(leereenheid 17)
Inleiding
Een complex van factoren heeft bijgedragen aan de economische bloei van de Republiek (zie blz 1.). Ook de hechte samenhang tussen de economie van de steden en die van het platteland in de kustprovincies speelde een belangrijke rol.
De landbouw in de kustprovincies
Lange tijd is gedacht dat er zich op het platteland nauwelijks nieuwe ontwikkelingen voordeden. De Wageningse historici met B.H. Slicher van Bath als belangrijkste representant hebben daar verandering in gebracht.
De moerassige laagveengebieden in Holland bleven lange tijd schaars bewoond, totdat onder leiding van de graven van Holland een ontwikkeling op gang kwam om d.m.v. bedijking grotere stukken land in cultuur te brengen. Hierbij ontstonden ook de eerste waterschappen.
Rond 1500 was de afwateringstoestand in Holland nog zeer slecht. Op het boerenbedrijf was nog geen sprake van specialisatie (er waren gemiddeld 4 tot 6 stuks vee en wat akkerbouw). Noodgedwongen hadden de boeren ook nevenactiviteiten (vissen, jagen, turfsteken etc.). Er was nauwelijks sprake van feodaliteit. Een relatief groot deel van de bevolking woonde al in steden.
In de 16de en 17de eeuw ging men zich meer en meer richten op het telen van handels- en tuingewassen. Ook ging men zich specialiseren (bijv. op boter, kaas of melk). Zo kon de export van boter en kaas sterk toenemen.
Er werd veel kapitaal gestoken in het verbeteren van de kwaliteit van de grond (o.a. dijken, voorkomen van zandverstuivingen, waterafvoer, inpolderingen etc.). Er kwamen ook grotere boerderijtypes (stolpboerderij).
In 1650 was in Noord-Holland nog maar 1/5 gedeelte van de beroepsbevolking op het platteland werkzaam in de landbouw. Ook de welstand nam gestaag toe. In het begin van de 18de eeuw ging het echter steeds minder. Lagere prijzen, de pest en de paalworm (dijkverzwakking) zorgde voor lagere inkomsten voor de boeren. Investeringen in nieuwe inpolderingen bleven dan ook uit. Na 1750 vond er weer een verdere groei van de landbouw plaats.
De handel
Al in de 13de eeuw kwam de Ommelandvaart tot ontwikkeling (de handel naar de Oostzeelanden). Rond 1500 was de zeehandel tussen Oost- en West-Europa zelf grotendeels in Nederlandse handen. Tegen het einde van de 16de eeuw breidde de handel zich uit naar Noord-Rusland en de Middellandse Zee. Rond 1600 gingen Hollandse schepen hun eerste reizen naar Azië, Afrika en de Nieuwe Wereld maken. Het werkterrein leek onbegrensd te worden. De Republiek fungeerde als het distributiecentrum (stapelmarkt) voor heel Europa. En Amsterdam was de centrale overslaghaven van Europa en van sommige producten zelfs van de wereld.
Ontstaan en bloei van de stapelmarkt
Door de onregelmatige aanvoer van producten bood de concentratie van de handel op één plaats, in één concrete stapelmarkt talrijke voordelen. Ook het berichtenverkeer was gebrekkig. De markt was derhalve in hoge mate ondoorzichtig.
De gunstige geografische ligging, de grote handelsvloot, de geringe transportkosten, arbeidsbesparende technieken en lage invoerrechten hebben ertoe geleid dat de Republiek, ondanks de hogere lonen, de stapelmarkt van Europa werd.
Er werden efficiënte schepen (het fluitschip) zonder bewapening gebouwd die voor lage transportkosten zorgden. Voor bescherming diende de oorlogsvloot te zorgen.
Daarnaast bood de republiek diensten als kredietverschaffing en financierings- en verzekeringsvormen. Zo dateert de Wisselbank in Amsterdam van 1609, de Beurs van 1611 en de Bank van Lening van 1614.
Via het beheersen van inkoop- en afzetmarkten werd gestreefd naar een monopolipostitie van handelsroutes en handelsproducten.
Ook konden de eigen landbouw- en nijverheidsproducten via de stapelmarkt worden verhandeld.
Het eind van de stapelmarkt
Na 1670 kende de stapelmarkt een periode van bestendiging die duurde tot het midden van de 18de eeuw. Daarna trad een ernstig verval in.
Toen na 1650 mogendheden als Engeland en Frankrijk hun interne problemen te boven waren trachten zij met alle middelen hun eigen handelaren te bevoordelen t.o.v. de Hollanders.
Zo werd in Engeland in 1651 middels de Acte van Navigatie bepaald dat de import enkel via Engelse schepen of die van de oorspronkelijke producent mocht geschieden. Alhoewel deze maatregel in 1667 bij de vrede van Breda weer teniet gedaan werd is dit wel typerend voor de oppositie van andere Europese mogendheden tegenover de Hollandse heerschappij.
Ook kwamen nieuwe internationale handelssteden op (met name Londen) waardoor de handel meer gedecentraliseerd werd.
Verbeterde zeiltechnieken en berichtenverkeer verminderde ook de noodzaak van één stapelmarkt voor een bepaald product. Wel bleef de Republiek een belangrijke rol spelen in de financiering. Er was immers bijzonder veel kapitaal aanwezig. Het gevolg was dan ook dat veel geld in buitenlandse projecten werd gestoken.
Onder de gegeven omstandigheden was het buitengewoon knap dat Nederland tot ver in de 18de eeuw haar positie op de stapelmarkt heeft weten vast te houden.
De nijverheid
In de Algemene Geschiedenis der Nederlanden heeft L. Noordegraaf geschreven dat in de Noordelijke Nederlanden één van de belangrijkste concentratiepunten van kapitaalintensieve en/of arbeidsintensieve takken van nijverheid in de toenmalige wereld, tot ontwikkeling kwam.
Hij noemt hiervoor een complex van oorzaken:
Ook hier begon het verval in de loop van de 18de eeuw. Rond 1750
nam het verval ernstige vormen aan met een hoge structurele werkeloosheid.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)