meestal sober. Toch volgde men het modebeeld waarbij het buitenland de toon aangaf. In de loop van de 16de eeuw was in heel Europa de strakke en strenge Spaanse hofstijl gaan domineren. Kenmerk hiervan was de brede plooikraak (molensteen). In de kleding van de regenten overheerste een stemmig en patriarchaal zwart.

De Oranjes en hun omgeving volgden daarentegen meer het Franse voorbeeld met zijn grotere zwier. Dit laatste model won in de 17de eeuw aan kracht. Ook pruiken deden hun intrede.

Het gebruik van diamanten en vooral parels won terrein t.o.v. gouden armbanden en juwelencolliers. De calvinistische moraal met haar afkeer van ijdel en werelds vertoon bleef echter bestaan.

Van lieverlee werd het gedrag steeds meer beheerst, rationeler, geciviliseerder, maar ook kunstmatiger. Aan tafel werd niet meer gezamenlijk uit één pan gegeten maar er kwamen borden met bestek op tafel. In het spel der erotiek treffen we in deze tijd nog veel directheid en onbeschroomdheid aan.

Wooncultuur

Het stadsbeeld werd gevormd door smalle huizen van het middeleeuwse gotische trapgeveltype. Door de dure grond werden relatief hoge huizen gebouwd. Dit werd mede mogelijk door het ontstaan van de schoorsteen i.p.v. het vroegere open vuur. De elite voegden soms een aantal smalle huizen aaneen waarbij de gevel een imposant uiterlijk kreeg.

Men volgde veelal de classicistische voorschriften van de Italiaanse bouwmeester Palladio.

Het voorhuys was, in het begin ook bij regenten die nog koopman waren, bedrijfsruimte voor werkplaats, winkel of kantoor.

Sliep men vroeger in bedsteden, nu ontstonden, onder invloed van een groeiende behoefte aan privacy, het eerst bij de rijken, aparte slaapkamers.

De inrichting bleef in het begin relatief sober. De personeelsleden kregen hun eigen vertrekjes, meestal in de nok van het huis en zover mogelijk van de woonruimte van het gezin verwijderd. De rijkeren gingen vanaf 1650 over tot de aanleg van, soms luxueuze, buitenplaatsen. Populair waren de Hollandse duinstreek en de Utrechtse Vecht. Na 1700 werd meer geld besteed aan inrichting en kostbare tuinaanleg naar Frans geometrisch model. Aan het eind van de 18de eeuw kreeg onder invloed van de romantiek de meer natuurlijke Engelse tuin de voorkeur.

Het huishoudelijk interieur bestond uit koperen of tinnen artikelen. Vanaf de 18de eeuw kwamen aardewerk (Delfts en Engels) en porselein (Saksisch, Japans en Chinees) in zwang. Ook werd steeds meer van edelmetalen gebruik gemaakt.

Met schilderijen werden de wanden opgesierd. Ook werd hiermee de status van de familie verhoogd (dit vooral door portretschilderijen). Met name in de Gouden eeuw vonden de schilders een breed afzetgebied onder brede lagen van de bevolking. Sommige regenten ontwikkelden zich tot collectioneur waardoor er soms grote collecties van schilderijen ontstonden. Bij de regenten vond in de loop van de 17de eeuw een voorkeursverschuiving plaats van het Hollands realisme naar het meer buitenlandse, classicistische invloed.

Eruditie

Eruditie (grote en algemene kennis van het geestesleven) was een belangrijk element in de cultuur van de regenten. Naast letterkunde en wetenschap floreerden ook andere liefhebberijen. Het terrein is moeilijk in kaart te brengen. Er ontstond in de loop van de 17de eeuw ook belangstelling voor genealogie (familiestambomen). Dit echter vooral in de hoop op een zo voornaam mogelijk voorgeslacht om de nieuw verworven machtspositie te onderbouwen.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)