(leereenheid 21)
Literatuur in de zeventiende eeuw
Een literaire tekst uit de 17de eeuw kenmerkt zich door een andere, vaak inconsequente spelling, moeilijke, onbekende woorden, een wat plechtige of gedragen taal, stilistisch en grammaticaal ingewikkelde zinnen, beeldspraak die niet vertrouwd aandoet en een groot aantal verwijzingen naar bijbelse en mythologische verhalen.
Er waren 2 soorten literatuur:
internationaal gerichte Neolatijnse literatuur die in hoog aanzien stond met name bij de Humanisten en nationale literatuur in de volkstaal.
Opvattingen over literatuur
Het doel van literatuur
Een dichter moest in de renaissance in zijn werk een morele les in een aangename verpakking geven lering ende vermaak. De eis van lering moet niet te streng worden opgevat. Een moraliserende opmerking aan het einde van een stuk was al voldoende.
Navolging van de oudheid: imitatio-aemulatio
Voor humanisten was de klassieke oudheid de norm waaraan alle kunst werd afgemeten. Deze navolging wordt imitatio genoemd en was een belangrijk principe, ook voor de dichters in de volkstaal. Ook grote schrijvers als Hooft en Vondel konden worden nagevolgd.
De schrijver oefent zich door klassieke werken te vertalen translatio.
Een goed dichter streefde naar aemulatio, dat wil zeggen dat hij zijn klassieke voorbeeld probeerde te overtreffen. Als een niet-christelijke inhoud werd vervangen door een christelijke dan stond aemulatio al bij voorbaat vast.
Invloed van de literaire theorie
In de Republiek hielden humanisten als Daniël Heinsius, Hugo Grotius en Gerardus Vossius zich bezig met literaire theorie, waarbij zij terug gingen op klassieke theoretici.De Ars Poetica of versleer van Horatius kreeg een groot gezag. Vooral ten aanzien van het utile dulci miscere (het nuttige met het aangename verenigen) en de eis van waarschijnlijkheid.
De Poetica van Aristoteles behandelde voornamelijk de theorie van de tragedie en het epos.
Veel dichters hielden zich nauwelijks diepgaand en systematisch met de theorie bezig. Vondel was hierop een uitzondering. Een aantal schrijvers verzette zich tegen de dictatuur van regels. O.a. Jan Vos, die met zijn spelen grote waardering kreeg.
In 1669 werd het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (niets is moeilijk voor hen die willen) opgericht om te komen tot een vernieuwing van het Nederlands toneel. Zij vonden dat onder invloed van Jan Vos het treurspel te veel was verworden tot een spektakelstuk. Er werd aansluiting gezocht bij de Franse literatuur met auteurs als Corneille en Racine. Deze stroming (het Frans Classicisme) zou de Nederlandse literatuur ongeveer een eeuw beheersen.
Retorica
Vrijwel alle werken uit de renaissance hebben een retorische grondslag en dragen een betogend of overredend karakter.
Een lofdicht bestond uit een vaste volgorde: inleiding (exordium), vertelling (narratio), kritiek (propositio), weerlegging kritiek (argumentatio) en besluit (peroratio).
Het treurspel kent vijf bedrijven: uiteenzetting van het voorafgaande (expositie), de verwikkeling (intrige), de spanning die wordt opgevoerd (climax) en uitmondt in de ontknoping (catastrofe), ten slotte de beslissende wending (peripetie).
Thematiek
Er waren een aantal belangrijke themas in de literatuur van de 17de eeuw:
De dichters
De organisatie van het literaire leven
In de eerste decennia van de 17de eeuw speelden de rederijkerskamers nog een grote rol. Er werden regelmatig verzamelbundels door de kamers uitgegeven maar de schrijvers bleven meestal anoniem. Sommige dichters waren echter wel herkenbaar aan hun kenspreuk (o.a. Hooft met als slottekst Veranderen cant en Bredero met t Kan verkeeren). In beide spreuken herkennen we het Fotuna-motief, een het renaissancistisch motief, dat de wisselvalligheid van het menselijk lot uitdrukt.Door een onbekend conflict verlieten in 1617 Samuel Coster, Hooft en Bredero de kamer van de Eglentier. Zij gingen zich meer richten op de eigen Nederlandse renaissancedrama. Coster richtte in dat zelfde jaar de Nederduytsche Academie op.
