DE GROTE TREK, 1572-1630

(leereenheid 13)

Introductie

De emigratie van grote bevolkingsgroepen uit de Nederlanden naar elders is een verschijnsel geweest, dat de gehele zestiende eeuw heet geduurd.

In die exodus zit een golfbeweging, die hoogtepunten kende in de jaren 1540-1550, 1567-1573 en 1577-1589 en een uitloper had in de jaren 1590-1630. De twee eerste emigratiegolven waren naar verhouding beperkt van omvang en hoofdzakelijk op Engeland en Duitsland gericht; de derde werd gekenmerkt door massaliteit en had grotendeels de Noordelijke Nederlanden als eindbestemming, evenals de vierde, die echter weer beperkt van omvang was.

De emigratie van zuid naar noord

Fasen, aantallen, vestigingsplaatsen

Tussen 1577 en 1589 vertrokken tienduizenden mensen tegelijk vanuit de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden. In het zuiden was sprake van een sterk neergaande economische conjunctuur als gevolg van het verval van de textielnijverheid en de ontwrichting van de handel en de landbouw. De reconquista van de jaren 1577-1585 maakte het verval nog erger en betekende voor de protestanten een verlies van godsdienstvrijheid.

Exacte getallen bestaan niet maar tellingen in diverse steden in het zuiden geven aan dat minimaal sprake moet zijn van 150.000 inwoners (ongeveer 10% van de bevolking).

Door de urbanisatiegraad en economische infrastructuur (die grote verwantschap met het zuiden vertoonde) trokken de meesten naar de kustprovincies van de republiek.

In de Hollandse steden was dan ook sprake van een sterke groei van het inwonersaantal waarbij Amsterdam de kroon stak.

Motieven

De motieven om te emigreren waren tweeërlei:


In welke verhouding beide motieven een rol hebben gespeel is niet vast te stellen wel is duidelijk dat de emigratie uit sterk protestantse gebieden groter is geweest. Het vredesverdrag van Gent (september 1584) bepaalde dat de protestanten binnen vier jaar moesten vertrekken of moesten terugkeren naar de moederkerk. Na de capitulatie van Antwerpen in augustus 1585 kwam dan ook een massale uittocht op gang.

De effecten van de immigratie

Handel en nijverheid

De periode 1580-1630 was voor de Republiek een tijd van grote economische expansie en groeiende welvaart, die in belangrijke mate samenhing met de instroom van Zuidnederlandse kooplieden, industriëlen en ambachtlieden.

Naast veel onbemiddelde mensen kwamen ook grote groepen kapitaalkrachtigen naar de Republiek hetgeen een enorme stimulans voor de handel betekende. Er was immers kapitaal om te investeren in o.a. de scheepvaart (V.O.C.). Ook het bank- en verzekeringswezen nam onder invloed van het zuidelijke kapitaal een grote vlucht.

Ook betekende de komst van de immigranten een veel voor de bloei van de nijverheid. De textielnijverheid was in de 16de eeuw tot aan 1570 sterk afgenomen. Daarna was sprake van een grote expansie in de textielnijverheid.

Tot in het begin van de 17de eeuw werden zelfs gunstige faciliteiten (woonruimte, burgerrecht, belastingfaciliteiten etc.) aan immigranten gegeven om zodoende aan de arbeidsvraag te kunnen voldoen. Bewust werd door de Zeeuwse staten zelfs het Zuiden middels vrijbuiters onveilig gehouden om terugkeer van burgers naar het Zuiden tegen te gaan.

De religieuze stratificatie

Het zwaartepunt van de reformatie lag tot het 3de kwart van de 16de eeuw in de zuidelijke Nederlanden. Onder invloed van de immigranten verplaatste het zwaartepunt zich geleidelijk aan naar de Republiek. Al kreeg het protestantisme daar voorlopig nog geen meerderheid. Volgens Oldenbarnevelt maakten protestanten in 1616 nog geen 3de deel van de bevolking uit. Rond 1600 was een groot deel van de aanhang van de diverse protestantse kerken nog van zuidelijke afkomst.

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) woedden er godsdiensttwisten die met de Synode van Dordrecht in 1618 voorlopig werden afgesloten. Er waren twee stromingen in het calvinisme:


De strijd werd in het voordeel van de orthodoxen beslecht. Het calvinisme raakte toen zeer nadrukkelijk met de politieke en sociale instituties verbonden en versterkte zijn greep op de samenleving. In feite konden belangrijke posities enkel nog door calvinisten worden bekleed. In 1656 was de katholieke kerk dan ook gereduceerd tot nog slechts 47% van de bevolking.

Intellectuele cultuur

Met de immigratie kwam ook veel hoogstaand intellect naar de Republiek. Hiervan profiteerde het schoolwezen. Tussen 1572 en 1630 werkten zeker 500 onderwijzers, leraren en professoren afkomstig uit het Zuiden in de Republiek. Aan de Leidse universiteit (gesticht in 1575) doceerde in de eerste decennia 28 Zuidnederlandse hoogleraren.

De Zuidnederlanders hebben in veel gevallen ook de eerste stoot gegeven tot de later zo roemvolle boekdrukkunst. Hierbij speelde echter ook de bloei van de universiteiten en de unieke publicatievrijheid een belangrijke rol.

Ook waren veel Zuidnederlanders in de advocatuur en het notariaat werkzaam. Opvallend veel politici stamden eveneens uit de Zuidelijke Nederlanden. Hun grote kennis in talen en bestuurlijke zaken maakten hen zeer geschikt voor overheidsambten.

Artistieke cultuur

De relatief hoge en gespreide welvaart leidde tot een productie van talloze goederen die niet tot de eerste levensbehoefte behoren. Door de aanwezigheid van grote aantallen Zuidnederlandse vaklieden uit de luxenijverheid konden talloze nieuwe bedrijfstakken worden gestart.

De opkomst en ontwikkeling van de diamantbewerking, de tapijtweverij, de fijne houtbewerking, de zijde- en fluweelnijverheid, de leerbewerking, de glasblazerij, de keramische nijverheid en de edelsmeedkunst kunnen allen in direct verband met de Zuidnederlandse immigratie worden gebracht. De tapijtindustrie was in 1650 zelfs geheel in handen van Zuidnederlanders.

In het (kunst)schildersbedrijf, grafische kunstenaars en de kalligrafie waren velen uit het Zuiden afkomstig. Hierdoor kwam er een wisselwerking tussen de Vlaamse en Noordnederlandse tradities op gang. Veel kenmerken van de beroemde Hollandse School stammen dan ook uit de 16de-eeuwse Vlaamse traditie.

Tussen 1585 en 1593 werden ook vier rederijkerkamers door Vlamingen en Brabanders gesticht. Zij hielden zich bezig met de dichtkunst, maar ook met de zuivering en verfraaiing van de taal. Onder andere Joost van den Vondel stamde uit het Zuidnederlandse milieu.

Omgangscultuur

Rond 1600 was het noorden nog kleinburgerlijk. Het leven werd zonder franje geleefd en de bewoners stonden als eenvoudig, simpel en zelfs ruw te boek. De zuiderlingen hadden een meer aristocratische allure. Deze kenmerkte zich door goede omgangsvormen, zorgvuldig taalgebruik, subtiele smaak, eruditie en een elegante manier van doen. Dit werd ook wel als courtoisie (gecultiveerde elegantie) getypeerd.

Ondanks dat de verschillen in het begin tot botsingen leidden pasten de noorderlingen zich geleidelijk aan. Het leven boette in aan spontaneïteit en directheid. Daarvoor kwam een nieuwe vormentaal in de plaats.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)