(leereenheid 11)
Moderne verguizing
Voortbouwend op de middeleeuwse traditie koos de rederijkerij voor een waarlijke redeneerkunst, de literaire vaardigheid van het overtuigen op basis van welsprekendheid zoals die ontwikkeld was in de klassieke retorica. Humor en amusement ontbraken daarbij niet.
De vormgeving, vooral middels allegorie, stuit vaak op grote weerzin bij latere literaire liefhebbers.
In hun tijd was dit voor de rederijkers echter de manier om aan hun publiek moeilijke zaken te verduidelijken. Dat het ook werd gewaardeerd blijkt uit de grote belangstelling voor de rederijkers.
Johan Huizinga spreekt van het herkauwen van traditioneel erfgoed in een decadente omgeving en zelfs van een versleten fantasie in zijn Herfsttij der middeleeuwen (1919). In Huizingas visie ontbreekt het perspectief van de dynamiek van het stedelijk leven in de 15de en 16de eeuw.
Er zijn vier redenen aan te geven voor de slechte naam van de rederijkerij:
Zuid en Noord
Het begon met literaire organisaties in de vorm van kamers vanaf het begin van de vijftiende eeuw in de steden van het zuiden. Een kleine eeuw later sloeg de beweging pas over naar het noorden. In het zuiden werd de rederijkerij meer en meer spreekbuis van brede lagen van de bevolking. Alleen in Antwerpen bleef een bolwerk van voorname rederijkerskunst, culminerend in het vermaard geworden landjuweel in de 16de eeuw. Franse Pléiade-dichters als Clement Marot en Pierre Ronsard, zorgden voor vernieuwingen in thematiek, woordkeus en vormgeving (het sonnet!). Veel dichters (Cornelis van Ghistele, Jan van der Noot e.a.) gaan hun werk maken buiten de rederijkerkamers om. Vooral het bewerken van de literatuur der antieke auteurs en het schrijven van epos en sonnet werden populair. De rederijkerij was ver verwijderd van deze vernieuwingen en trok naar het platteland.
De vernieuwingen in het noorden deden zich echter wel voor binnen de rederijkerkamers.
Stichting van de kamers
Binnen geestelijke broederschappen die zich toelegden op de lekendevotie, binnen de schutterijen en in principe ook in de lokale gilden werden literatuuruitingen ontwikkeld die allereerst gebruikt werden bij processies, Blijde Inkomsten en stedelijke feestvieringen. Ook de minder vast georganiseerde feestcomités ontwikkelden literaire activiteiten.
Uit deze groepen ontwikkelde zich in het beging van de 15de eeuw de rederijkerkamers. De zinspreuk Jeucht sticht Vreucht, verraad de herkomst van de Brusselse kamer De Corenbloem uit het georganiseerde jongerenvermaak. Herkomst uit schutterijen kwam waarschijnlijk het meest voor. Naast het schieten werden ook wedstrijden gehouden in het opvoeren van de beste esbattementen (halfserieuze toneelstukjes met een komische noot).
De leden
De leden van de kamers komen vooral uit de schrijvende middenstand. Het aantal geestelijken was in de eerste eeuw verrassend hoog. Er golden naast de contributie vaak strenge eisen t.a.v. geletterdheid en bedrevenheid in het hanteren van de moedertaal en retorica. Toch was vaak slechts één lid (de factor) het dichtend vernuft van de kamer. Dit was vaak een professional die niet zelden bezoldigd werd door het stadsbestuur. Zij konden immers belangrijke interne en externe propaganda verzorgen.
Daarnaast was er nog de Prince, de beschermheer van de kamer. Dit was vaak een hertog maar bekent is dat ook Filips de Schone gewoon lid was van de Brusselse kamer Den Boeck.
Opstandigheid en Reformatie
In de 16de eeuw groeide de rederijkerkamers uit tot een ongekend opinievormend instituut en kreeg het steeds meer een opstandig karakter. Dit leidde steeds vaker tot censuur. Schoolmeester en rederijker Pieter Schuddemate verloor zelfs te Antwerpen in 1547 zijn hoofd op het schavot vanwege een ballade over de wandaden van de plaatselijke Minderbroeders (Franciscaner kloosterlingen). De rederijkerij kon haar functie niet meer uitoefenen en haar lot was bezegeld. Tijdens het Antwerpse landjuweel van 1561, dat met pracht en praal omgeven was, waren de themas dan ook waardevrij en inhoudsloos.
Overtuigingskunst.
De rederijkersdichter moest het goddelijk heilsplan verduidelijken en vooruitblikken naar het hiernamaals, dit gebaseerd op de klassieke welsprekendheidleer (retorica). Er moesten grote groepen mensen worden bereikt.
Door zich af te zetten tegen de op geldbeluste sprooksprekers en straatdichters werd het aanzien van de rederijkerij steeds verder vergroot.
De rederijkers zijn erin geslaagd om de middeleeuwse dichter om te vormen tot een visionair literair kunstenaar. De aankleding van de taferelen was zeer levendig, vol zang en dans en vooral doorspekt met stille vertoningen (togen) die belangrijke momenten in de debatten uitbeeldden of voorzagen van bijbelse en antieke parallellen.
Het publiek kon er destijds niet genoeg van krijgen.
Het refrein was de literaire redeneersvorm bij uitstek.
Thematiek
De thematiek omvatte alles wat het dagelijkse leven van de burger kon beheersen en aantasten. Karakteristiek zijn de onophoudelijke pleidooien voor het vertrouwen op en hanteren van de rede. We herkennen hiermee de laatantiek wijsgerige beweging Stoa (van het begrip stoïcijns). Hierdoor wordt ook wel van neostoïcisme onder de rederijkers gesproken.
Er waren ook veel lessen voor de koopman. Hij diende over een hoge dosis koelbloedigheid te beschikken want Fortuna (het lot) kon elk moment toeslaan.
Ook werd veel gewezen op de gevaren van de verdovende liefde. Zoals Colijn van Rijssele in Spieghel der minnen van omstreeks 1500, een groot zinnespel over de dwaasheid van de liefde. Een rijke koopmanszoon valt voor een eenvoudig naaistertje van veel te lage stand. Uiteindelijk moet hij zijn ziekte met de dood bekopen.
Ten slotte is ook de dood een veel gebruikt thema.
Beschavingsinstituut
Alle lessen en remedies voor vallen en opstaan van de stedeling propageerden in feite een burgermoraal, die al vanaf de 14de eeuw in opbouw was. Het deugdenpakket bestond uit: hard werken, sparen, voor jezelf kunnen zorgen, maat houden en naar rede leven.
De rederijkers traden op als stedelijk beschavingsinstituut voor steeds weer nieuwe elites. Die zochten kennis, geleerdheid en vooral gedragsvormen waarmee ze zich konden onderscheiden van het grauw binnen en buiten de stad, niet zelden geportretteerd in de vorm van karikaturaal vertekende boeren. De boer werd overigens vaak gebruikt als geridiculiseerd anti-ideaal.
Alles moest echter gepaard gaan met organisatie en overtuigingskunst. Voordat goede gewoonten waren ingeburgerd, moesten ze eerst onderwezen en zelfs afgedwongen worden. Vandaar dat er een hele lijst boetes was op vloeken, boeren, winden laten, smerige grappen maken, vechten en dergelijke. Maar bovenal blijkt dit beschavingsstreven uit de literaire teksten zelf.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)