De individualisering was hiermee in gang gezet.
Op 2 januari 1638 werd op de plaats van de Academie de Eerste Amsterdamse Schouwburg geopend met de opvoering van Vondels Gysbreght van Aemstel. De rederijkerij was daarmee definitief voorbij.
Literaire kringen
In Amsterdam was het huis van de dichter Roemer Visscher en zijn kunstzinnige dochters Anna en Maria Tesselschade tot diens dood in 1620 een trefpunt van intellectuelen, kunstenaars en dichters. Een zekere faam kreeg ook het Muiderslot, de ambtswoning van Hooft. Hooft ontving na 1627 daar regelmatig vrienden om samen te musiceren, poëzie te lezen en plezier te maken. Later werd dit de Muiderkring genoemd. Zij communiceerden echter veelal middels brieven en gedichten en troffen elkaar s zomers wel eens in wisselende samenstellingen op het Muiderslot (o.a. Huygens, Barlaeus, Anna Roemer Visscher, Vondel en Jan Vos). In Middelburg was Jacob Cats een aantal jaren middelpunt van een dichterskring.
Het gezelschap Nil Volentibus Arduum bepaalde na 1677 het repertoire van de Amsterdamse schouwburg waardoor zij veel invloed hadden op de literatuur.
Dichter worden
Humanistisch gevormde dichters hadden de Latijnse school doorlopen en waren daar geschoold in de klassieke literatuur, zodat zij de beeldspraak, stijlmiddelen en motieven kenden.Dichters als Bredero en Vondel hadden waarschijnlijk op de Franse school gezeten en daar geen literaire vorming gehad. Vondel heeft zich later zelf het Latijn en het Grieks eigen gemaakt.
De meeste dichters hadden inkomsten uit andere bronnen. De dichtkunst was immers een van de artes liberales die men niet als beroep maar als waardig tijdsbedrijf bedreef. De schilderkunst die niet tot de vrije kunsten gerekend werd, maar een ambacht was, stond dan ook in een veel lager aanzien.
Het materiaal van de dichter
Taalopbouw
In de 16de eeuw vormde het Nederlands nog op geen enkele wijze een eenheidstaal. De Amsterdamse Eglentier speelde een belangrijke rol bij het opstellen van grammaticale regels. Hun boekwerk Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst uit 1584 (waarschijnlijk van Hendrik Laurensz. Spiegel 1549-1612), was de eerste, op Latijnse leest geschoeide, grammatica van het Nederlands. In het Leidse leverde Simon Stevin een belangrijke bijdrage door zijn wetenschappelijk werk in het Nederlands te schrijven.Van groot belang was de Statenbijbel uit 1637 die een monument van taal werd dat eeuwenlang een diepgaande invloed zou uitoefenen op het Nederlands, omdat brede lagen van de bevolking hem lazen.
Genreleer
Men had van de klassieke oudheid de verdeling in drie soorten overgenomen:
Tragedie stond in het hoogste aanzien. Een treurspel moest over gruwelijke
gebeurtenissen gaan met een treurige afloop, waardoor bij de toeschouwer
schrik en medelijden werd opgewekt. Er moest aan drie eisen van eenheid
worden voldaan: handeling, tijd en plaats. Met andere woorden: een treurspel
moet een centraal onderwerp hebben dat zich binnen 24 uur afspeelt en één
vaste plek van de handeling heeft.
In de Komedie waren de onderwerpen en personen minder verheven en deze werd daardoor lager gewaardeerd. Het blijspel of klucht bestond uit 3 of 5 bedrijven, speelde zich af in de lagere, burgerlijke milieus, kende een eenvoudige taal en had een blij einde. Bij ons is Bredero beroemt om zijn kluchten (o.a. Moortje uit 1615 en Spaanschen Brabander).
