(leereenheid 14)
De Officina Plantiniana te Antwerpen
Het unieke pand aan de Vrijdagmarkt
Het bedrijf gesticht door Christoffel Plantijn (1555-1589) en voortgezet door zijn nazaten, de Moretussen (tot omstreeks 1870), kende de langste levensduur in de geschiedenis van de boekindustrie en was van de 16de tot de 18de eeuw één van de voornaamste typografische ondernemingen van West-Europa.
Plantijn vestigde zich in 1576 in de Gulden Passer aan de Vrijdagmarkt. Het pand werd door latere generaties uitgebouwd tot één van de meest weelderige patriciërswoningen van Antwerpen om ten slotte, in 1876, door Edward Moretus, met al zijn schatten, te worden overgedragen aan de stad Antwerpen om als museum dienst te doen.
Christoffel Plantijn, drukker en uitgever te Antwerpen (1555-1589)
Plantijn werd omstreeks 1520 geboren in Tours (Frankrijk) en vestigde zich in 1548-49 als boekbinder in Antwerpen. Voor de buitenwereld is hij katholiek gebleven maar hij is wel lid geweest van de geheime mystieke sekte, het Huis der Liefde, Met geld van deze sekte kon hij zich in 1555 als drukker vestigen. Bij een inval in 1562 werden er calvinistische werken gevonden. Een drietal metgezellen gaven toe dat zij dit zonder wetenschap van Plantijn, die tijdelijk in Parijs verbleef, hadden gedaan. Toch besloot Plantijn vooralsnog in Parijs te blijven. Toen hij terugkwam hadden de schuldeisers zijn inboedel verkocht.
Met behulp van één van de schuldeisers, Cornelis van Bomberghen, werd een nieuwe compagnie (n.v.) opgericht. Deze kwam al snel tot grote bloei en was in 1566-67, met zeven persen, reeds één van de grootste drukkerijen in Europa.
Tijdens de beeldenstorm in 1567 moest Bomberghen vluchten naar Duitsland. Plantijn had inmiddels voldoende middelen om het bedrijf zelfstandig voort te zetten. Hij was door zijn partners echter wel gedwongen geweest om in Vianen een antikatholieke drukkerij op te zetten, hetgeen hoogverraad betekende. Het is echter nooit ontdekt. Filips II gaf hem zelfs opdracht tot het drukken van de belangrijkste wetenschappelijke Bijbeluitgave van de 16de eeuw: de Koninklijke of Antwerpse Polyglot-Bijbel. Omdat de kwaliteit van het drukwerk in Spanje sterk achterbleef mocht Plantijn daarna vrijwel alle liturgische werken voor Filips II maken.
Alhoewel Plantijn ongeschonden uit de Spaanse furie kwam (4-6 november 1576) stopte de winstgevende handel met Spanje van de ene op de andere dag.
Omdat ook veel andere publicaties werden gemaakt (schoolboeken en humanistische werken) kon zonder veel problemen worden overgeschakeld.
Wel besloot Plantijn een vestiging in Leiden te openen, waar hij werd aangesteld als de officiële drukker van de universiteit (1583-1585). Toen de capitulatie van Antwerpen (augustus 1585) een feit was liet Plantijn de vestiging in Leiden in de steek om naar Antwerpen terug te keren. Onder zeer moeilijke omstandigheden (hongerjaren, oorlog, handelsbelemmeringen) slaagde hij erin om de onderneming in stand te houden. Hij stierf op 1 juli 1589 en liet een fortuin na van 136.000 carolusgulden.
De uiteenlopende wegen van de firmas te Antwerpen en te Leiden
Als gevolg van het oorlogsgeweld werden de verbindingen met de rest van Europa na 1585 lange tijd verstoord. Plantijn moest zich toeleggen op de regionale markt waarbij hij de voornaamste typograaf van de contrareformatie werd. Zijn opvolgers Jan Moretus (1589-1610) en diens zoon Balthasar Moretus I (1610-1641) zetten deze lijn door. In het begin van de 17de eeuw wende de Spaanse Hiëronymieten monniken zich weer tot de drukkerij om voor de Spaanse markt liturgische werken te maken. Omstreeks 1640 waren het praktisch nog enkel deze lucratieve werken die de drukkerij verlieten. Dit duurde tot 1765 toen werden de Spaanse privileges ingetrokken.
Op het intellectuele vlak speelde de Officina Plantiniana echter geen rol meer.
Het Leidse huis werd in 1586 overgenomen door Plantijns schoonzoon, Frans Raphelengius. Het hield reeds in 1618 op te bestaan, maar had inmiddels mede een stempel gedrukt op de evolutie van het intellectuele klimaat in Holland. Doordat Raphelengius een expert was op het gebied van oosterse talen werd op dit gebied baanbrekend werk verricht. Dank zij hem heeft de Leidse Universiteit nog steeds een internationale faam op het gebied van oosterse talen.
De productie van Plantijn
Plantijn heeft gedurende 34 jaar 2450 publicaties verzorgd. Zelfs volgens de huidige maatstaven is zijn dit indrukwekkende cijfers. Godsdienst en humanisme stonden met bijna 70% centraal in de productie. Behoudens geneeskunde en plantkunde waren de wetenschappelijke publicaties beperkt.