De hoogste vorm in de verhalende (epische) dichtkunst was het epos. Homeros had de grote epen Ilias en Odyssee geschreven. Hiertoe behoorden ook het leerdicht dat tot de middengenre werd gerekend. Afgeleid hiervan is het in ons land zeer populaire hofdicht geweest, waarvan Huygens Hofwijck het bekendste is geworden.
De samenvattende term lyriek voor allerlei kleinere, meestal persoonlijke dichtuitingen kende men in de klassieke tijd niet. Hierdoor werd de lyriek dan ook niet hoog aangeslagen. Er was sprake van verheven lyriek (ode) die tot het middengenre behoorde en allerlei minder belangrijke vormen, waarmee niet zo veel eer te behalen was.
Populair was ook de satire. Hoewel deze strikt genomen de fouten en gebreken van de tijd, niet van personen, diende te hekelen, vatte men de term nogal ruim op.
Een epigram was een kort en kernachtig opschrift. Als deze zich toespitste op een bepaalde zaak, werd het een puntdicht genoemd.
De hiervoor genoemde genres hadden allen een klassieke achtergrond. Er waren echter ook dichtsoorten die hun oorsprong in de Italiaanse renaissance hadden.
In de Nederlanden was de emblematiek erg populair. Een emblematabundel bevat een reeks prentjes voorzien van een motto en een onderschrift. Er waren drie soorten: liefdesemblematiek, religieuze emblematiek en realistische emblematiek. Jacob Cats is de onbetwiste grootmeester o.a. met Sinne- en minnebeelden (1618).
De meest beoefende dichtvorm in de renaissance is het sonnet geweest. Het bestaat uit een 14-regelig gedicht met een vast rijmschema, verdeeld over 2 kwatrijnen (het octaaf) en twee terzinen (het sextet). Hooft, Bredero en Vondel waren onze belangrijjkste sonnetdichters.
Ook proza was erg populair. Met name vertalingen van ridderverhalen en volksboeken.
Onder de niet-fictionele proza stond de geschiedschrijving hoog in het aanzien. Neederlandsche Histoorien (1642) van Hooft over de Nederlandse opstand was hierin een hoogtepunt. Ook de biografie werd tot de geschiedschrijving gerekend.
Een andere vorm van proza zijn reisverhalen als die van het Journael van Bontekoe (1646).
Als laatste noemen we de dichtsoort pastorale die een herdersmilieu beschrijft in een geïdealiseerd landschap dat vaak Arcadië wordt genoemd. Daarnaast bestaan nog epithalamia (bruiloftdichten) en funeraire poëzie (lijk- en grafdichten).
Publiek en verspreiding
Het publiek in de schouwburg kwam voornamelijk uit de middengroepen en hoger. De spektakeldramas van Jan Vos oogstten meer bijval dan de klassieke tragedie van Vondel.
De toneelspelers stonden niet in hoog aanzien, veelal was sprake van een bijbaan. Vrouwen werden pas vanaf het midden van de 17de eeuw als actrice toegelaten.
Over lezers en kopers weten we weinig. Omdat het analfabetisme relatief laag was nemen we aan dat er veel werd gelezen. Vooral onder de protestanten konden veel mensen lezen omdat de bijbel en de catechismus voor hen anders ontoegankelijk was. Gezien de vele herdrukken waren de werken van Jacob Cats, Journael van Bontekoe en de Stichtelijke Rijmen van Camphuysen erg populair. Er waren boekwinkels maar die verkochten veelal ongebonden boeken zodat men ze zelf moest laten inbinden. Ook bij marskramers of venters kon men boeken kopen. Reclame maakte men d.m.v. drempelverzen in het voorwerk van boeken waarin men lofuitingen pleegde en korte de inhoud uiteenzette.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)