De Hebreeuwse bijbels van 1566 kende een oplage van 5200 stuks hetgeen ongelooflijk veel is als wordt bedacht dat slechts een gering aantal mensen deze taal machtig waren.
Overige uitgaven hadden meestal een veel geringere omvang; schoolboeken tot 1250 en wetenschappelijke werken 600-800, bestsellers kwamen tot de 2500 exemplaren.
De markt voor boeken was in de 2de helft van de 16de eeuw dan ook niet zo groot.
Auteurs werden vaak faciliteiten verleend om hun werk te doen. Betaald werden ze echter zelden. Ze moesten het doen met een aantal exemplaren van hun werk. Copyright rechten waren slechts voor een beperkt gebied en tijdsduur geldig. Roofdrukken door buitenlandse firmas waren aan de orde van de dag. Ook Plantijn maakte zich daaraan schuldig.
Als Fransman heeft Plantijn het eerste Nederlandse woordenboek samengesteld de Thesaurus Theutonicae Linguae met niet minder dan 40.000 trefwoorden dat in 1573 verscheen. Een door zijn medewerker Kiliaan uitgebracht woordenboek uit 1574 en dat in 1599 geheel is herzien, Etymologicum Teutonicae linguae werd het vertrekpunt voor alle latere woordenboeken van de Nederlandse taal.
Het aanmaken van boeken in de Officina Plantiniana
De druktechniek zoals uitgewerkt door Gutenberg bleef in de loop van de moderne tijden praktisch ongewijzigd. Pas de industriële revolutie bracht in de 19de eeuw belangrijke innovaties. De grote en definitieve breuk kwam in de jongste jaren met de introductie van het phototype-composing systeem.
Uitgangspunt is de stempel, waar bovenaan, in reliëf, het letterteken wordt gegraveerd. De stempel word in de matrijs (een blokje koper) geslagen. De matrijs wordt geklemd in een gietvorm waarin de letters worden gegoten met een mengsel van 80% lood, 10% tin (voor de vloeibaarheid) en 10% antimonium (voor de hardheid).
Plantijn had de grootste verzameling stempels en matrijzen. In totaal ongeveer 90 verschillende letterreeksen (romein, italiek, gotisch, muziek, Hebreeuws, Grieks etc.).
De weg van het ontwikkelen van de hedendaagse drukletter liep van Frankrijk via de Officina Plantiniana naar Holland waar de 17de-eeuwse stempelsnijders wereldberoemd waren.
De zetters voegden de loden letters aaneen tot regels in hun zethaken, die werden samengevoegd tot bladzijden op galeien. Een aantal bladzijden werden opgekooid tot een vorm, die werd doorgegeven aan de drukkersgezellen. Er werd een proefdruk gemaakt die door een proeflezer werd gecontroleerd. Proeflezers waren vaak humanistische intellectuelen.
Vaak werden boekillustraties toegevoegd. Er waren twee mogelijkheden:
De werkomstandigheden waren zwaar. Er werd gewerkt van 6 uur s morgens
tot 8 uur s avonds. Uitbetaling geschiedde per taak. Omdat de letters na
het drukken weer opnieuw gebruikt werden was er een afhankelijkheid tussen
de zetters en drukkers. De zetters moesten tijdig hun werk aan de drukkers
leveren en de drukkers moesten tijdig de letters weer aan de zetters retourneren.
Om de rust te handhaven was er een vakbond, de Kapel. Omdat het bestuur
van de vakbond (de wet) boetes kon opleggen die in hun eigen zak terecht
kwamen was het regime van de vakbond nog strenger als die van de werkgever.
Vanuit de kas van de vakbond werden ook zieke en noodlijdende collegas geholpen. In 1653 werd op initiatief van Balthasar Moretus II zelfs een zelfstandig ziekenfonds opgericht.
De verkoopstructuur en de verkoop van boeken
De werken werden geleverd in albis of en blancq, dat wil zeggen in losse vellen. De klant diende zelf te zien waar en hoe hij zijn aanwinst liet inbinden.
Plantijn had een eigen boekwinkel. Niet zozeer voor de verkoop aan particulieren maar meer als verpak- en verzendhuis voor de verkochte boeken.
In Parijs had Plantijn een soort bijhuis dat als stapelplaats diende en van waaruit het contact met de Franse markt werd onderhouden.
In Duitsland draaide alles om de jaarmarkten van Frankfort, waar tweemaal per jaar, in de vasten en in september de boekhandelaren van over het hele rijk zaken deden.
Met collega drukkers was vaak sprake van ruilhandel.
Voor het bepalen van de prijzen werden de productiekosten uitgerekend. Deze bestonden voor het grootste deel uit papier (gemiddeld 70%) en lonen. Soms kwamen daarbij de onkosten voor de boekillustratie die zeer hoog konden oplopen. In de cursus wordt gesproken van abnormaal lage winstmarges. Feit is echter dat Plantijn een behoorlijk vermogen achterliet hetgeen hiermee in tegenspraak is.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)